ECLI:NL:RBDHA:2026:17746

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
SGR 24/9980, 24/9982 en 24/9983
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 2.12 Algemene plaatselijke verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning uitweg wegens onvoldoende verkeersveiligheid en privaatrechtelijke belemmering

De zaak betreft de verlening van een omgevingsvergunning voor een extra uitweg op een perceel aan de provinciale weg N208. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (eiser) betwistten de vergunning vanwege verkeersveiligheidsrisico's en het ontbreken van een objectieve noodzaak. De vergunninghouder had de uitweg aangevraagd omdat het perceel niet voldeed aan de parkeereis van een eerder verleende vergunning voor een bed & breakfast.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat de uitweg een aanvaardbaar veiligheidsrisico oplevert. De manoeuvreerruimte op het perceel is onvoldoende, en het verkeerskundig advies van eiser wijst op een verhoogd risico voor kwetsbare verkeersdeelnemers. Daarnaast is er sprake van een privaatrechtelijke belemmering omdat de uitweg ten koste gaat van provinciaal groen zonder overeenstemming.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en gelast het college opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunningen voor de uitweg wegens onvoldoende onderbouwing van verkeersveiligheid en privaatrechtelijke belemmering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/9980, 24/9982 en 24/9983

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaken tussen

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, eiser

(gemachtigden: mr. K.E. Masmeijer-Haan en [gemachtigde 1] )
en

het college van burgemeester en wethouders van Lisse,

(gemachtigden: mr. T. Janssens, [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3]).
Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:
[derde-partij 1], vergunninghouder
(gemachtigde: mr. R.M. Rensing)
en

