ECLI:NL:RBDHA:2026:1774

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
SGR 24/882
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 3.2 sub b bestemmingsplan Buitengebied 2015Art. 38.1 planregels Buitengebied 2015Art. 6.36 Bouwbesluit 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning uitbreiding bloembollenteeltbedrijf ondanks bezwaren over verkeer en stikstof

De zaak betreft het beroep van eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk aan vergunninghouder voor de uitbreiding van een bloembollenteeltbedrijf met 1.843 m² bedrijfsruimte op een locatie in het buitengebied. Eisers voerden meerdere beroepsgronden aan, waaronder onjuiste beoordeling van verkeersbewegingen, stikstofdepositie en brandveiligheid.

De rechtbank oordeelt dat de aanvraag is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat het oude recht van toepassing is. Het bouwplan wijkt beperkt af van het bestemmingsplan, maar het college heeft beleidsruimte om binnenplanse afwijkingen toe te staan. De rechtbank stelt vast dat de vergunninghouder eigenaar is van het perceel en dat de aanvraag terecht op zijn naam staat, ondanks samenhang met een ander bedrijf.

Ten aanzien van verkeersbewegingen concludeert de rechtbank dat het college terecht heeft vastgesteld dat het aantal verkeersbewegingen niet zal toenemen, mede op basis van een verkeersonderzoek. De stelling van eisers dat het verkeer via hun perceel moet worden afgewikkeld, is onvoldoende onderbouwd. Ook de beroepsgrond over stikstofdepositie faalt omdat eisers geen rechtstreeks belang hebben bij de bescherming van het Natura 2000-gebied.

De klacht over brandveiligheid wordt verworpen vanwege het relativiteitsvereiste; de brandveiligheidseisen beschermen niet de belangen van eisers. Overige beroepsgronden, zoals het groene karakter van het buitengebied en strijd met wet- en regelgeving, slagen eveneens niet. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft en eisers geen proceskostenvergoeding ontvangen.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlening van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/882
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[bedrijf 1] B.V. en [eiser] , uit [woonplaats] ,

hierna te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. P.J. de Groen)
en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk,

