ECLI:NL:RBDHA:2026:17745

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
09/156820-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs poging tot moord en medeplichtigheid

Op 19 mei 2025 werd een vijftienjarige slachtoffer nabij zijn school in Rijswijk meerdere malen in de rug gestoken. Verdachte wordt verweten als bestuurder van een auto betrokken te zijn geweest bij het vervoer van de dader naar en van de plaats delict en hem te hebben geholpen vluchten.

De officier van justitie vorderde vrijspraak voor medeplegen en bewezenverklaring van medeplichtigheid, met een gevangenisstraf van acht jaar. De verdediging betoogde dat verdachte niet wist van het geweld en geen opzet had.

De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestaat dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat een poging tot moord zou worden gepleegd. De verklaringen, camerabeelden en gesprekken boden geen overtuigend bewijs van dubbele opzet. Verdachte werd vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.

De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn schadevordering vanwege de vrijspraak. De rechtbank gelastte bewaring van de in beslag genomen auto, die op naam van een derde stond.

De voorlopige hechtenis werd opgeheven en de benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten van de verdediging van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor dubbele opzet bij poging tot moord en medeplichtigheid.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/156820-25
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats]
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 17 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Bakker en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.B. Spaargaren naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 19 mei 2025 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [benadeelde] meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of de zij, althans in het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zijn mededader(s), op of omstreeks 19 mei 2025 te Rijswijk, ter uitvoering van het door die mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [benadeelde] meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of de zij, althans in het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 19 mei 2025 te Rijswijk, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:
- zijn mededader(s) een voertuig ter beschikking te stellen en/of
- zijn mededader(s) naar (de omgeving van de school van) die [benadeelde] te vervoeren en/of
- nadat die [benadeelde] was gestoken zijn mededader(s) te helpen vluchten, althans zijn mededader(s) in een voertuig te laten stappen en vervolgens weg te brengen.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Inleiding
Op 19 mei 2025 is de destijds vijftienjarige [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) vlakbij zijn middelbare school, het [naam school] in Rijswijk, meerdere malen in zijn rug gestoken. Als gevolg van dit steekincident heeft [benadeelde] aanzienlijk letsel opgelopen. Op camerabeelden is te zien dat de steker op de plaats delict vanaf de achterbank uit een Fiat met kenteken [kenteken] is gestapt en hier na de steekpartij ook weer is ingestapt, waarna de Fiat met hoge snelheid is weggereden.
De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van of medeplichtigheid aan - kort gezegd - een poging tot moord dan wel doodslag op [benadeelde] , door de persoon die [benadeelde] in zijn rug heeft gestoken, als bestuurder van voornoemde Fiat te vervoeren van en naar de plaats van het misdrijf.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde medeplegen van een poging tot moord of doodslag op [benadeelde] en tot bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan een poging tot moord op [benadeelde] .
De officier van justitie heeft betoogd dat vaststaat dat de verdachte als bestuurder van de Fiat de dader van de steekpartij heeft gebracht naar de omgeving waar [benadeelde] zich bevond en dat de verdachte de dader na de steekpartij heeft geholpen met vluchten.
De officier van justitie acht niet geloofwaardig dat de verdachte niet op de hoogte was van wat er zou gaan gebeuren. De wetenschap van de verdachte volgt volgens de officier van justitie uit het feit dat de persoon die [benadeelde] heeft neergestoken volledig in het zwart gekleed was en een bivakmuts droeg (hetgeen de verdachte volgens de officier van justitie moet hebben gezien), uit de manier waarop de verdachte voor de steekpartij eerst de auto heeft gekeerd alvorens te parkeren en na de steekpartij met hoge snelheid is weggereden. Voorts blijkt het uit het feit dat de verdachte kort na het steekincident met twee van de passagiers naar het buitenland is vertrokken en uit de inhoud van belastende OVC-gesprekken waarin een van de passagiers (medeverdachte [medeverdachte] ) het er onder meer over heeft dat ‘de chauffeur het niet heeft verteld’.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en met opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit en heeft hiertoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet had op het delict, omdat hij niet wist wat er ging gebeuren. Volgens de verdediging ontbreekt elk bewijs dat de verdachte wist dat er geweld zou worden gebruikt tegen iemand, dat een van zijn passagiers een mes had meegenomen en dat die passagier iemand dood wilde steken. De handelingen van de verdachte, namelijk het keren van de auto, het met hoge snelheid wegrijden en het na afloop naar het buitenland gaan, zijn allemaal uit te leggen en betekenen niet dat de verdachte van te voren wist dat er iets ging gebeuren. Ook ontbreekt elk bewijs dat de verdachte het gevolg (een poging moord) op de koop toe heeft genomen.
3.4.
Vrijspraak