[derde-partij 2] en [derde-partij 3] ,

(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor het realiseren van een uitweg. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de vergunning. [derde-partij 2] en [derde-partij 3] zijn buren van vergunninghouder.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen
.Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft op 3 februari 2020 en 9 juli 2020 een aanvraag gedaan om een omgevingsvergunning voor een extra uitweg op de locatie [adres] in [plaats] . De noodzaak daartoe vloeide voort uit zijn conclusie dat het perceel niet zodanig was in te richten dat hij kon voldoen aan de parkeereis van de op 29 maart 2016 verleende omgevingsvergunning voor de realisering van een b&b op het perceel. De aangevraagde uitweg sluit aan op de provinciale weg N208 (de tweede uitweg).
2.1.
Bij besluit van 3 augustus 2020 heeft het college de gevraagde vergunning geweigerd.
2.2.
Bij besluit van 26 maart 2021 heeft het college na negatief advies van eiser het bezwaar van vergunninghouder tegen het besluit van 3 augustus 2020 ongegrond verklaard.
2.3.
Bij uitspraak van 11 april 2024 heeft de rechtbank Den Haag het besluit van 26 maart 2021 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak.
2.4.
Bij een drietal besluiten van 25 november 2024 heeft het college de bezwaren van vergunninghouder en die van derde-partij [derde-partij 2] gegrond verklaard en de gevraagde vergunning verleend.
2.5.
Eiser heeft tegen elk van deze drie besluiten beroep ingesteld. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Derde-partijen [derde-partij 2] en [derde-partij 3] zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde.
2.7.
Ter zitting is met partijen afgesproken dat het college in de gelegenheid wordt gesteld om een onderbouwing in te dienen van hun conclusie dat de beoogde uitweg naar de N208 een aanvaardbaar veiligheidsrisico oplevert. Eiser en derde-partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op de onderbouwing van het college te reageren.
2.8.
Op 2 april 2026 heeft het college de gevraagde onderbouwing ingediend vergezeld van een adviesmemo van de gemeentelijk verkeersdeskundige. Eiser heeft op 15 april 2026 op de onderbouwing gereageerd en een advies ingediend van de provinciaal adviseur verkeersveiligheid en verkeersmanagement. Derde-partijen [derde-partij 2] en [derde-partij 3] hebben op 27 mei 2026 gereageerd onder overlegging van een rapport van 23 april 2026 van verkeersdeskundig adviesbureau [adviesbureau] .
2.9.
Partijen hebben desgevraagd geen gebruik gemaakt van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om de omgevingsvergunning voor het realiseren van de uitweg is vóór 1 januari 2024 ingediend, zodat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
3.1.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening (Apv) van de [gemeente] is het verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Op grond van artikel 2.12, tweede lid, onder a, van de Apv wordt de vergunning geweigerd ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg.
Verkeersveiligheid
4. Eiser betoogt dat de uitweg een zeer onveilig ontwerp kent met potentieel gevaar voor de kwetsbare verkeersdeelnemers op het fietspad. Om het perceel van vergunninghouder te verlaten moet achteruit worden gereden, waarbij dan op of parallel aan het fietspad moet worden gekeerd om de weg op te kunnen rijden. Het toevoegen van een extra uitweg op de provinciale weg N208 is in strijd met het landelijk beleid ter verhoging van de verkeersveiligheid (Duurzaam Veilig). Deze weg is een gebiedsontsluitingsweg waarop zo min mogelijk wegen dienen uitwegen op dienen aan te sluiten. Bovendien is het gebrek aan parkeercapaciteit en dus de noodzaak om aan de in 2016 opgelegde parkeereis te voldoen volgens hem niet objectief aangetoond. Eiser staat daarom een minnelijk overleg voor.
4.1.
Het college heeft daarop een parkeerdrukonderzoek laten uitvoeren door Goudappel. In de op 19 juni 2025 uitgebrachte rapportage wordt vastgesteld dat de parkeerbezetting op alle onderzocht momenten onder de 90% bleef. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat er inclusief de parkeerbehoefte van de b&b in het openbaar gebied sprake is van een acceptabele parkeersituatie. Vervolgens heeft het college aan vergunninghouder op 21 oktober 2025 een nieuwe omgevingsvergunning verleend voor het gebruik als b&b, zonder daaraan een parkeereis te verbinden. De noodzaak voor de verleende omgevingsvergunning voor de uitweg komt daarmee volgens het college tevens te vervallen. Tegen de op 21 oktober 2025 verleende omgevingsvergunning is derde-partij [derde-partij 2] in bezwaar gekomen met gronden die deels zien op het vervallen van de parkeereis. Tot een minnelijke oplossing is het dan ook niet gekomen.
4.2.
Het college heeft in zijn beslissingen op bezwaar zonder nadere toelichting overwogen dat hem uit de aanvraag en bijbehorende stukken was gebleken dat het verkeer niet in gevaar wordt gebracht door het maken van de aangevraagde tweede uitweg. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat het college aldus en ook ter zitting niet heeft onderbouwd waarom de beoogde tweede uitweg een aanvaardbaar veiligheidsrisico oplevert. De rechtbank heeft daarom de behandeling van de zaken aangehouden en het college de gelegenheid geboden om de bestreden besluiten nader te onderbouwen. Vergunninghouder heeft ter zitting erkend dat er in de huidige situatie geen ruimte is om te keren op eigen terrein en dat er bij het parkeren altijd achteruit moet worden gereden waarbij het fietspad wordt gekruist.
4.3.
