ECLI:NL:RBDHA:2026:17743

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
09/160727-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 63 SrArt. 289 SrArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot moord met oplegging gevangenisstraf van 12 jaar

De rechtbank Den Haag heeft op 1 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd verdacht van poging tot moord op een vijftienjarige minderjarige in Rijswijk op 19 mei 2025. De verdachte heeft het slachtoffer meerdere malen met een mes gestoken, wat leidde tot ernstig letsel. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad handelde en veroordeelde hem tot 12 jaar gevangenisstraf.

De bewijsvoering bestond uit DNA-sporen op een pet, camerabeelden, getuigenverklaringen en het letsel van het slachtoffer. De verdachte deed pas een jaar na zijn aanhouding een verklaring, waarin hij zichzelf niet als dader aanwees, maar dit werd door de rechtbank niet geloofd. De rechtbank sprak de verdachte vrij van medeplegen omdat geen bewijs was voor betrokkenheid van medeverdachte.

De rechtbank kende de benadeelde partij een schadevergoeding toe van €55.779,71, bestaande uit materiële en immateriële schade, maar wees een vordering voor toekomstige schade af. De verdachte werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. Tevens werd gijzeling voor 244 dagen opgelegd bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf voor poging tot moord en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/160727-25
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ( [land] ),
op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 17 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Bakker en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. L.A.R. Newoor naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 19 mei 2025 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [benadeelde] meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of de zij, althans in het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de
primair tenlastegelegde poging tot moord. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank staat voor de vraag of kan worden bewezen dat de verdachte [benadeelde] heeft gestoken. Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
Vaststaande feiten
Op 13 mei 2025 is de jongere broer van de verdachte in elkaar geslagen. De verdachte is naar aanleiding hiervan op zoek gegaan naar de destijds vijftienjarige [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) en heeft naar hem geïnformeerd bij zijn school. In de aanloop naar de steekpartij heeft de verdachte zich ook begeven naar de woning van [benadeelde] . Hij heeft aangebeld bij de woning, maar niemand deed open. Hij heeft ook met de auto in zijn straat gestaan.
Op 19 mei 2025 wilde de verdachte [benadeelde] spreken en heeft hij via Snapchat gevraagd om vervoer. Medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) heeft gereageerd op deze vraag en heeft samen met een vriend de verdachte en een onbekende vierde persoon opgehaald en hen in een Fiat Punto met kenteken [kenteken] vervoerd naar de directe omgeving van het [naam school] in Rijswijk waar [benadeelde] op school zat. De verdachte en de onbekende vierde persoon zaten achterin het voertuig. [medeverdachte] heeft de Fiat Punto geparkeerd nabij de school, waarna een van de personen vanaf de achterbank uit het voertuig is gestapt, naar [benadeelde] is gerend en [benadeelde] driemaal in de rug heeft gestoken. De steker is hierbij de pet die hij droeg, verloren. Op deze pet is aan de binnenrand en ter hoogte van het voorhoofd een DNA-mengprofiel aangetroffen. Het afgeleide DNA-hoofdprofiel heeft een overeenkomst opgeleverd met het DNA-profiel van de verdachte.
Als gevolg van dit steekincident heeft [benadeelde] aanzienlijk letsel opgelopen. Op camerabeelden is te zien dat de steker na de steekpartij weer in de Fiat Punto stapt, waarna de Fiat met hoge snelheid weg rijdt. Kort na het steekincident is de verdachte met [medeverdachte] naar het buitenland vertrokken.
Alternatief scenario
De verdachte heeft vanaf zijn aanhouding op 10 juni 2025 telkens een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Op 26 mei 2026 heeft de verdachte voor het eerst een verklaring afgelegd, waarin hij aangeeft dat hij in de auto aanwezig was, maar dat hij niet degene is geweest die heeft gestoken. De steker zou de vierde onbekende persoon in de auto zijn geweest. Dat was iemand die nog geld kreeg van [benadeelde] en die onlangs met hem zou hebben gevochten. Deze persoon heeft in de auto, vlak voordat hij uitstapte, de pet van de verdachte geleend en hij is ook degene die de pet is kwijtgeraakt na het steken. Toen deze persoon terug kwam rennen naar de auto, waar de verdachte nog steeds in zat, zei deze persoon dat hij per ongeluk [benadeelde] had gestoken en dat hij de pet van de verdachte was verloren. De verdachte is korte tijd daarna in paniek met de auto van zijn vader, met [medeverdachte] en de vriend van [medeverdachte] naar het buitenland gereden.