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende informatie bevat om de verdachte als medepleger van het steken aan te merken.
Dat brengt de rechtbank bij de vraag of er sprake is van medeplichtigheid. De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 1° of 2º van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, was gericht op het gepleegde gronddelict, de poging tot moord.
Verklaring verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij via Snapchat is gevraagd om iemand een lift te geven. De verdachte is op dit verzoek ingegaan en heeft diezelfde dag samen met een vriend twee andere mannen, waaronder [medeverdachte] , vervoerd naar de directe omgeving van de plaats delict. De verdachte heeft de Fiat, die op naam stond van een vriend, geparkeerd. Hierna is een van de twee hiervoor genoemde mannen, die beide achterin de auto zaten, uitgestapt. De verdachte heeft vervolgens de Fiat gekeerd en is met de neus de andere kant op in het parkeervak gaan staan, met het oog op de richting waarin hij wilde vertrekken. De persoon die was uitgestapt kwam terugrennen, riep ‘rijden, rijden’ en de verdachte is vervolgens zonder na te denken met hoge snelheid weggereden. Later die dag is de verdachte met [medeverdachte] en de vriend die meereed naar het buitenland vertrokken, omdat dit hem werd gevraagd en omdat hij wel zin had in een vakantie.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist wat er ging gebeuren. Hij wist niet dat er geweld zou worden gepleegd, hij heeft niet gezien dat er een mes aanwezig was in de Fiat en hij heeft het incident zelf ook niet gezien. In de auto is vooraf niet besproken wat er zou gaan gebeuren en achteraf ook niet wat er is gebeurd. De verdachte heeft daar ook niks over gevraagd, omdat hij wel meer dingen meemaakt en dacht ‘het zal wel’. De verdachte heeft geen bivakmuts gezien bij de persoon die uitstapte.
Overwegingen en conclusie rechtbank
Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte op de bewuste dag [medeverdachte] en een ander heeft opgehaald en heeft vervoerd naar en van de locatie van de steekpartij. In de buurt van de locatie van de steekpartij is een van de passagiers uitgestapt, heeft de verdachte de auto die hij bestuurde gekeerd en is de verdachte hard weggereden toen de passagier weer plaatsnam in de auto.
De rechtbank is van oordeel dat weliswaar is komen vast te staan dat het opzet van de verdachte was gericht op het behulpzaam zijn en/of verschaffen van gelegenheid/middelen, maar niet dat de verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een van zijn passagiers een poging tot moord dan wel doodslag zou plegen. Op basis van het dossier en de behandeling ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachte voorafgaand aan de steekpartij enige wetenschap heeft gehad van het voornemen van een van zijn passagiers om [benadeelde] neer te steken of anderszins geweld tegen hem te plegen. Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte voorafgaand aan de steekpartij op de hoogte was van de omstandigheid dat een van zijn passagiers een mes bij zich had.
De manier van parkeren en wegrijden duidt niet zonder meer op enige wetenschap van de verdachte over wat er stond te gebeuren of wat was gebeurd, en ook de door de officier van justitie aangehaalde OVC-gesprekken acht de rechtbank niet duidelijk genoeg om op basis daarvan enige wetenschap van de verdachte in voornoemde zin vast te stellen. De omstandigheid dat de verdachte vrijwel direct na de steekpartij met onder andere [medeverdachte] naar het buitenland is gegaan is weliswaar opmerkelijk en wellicht verdacht, maar de rechtbank acht dit onvoldoende om - bij gebrek aan andere sterke aanwijzingen - aan te nemen dat de verdachte medeplichtig is geweest aan een poging tot moord dan wel doodslag.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor het vereiste ‘dubbele opzet’ en daarmee voor de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan welk ten laste gelegd delict dan ook.
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

4.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 81.419,71, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 19.669,71 aan materiële schade (posten ziekenhuisvergoeding, kilometervergoeding, kleding en studievertraging), € 36.750,00 aan immateriële schade
en € 25.000,00 aan toekomstige, nog niet vast te stellen schade. Voor wat betreft het gedeelte van € 25.000,00 wordt verzocht dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, teneinde dit te kunnen meenemen in een eventueel hoger beroep.
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met toewijzing van de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de bepleite integrale vrijspraak, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien
de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

5.De inbeslaggenomen voorwerpen

5.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) genoemde voorwerp, een auto met kenteken [kenteken] , zal worden verbeurdverklaard.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om teruggave van de auto, gelet op de bepleite integrale vrijspraak.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Hoewel namens de verdachte wordt verzocht om teruggave van de auto, heeft de verdachte verklaard dat de auto toebehoorde aan een vriend en blijkt uit het dossier dat de auto op naam stond van een derde.
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot het op de beslaglijst genoemde voorwerp daarom niet een persoon als rechthebbende worden aangemerkt.
De rechtbank zal de bewaring van dit voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

6.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten een personenauto met kenteken [kenteken] .
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel-Van Erp, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2026.