Het college heeft op 2 april 2026 een nadere onderbouwing ingediend. Het college handhaaft daarin zijn standpunt ten aanzien van de verkeersveiligheid onder verwijzing naar een adviesmemo van zijn verkeersdeskundige [naam] van 31 maart 2026. In het memo wordt toegelicht dat de schutting op het terrein van vergunninghouder kan worden verplaatst, zodat er meer manoeuvreerruimte ontstaat, waardoor het mogelijk is voor twee auto’s om op eigen terrein te parkeren en te keren en zo het perceel zowel vooruit op als af te rijden. Daardoor heeft de bestuurder volgens het college voldoende zicht op naderende gebruikers van het (brom)fietspad, voordat het terrein wordt verlaten. Het betreft een éénrichtingsfietspad. Verder is in de verleende omgevingsvergunning een verplichte rijrichting opgenomen bij het uitrijden van het perceel, waardoor er niet een rijbaan overgestoken moet worden. Bij elkaar opgeteld zorgt dat ervoor dat, zelfs indien het perceel achteruitrijdend wordt verlaten, de verkeersveiligheid voldoende wordt gewaarborgd. Verder is het college niet gebleken dat de reeds bestaande uitwegen aan dezelfde weg tot gevaarlijke situaties leiden.
4.4.
Eiser ziet hier in zijn reactie van 15 april 2026 geen nadere motivering in. Hij wijst op het op 12 december 2024 door zijn verkeersdeskundige [gemachtigde 1] opgestelde advies, zoals aangevuld op 14 april 2026. Deze verkeersdeskundige heeft in de rapportage een kaart opgenomen met een overzicht van het terrein en een kaart met daarop ingetekende rijrichtingen. Op grond daarvan betwijfelt hij of het verplaatsen van de schutting zal zorgen voor voldoende extra ruimte om op eigen terrein te keren. De afstand van 6 meter tussen de bebouwing en de perceelgrens wordt niet groter. Uitgaande van de CROW richtlijnen heeft een standaardpersonenauto een lengte van 4,48 meter, een breedte van 1,83 meter en een draaicirkel van 11,58 meter. Het is niet aannemelijk dat een dergelijk voertuig eenvoudig kan keren in een ruimte van 10 x 6,5 meter, ook niet als het deel van de tuin van 3,5 x 5 meter wordt gebruikt. Verder is het aannemelijk dat een voertuig ook na keren niet haaks op het (brom)fietspad zal staan om de uitweg te verlaten, maar parallel daaraan, zodat het zicht van de bestuurder op naderend verkeer beperkt is. Indien wel op het eigen terrein gekeerd kan worden en vooruit weggereden kan worden, dan rest het probleem dat met de tweede uitweg een extra risico voor de verkeersveiligheid wordt gecreëerd, omdat er geen vrij uitzicht is. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan dit verkeerskundig advies te twijfelen.
4.5.
De rechtbank overweegt dat het college ter zitting heeft erkend dat, indien de schutting niet wordt verplaatst, er onvoldoende manoeuvreerruimte is om te keren op eigen terrein. Door het college is echter geen voorschrift verbonden aan de omgevingsvergunning waarmee wordt geborgd dat op het eigen terrein van vergunninghouder bijvoorbeeld door verplaatsing van de schutting voldoende manoeuvreerruimte is. Verder is ook niet gebleken van een aanpassing van de aanvraag in die zin dat de schutting wordt verplaatst naar elders op het terrein. Vergunninghouder heeft tot slot ter zitting aangegeven niet van zins te zijn de schutting te verplaatsen. Gelet op deze omstandigheden en het door eiser ingebrachte verkeerskundig advies staat niet vast dat er op het perceel voldoende manoeuvreerruimte is om vooruitrijdend het perceel te verlaten. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende onderbouwd dat de verkeersveiligheid voldoende gewaarborgd wordt. Het door het college ingebrachte verkeerskundig advies is daartoe onvoldoende, nu daarin in tegenstelling tot het verkeerskundig advies van eiser geen tekeningen zijn opgenomen waaruit blijkt dat en hoe de gestelde manoeuvreerruimte benut kan worden. Ook het rapport van 23 april 2026 van verkeersdeskundig adviesbureau [adviesbureau] is geen reden voor een ander oordeel, nu daarin zonder onderbouwing wordt gesteld dat op het terrein van de b&b voldoende ruimte is om te manoeuvreren en men altijd vooruitrijdend zal vertrekken. Tot slot volgt de rechtbank de conclusie van de verkeersdeskundige van eiser dat een bestuurder die het perceel verlaat parallel aan de rijbaan en het (brom)fietspad komt te staan en daardoor onvoldoende zicht heeft op het fietspad en aankomend verkeer op de rijbaan.
4.6.
Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond van eiser dat de verkeersveiligheid niet wordt gewaarborgd. Daarom is de verlening van de omgevingsvergunning in strijd met artikel 2.12, tweede lid, onder a, van de APV.
Privaatrechtelijke belemmering
5. Volgens eiser bestaat er bovendien een privaatrechtelijke belemmering, nu in de omgevingsvergunning voor de uitweg wordt overwogen dat de tweede uitweg ten koste gaat van provinciaal groen. Aangezien daarover geen overleg is geweest laat staan een overeenkomst is bereikt, is er volgens eiser sprake van een privaatrechtelijke belemmering. Nu het college dit niet heeft ontkend, komt de rechtbank tot de conclusie dat er in dit geval inderdaad sprake is van een dergelijke belemmering. Ook in zoverre kunnen de bestreden besluiten geen stand houden.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen slagen en de bestreden besluiten worden vernietigd.
7. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een halve punt voor het indienen van een reactie op de nadere motivering van het college, met een waarde per punt van € 934, en wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- gelast het college opnieuw op de bezwaren te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-;
- draagt het college op het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- aan hem te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.