Met betrekking tot dit alternatief scenario overweegt de rechtbank als volgt. In de onderzoeksperiode is de verdachte diverse keren over deze zaak gehoord. Hij heeft hierbij steeds een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Pas kort voor de inhoudelijke behandeling, een jaar na zijn aanhouding, is de verdachte met het door hem geschetste alternatieve scenario gekomen. De verdachte heeft daarmee ruim de gelegenheid gehad om zijn verklaring op het – in de tussentijd volledig geworden - dossier af te stemmen. Dit is niet zonder meer reden om die verklaring ongeloofwaardig te achten, maar doet wel af aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring.
De rechtbank acht het daarnaast opmerkelijk dat de verdachte tijdens OVC-gesprekken met familieleden die zijn opgenomen terwijl hij gedetineerd was, geen enkele keer heeft gerept over het feit dat niet hij, maar een medepassagier [benadeelde] zou hebben neergestoken. Dit terwijl in diezelfde OVC-gesprekken wel werd gesproken over de steekpartij en het al dan niet aanwezig zijnde bewijs tegen de verdachte. Ook heeft de verdachte in die OVC gesprekken meerdere, voor zichzelf zeer belastende, uitspraken gedaan zoals blijkt uit de bewijsmiddelen, waarvoor hij geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven.
De door de verdachte gegeven uitleg dat hij na de steekpartij in paniek, hoewel hij zelf niets had gedaan en wist wie de dader was, alle beschikbare informatie over deze dader uit zijn telefoon heeft gewist en vervolgens met twee voor hem relatief onbekende mannen op de vlucht is geslagen, acht de rechtbank ongeloofwaardig.
Gelet op al het vorenstaande acht de rechtbank het door de verdachte aangedragen alternatieve scenario niet geloofwaardig en acht de rechtbank bewezen dat de verdachte degene is geweest die uit de auto is gestapt en die [benadeelde] op 19 mei 2025 heeft neergestoken.
Opzet op de dood?
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte opzet had op de dood van [benadeelde] . Opzet op de dood kan worden aangenomen als (minstens) sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een slachtoffer zou komen te overlijden als gevolg van zijn gedragingen. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, of anders gezegd om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte recht op [benadeelde] is afgerend en vervolgens met snelheid en zonder enige aarzeling meerdere stekende bewegingen heeft gemaakt in de rug van [benadeelde] . Uit het door [benadeelde] opgelopen letsel blijkt dat [benadeelde] is gestoken met een scherprandig en/of puntig en/of kantig voorwerp of uitsteeksel. Uit de wondkanalen die een diepte hebben van tussen de 4,5 en 7,5 centimeter blijkt dat het steken met kracht moet zijn gebeurd.
Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het deel van het lichaam waar is gestoken vitale delen (zoals de longen en de nieren) bevinden waarvan beschadiging tot de dood kan leiden. Ook wanneer een in dit gebied aanwezige slagader wordt geraakt, is de kans op de dood aanmerkelijk.
Gelet op de wijze waarop de steekwonden zijn toegebracht, namelijk met kracht en snelheid, de plek in het lichaam waar [benadeelde] is geraakt en de hoeveelheid steekwonden, kunnen de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [benadeelde] , dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van [benadeelde] heeft aanvaard.
Voorbedachte raad
De vervolgvraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte ook met voorbedachte raad heeft gehandeld en of dus sprake is van een poging tot moord.
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ moet vast komen te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daartoe zijn in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend. In de dagen voorafgaand aan de steekpartij, was de verdachte vanwege een conflict op zoek naar [benadeelde] , waarbij hij hem ook heeft opgezocht bij zijn woning. Op 19 mei 2025 heeft de verdachte, die was gekleed in zwarte kleding, in de ochtend vervoer geregeld naar de school van [benadeelde] en is rennend met een bedekt gezicht en hoofd met een scherprandig voorwerp op [benadeelde] afgelopen en heeft hij hem zonder enige aarzeling drie keer met kracht in zijn rug gestoken.
Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte het vooropgezette plan had om [benadeelde] van het leven te beroven. De verdachte heeft voldoende tijd gehad om zich te beraden op het genomen besluit, zodat hij kon nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin de verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. De rechtbank ziet in het dossier geen contra-indicaties voor het aannemen van handelen met voorbedachte raad. Alles overwegende, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord.
Partiële vrijspraak medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat [medeverdachte] enige betrokkenheid had bij het steken van [benadeelde] of dat hij van tevoren wist van het plan van de verdachte om [benadeelde] te steken. Ook enige betrokkenheid van de andere medepassagiers is niet komen vast te staan. Om die reden zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het onderdeel medeplegen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 19 mei 2025 te Rijswijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die
[benadeelde]meermalen met een mes, in de rug en de zij, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie geëiste straf niet in verhouding staat tot veroordelingen in soortgelijke zaken.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord door met een mes meerdere malen met kracht te steken in de rug en in de zij van het slachtoffer [benadeelde] . Ten gevolge hiervan heeft [benadeelde] aanzienlijk letsel opgelopen. Zonder directe en adequate medische behandeling zou de combinatie van zijn letsels zonder meer dodelijk zijn geweest.
Met deze geweldsexplosie heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] , die in het ziekenhuis op de intensive care heeft gelegen en het incident ternauwernood heeft overleefd. Het is goed voorstelbaar dat het voor [benadeelde] ook slechter had kunnen aflopen en dat hij deze aanval had moeten bekopen met de dood. Dat dit niet is gebeurd, is enkel te danken aan het adequate optreden door de direct na het incident betrokken personen en door adequaat medisch ingrijpen.
Het steekincident vond plaats op klaarlichte dag nabij een middelbare school en er waren meerdere minderjarige kinderen getuige van het incident en de nasleep ervan. Het geweld heeft een grote impact gehad op het slachtoffer, zijn naasten, de school en haar leerlingen en draagt in zijn algemeenheid bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De verdachte is na het incident gevlucht en heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daad of spijt betuigd ten opzichte van het minderjarige slachtoffer. De rechtbank weegt dit mee bij de bepaling van de straf die zij zal opleggen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in december 2021 voor een gewelddadige straatroof is veroordeeld tot een langdurige jeugddetentie. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee bij de strafbepaling.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 16 maart 2026, waaruit volgt dat de reclassering op basis van de beschikbare informatie geen plan van aanpak kon opstellen waarmee gericht kan worden gewerkt aan gedragsverandering en risicobeheersing. Geadviseerd wordt om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Strafmodaliteit en strafmaat
Moord behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor een lange duur met zich brengt.
De wetgever heeft voor het misdrijf moord als maximumstraf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van dertig jaren vastgesteld. Voor poging tot moord is het strafmaximum vastgesteld op twee derde van de straf op moord, derhalve op twintig jaren. Binnen de rechtspraak bestaan voor dit delict geen landelijke oriëntatiepunten. Wel heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare zaken.
Indien sprake zou zijn geweest van een voltooide moord, zou de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 jaren passend hebben geacht. Twee derde van die straf levert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren op. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen redenen om hiervan in strafverminderende zin af te wijken en zal laatstgenoemde straf van 12 jaren dan ook opleggen, omdat zij deze passend en geboden acht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 81.419,71, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 19.669,71 aan materiële schade (posten: ziekenhuisvergoeding, kilometervergoeding, kleding en studievertraging), € 36.750,00 aan immateriële schade
en een bedrag van € 25.000,00 aan mogelijke toekomstige, nog niet vast te stellen schade. Voor wat betreft het gedeelte van € 25.000,00 wordt verzocht dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met toewijzing van de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om, gelet op de bepleite vrijspraak, de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Subsidiair heeft de raadsman verweer gevoerd tegen een aantal van de door de benadeelde partij opgevoerde schadeposten. De rechtbank zal het verweer voor zover nodig in de beoordeling betrekken.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Het bewezenverklaarde levert een door de verdachte gepleegd strafbaar feit op. Het staat daarmee vast dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partij. De schade die de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg daarvan lijdt, moet de verdachte in beginsel vergoeden.
Ziekenhuisvergoeding
De benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat hij, wegens opname in het ziekenhuis gedurende 19 dagen, schade heeft geleden voor een bedrag van € 722,00.
Voor de schade is aangesloten bij de Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en
Revalidatiedaggeldvergoeding Richtlijn. In deze richtlijn (versie 2025) is een vast bedrag van € 38,00 per dag opgenomen. 19 x € 38,00 = € 722,00.
De verdachte heeft deze schade niet betwist. De rechtbank zal de schadevergoeding dan ook toewijzen zoals gevorderd, te weten voor een bedrag van € 722,00.
Kilometervergoeding
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 225,72 gevorderd, waarbij is gesteld dat de ouders van benadeelde en zijn zussen, benadeelde dagelijks hebben bezocht in het ziekenhuis. Uitgegaan wordt van een totaal aantal van 684 kilometer. Voor de schade is aangesloten bij de Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding. In deze richtlijn
(versie 2025) is een vast bedrag van € 0,33 per kilometer opgenomen voor de eerste 2000 kilometer.
De raadsman heeft als verweer tegen deze schadepost gevoerd dat de kosten onvoldoende zijn onderbouwd en dat de benadeelde partij de kosten niet zelf heeft gemaakt.
De rechtbank verwerpt de verweren en overweegt dat het gaat om schade van de ouders en de zus van de benadeelde partij. De benadeelde partij kan zelf vergoeding van deze ‘verplaatste schade’ vorderen op grond van artikel 51f, tweede lid Sv en artikel 6:107, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank acht deze schadepost voldoende onderbouwd en aannemelijk en zal de schadevergoeding dan ook toewijzen zoals gevorderd, tot een bedrag van € 225,72.
Kleding
De benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat zijn kleding is beschadigd ten gevolge van het tenlastegelegde en heeft daarvoor een bedrag van € 971,99 gevorderd.
De rechtbank acht met de raadsman onvoldoende onderbouwd dat sprake was van een echt en onvervalst Prada shirt, omdat hier geen factuur van is overgelegd hetgeen wel voor de hand had gelegen als het daadwerkelijk een shirt van € 690,00 zou betreffen. Omdat de omvang van de geleden (materiële) schade voor wat betreft dit kledingstuk niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 BW Pro) en komt zij tot vergoeding van een bedrag van € 50,00 voor dit shirt.
De rechtbank acht deze post door de benadeelde partij voor het overige voldoende onderbouwd en de raadsman heeft de vergoeding van de overige kledingstukken niet betwist. De rechtbank zal daarom deze post toewijzen tot een bedrag van € 331,99 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Studievertraging
De benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat hij wegens studievertraging schade heeft geleden tot een bedrag van € 17.500,00. Voor de schade wordt aangesloten bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Die richtlijn (versie 2025) geeft aan dat het gaat om één jaar waarbij gebruik gemaakt wordt van een normbedrag. Het normbedrag voor studievertraging op het VMBO bedraagt € 17.750,00.
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat - hoewel de vordering op dit punt kort voor de terechtzitting is onderbouwd middels een mail van school - de vordering namens de benadeelde partij tijdig is ingediend en dat de raadsman voldoende in de gelegenheid is geweest om zich op de vordering voor te bereiden, hetgeen ook blijkt uit de door de raadsman gevoerde verweren.
De raadsman heeft subsidiair verweer gevoerd inhoudende dat de vordering op dit punt dient te worden afgewezen wegens onvoldoende feitelijke en causale onderbouwing van de gestelde omvang van de studievertraging.
De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van zijn vordering echter een brief overgelegd van de schooldirectie, waaruit blijkt dat de benadeelde partij het schooljaar niet heeft afgerond en dat een alternatieve route via het MBO als passend werd beschouwd. Dat de benadeelde partij een jaar studievertraging heeft opgelopen komt de rechtbank ook geenszins onaannemelijk voor, gelet op de ernst van het steekincident en het als gevolg daarvan door de benadeelde partij opgelopen letsel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij een jaar studievertraging heeft opgelopen.
De rechtbank zal de vergoeding dan ook toewijzen zoals gevorderd, voor een bedrag van
€ 17.750,00.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel opgelopen. Op grond van artikel 6:106 BW Pro komt de benadeelde partij daarom in aanmerking voor een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade.
Bij het vaststellen van deze schadevergoeding maakt de rechtbank gebruik van de Rotterdamse schaal en hanteert zij de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht vastgestelde aanbevelingen. In geval van ernstige verwijtbaarheid of opzet op het toebrengen van letsel geldt als aanbeveling om het smartengeld te verhogen met een percentage tussen de 10 en 25%. Indien het slachtoffer minderjarig is, geldt een aanvullende verhoging met 15%.
Bij meervoudig letsel geldt de aanbeveling om het zwaarste letsel volledig mee te tellen, het in ernst tweede letsel voor 50% en om overig of verder letsel niet als percentage mee te wegen, maar dit te betrekken als factor bij de hoogte van het smartengeld.
Het zwaarste letsel dat de benadeelde partij heeft opgelopen, betreft beschadiging van de linkernier en een bloeding uit een slagader van de linkernier alsmede lekkage van
urine uit de nier.
De rechtbank is van oordeel dat dit letsel aan de nier valt onder categorie 4.8 ‘Nierletsel’ onderin dan wel grenzend aan onderdeel c ‘middelzwaar nierletsel’ van de Rotterdamse schaal. De rechtbank acht het gelet op de beschikbare medische informatie aannemelijk dat sprake was van het in de vordering genoemde letsel aan de nier van de benadeelde partij.
De rechtbank beschouwt dit letsel als het primaire letsel en acht op basis van de Rotterdamse schaal een bedrag van € 20.000,00 voor dit letsel billijk.
De door de benadeelde partij opgelopen littekens aan andere delen van het lichaam beschouwt de rechtbank als het secundaire letsel. De rechtbank is van oordeel dat dit letsel valt onder categorie 10 ‘littekens aan andere delen van het lichaam’ onderdeel a ‘een aantal gemakkelijk op te merken littekens vanwege snijwonden’ van de Rotterdamse schaal. De rechtbank acht het, gelet op de beschikbare medische informatie en de bij de vordering gevoegde foto’s van het letsel, aannemelijk dat de benadeelde als gevolg van het meerdere malen steken in de rug, meerdere zichtbare littekens heeft overgehouden, waarvan twee nadrukkelijk aanwezig zijn en waarbij een van de littekens een gat in de rug is als gevolg van de grote wond die daar zat. De relevante factoren in ogenschouw nemende die de Rotterdamse Schaal hanteert voor de begroting van de schade, acht de rechtbank een bedrag van € 12.500,- voor dit letsel billijk.
De overige letsels, te weten het borstletsel en het psychisch letsel, zal de rechtbank gelet op de aanbevelingen bij de Rotterdamse schaal, niet meewegen.
De rechtbank past de aanbeveling toe om de bedragen van het primaire en secundaire letsel te verhogen met 25% vanwege het ernstige verwijt dat de verdachte te maken valt met betrekking tot het toebrengen van het letsel, nu de verdachte het letsel opzettelijk en met voorbedachte raad heeft toegebracht. Ook de verhoging met 15% vanwege de vijftienjarige leeftijd van het slachtoffer op het moment van toebrengen zal de rechtbank toepassen.
Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op
€ 36.750,00. Dit bedrag bestaat uit € 28.000,00 voor het primaire letsel (€ 20.000,00, verhoogd met 25% vanwege het ernstige verwijt en met 15% vanwege de leeftijd van het slachtoffer) en € 8.750,00 voor het secundaire letsel (€ 12.500,00, verhoogd met 25% vanwege het ernstige verwijt en met 15% vanwege de leeftijd van het slachtoffer; van dit bedrag een vergoeding van 50%).
Toekomstige schade
Conform de vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank de benadeelde partij voor de gevorderde mogelijke toekomstige schade tot een bedrag van € 25.000,00, niet-ontvankelijk verklaren.
Totaal toegewezen
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 55.779,71, bestaande uit € 19.029,71 aan materiële schadevergoeding en € 36.750,00 aan immateriële schadevergoeding. Omdat de verdachte partieel wordt vrijgesproken van het medeplegen van de poging tot moord, zal de rechtbank de vordering niet hoofdelijk toewijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 19 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 55.779,71, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
36f, 45, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
poging tot moord;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 55.779,71 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 55.779,71, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 244 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel-Van Erp, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2026.