(gemachtigde: mr. S. Verouden).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[derde-partij]uit [woonplaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: F.W.A. Helsloot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor een uitbreiding van zijn bloembollenteeltbedrijf met de bouw van 1.843 m² bedrijfsruimte op de locatie [adres 1] .
[bedrijf 1] B.V. is gevestigd aan het [adres 2] en [eiser] woont op dit adres. Eisers zijn het niet eens met de verlening van de vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de vergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen
.Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft op 17 december 2021 een aanvraag ingediend voor de omgevingsvergunning voor de bouw van het bedrijfsgebouw. Bij besluit van 3 mei 2022 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Bij besluit van 18 december 2023 heeft het college de bezwaren van eisers tegen het besluit van 3 mei 2022 ongegrond verklaard.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 18 december 2023. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld.
[eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen is op 17 december 2021 - en dus vóór 1 januari 2024 - ingediend, zodat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
3.1.
Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 2015” (het bestemmingsplan) rust op het perceel van vergunninghouder de bestemming “Agrarisch – Bollenteelt - Bollenzone 1” (artikel 3). Gronden met die bestemming zijn onder meer bestemd voor de uitoefening van een bloementeeltbedrijf zoals genoemd in artikel 1, lid 1.9, van de planregels. Het bouwplan is in strijd met artikel 3.2, sub b, van het bestemmingsplan. Op grond van dit artikel moeten gebouwen binnen het bouwvlak worden gebouwd.
3.2.
Artikel 38.1 van de planregels voorziet in een zogenoemde binnenplanse afwijkingsbevoegdheid [1] , die onder meer betrekking heeft op overschrijding van bouwgrenzen. Op grond van artikel 38.1, aanhef en onder b, kan het college bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels over overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.
3.3 .
Het is vaste rechtspraak dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. [2]
Is de vergunning verleend voor een bedrijf van [derde-partij] of voor activiteiten van [bedrijf 2] ?
4. Volgens eisers voert [derde-partij] geen eigen bedrijf en staat de verleende omgevingsvergunning in werkelijkheid ten dienste van het bedrijf [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] heeft haar bedrijfsactiviteiten steeds uitgebreid en op basis van de vergunning kan zij die nog verder uitbreiden. Eisers wijzen erop dat [derde-partij] ook niet in het Handelsregister is geregistreerd als eigenaar van een eenmanszaak. Hij is wel aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 2] . Het college heeft dit niet onderkend, aldus eisers.
4.1.
Volgens het college is vergunninghouder een eenmansbedrijf, zonder personeel. Vergunninghouder woont op de kavel waar ook zijn bedrijfsbebouwing staat. Hoe vergunninghouder zijn bedrijf voert is volgens het college niet van belang voor verlening van de omgevingsvergunning.
4.2.
De rechtbank overweegt het volgende. De aanvraag is gedaan op naam van
[derde-partij] en – naar niet in geschil is – is [derde-partij] ook eigenaar van het perceel waarop de vergunde bebouwing is voorzien. Verder is niet in geschil dat [derde-partij] aandeelhouder is van het bedrijf [bedrijf 2] , waarvan bedrijfsbebouwing staat op een naastgelegen perceel. Uit het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verkeersonderzoek van Havenland van 8 september 2023 blijkt verder dat transport van fust, materialen en geteelde producten plaatsvindt tussen het perceel waarop de vergunning betrekking heeft en dat van [bedrijf 2] . Op zitting heeft [derde-partij] toegelicht dat zijn eenmanszaak producten van [bedrijf 2] behandelt. Hij heeft daar verder bevestigd dat sprake is van twee afzonderlijke bedrijven.
4.3.
Uit het voorgaande blijkt dat er samenhang is tussen de activiteiten ten behoeve waarvan het bouwplan is vergund en die van [bedrijf 2] . Die samenhang is echter onvoldoende om te oordelen dat het college niet [derde-partij] , maar [bedrijf 2] als aanvrager en vergunninghouder had moeten aanmerken, dan wel de aanvraag had moeten beoordelen als een aanvraag ten behoeve van een bedrijfsuitbreiding van [bedrijf 2] . Gelet op de aanvraag en in aanmerking genomen de beschrijving van de bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde stukken, is de rechtbank van oordeel dat het college er niet aan hoefde te twijfelen dat de aanvraag en de vergunning betrekking hebben op een door [derde-partij] gevoerd bedrijf.
Is onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van verkeersbewegingen voor het woon- en leefklimaat op het perceel van eisers?
5. Eisers betogen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun perceel onevenredig wordt aangetast door geluid van met de omgevingsvergunning mogelijk gemaakte toename van het aantal verkeersbewegingen. Eisers betwisten de conclusie van het college dat het bouwplan niet zal leiden tot een toename van verkeersbewegingen. Die conclusie is volgens hen gebaseerd op onvolledige en onjuiste gegevens. Dat er meer verkeersbewegingen zijn dan in de afweging betrokken blijkt volgens hen uit camerabeelden en volgt logischerwijze ook uit bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 2] . Volgens eisers moet ervan worden uitgegaan dat het verkeer van en naar het voorziene bedrijfsgebouw wordt afgewikkeld via de weg die langs hun perceel loopt. In dat verband betwisten zij dat vergunninghouder een recht van overpad heeft op het perceel van [naam] en dat om het verkeer om die reden via dat perceel kan worden afgewikkeld.
5.1.
Het college stelt zich, onder verwijzing naar het verkeersonderzoek van
8 september 2023 van Havenland, op het standpunt dat het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt als gevolg van het bouwplan.
5.2.
Vergunninghouder betwist dat het beoogde bedrijfsgebouw wordt gerealiseerd in het kader van uitbreiding van zijn bedrijf of van [bedrijf 2] . Vergunninghouder beoogt met het bedrijfsgebouw kwaliteitsverbetering door meer ruimte te bieden voor teeltproducten en duurzaamheid door de opslag van fust in het bedrijfsgebouw op eigen terrein in plaats van buiten.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Het bouwplan voorziet in uitbreiding van bebouwing die al op het perceel van vergunninghouder staat. De bestaande bebouwing wordt uitgebreid met 1.843 m2. Het college heeft vastgesteld dat het gebruik dat van de bebouwing zal worden gemaakt in overeenstemming is met de bestemming en dat is door eisers niet betwist. Het bouwplan is voor het overgrote deel in overeenstemming met de bouwregels van het bestemmingsplan.
5.4.
De afwijking van het bestemmingsplan is beperkt tot de overschrijding van het bouwvlak met een strook van 2 meter, wat blijkens de stukken neerkomt op ongeveer 1% van het bouwvlak. Alleen voor het gedeelte dat in afwijking is van het bestemmingsplan dient een belangenafweging te worden gemaakt. Mogelijke gevolgen van verkeersbewegingen van de rechtstreeks op grond van het bestemmingsplan mogelijke bebouwing zijn al afgewogen in het bestemmingsplan. [3] Het college heeft de afweging met betrekking tot de gevolgen van verkeer voor het perceel van eisers gemaakt voor het volledige bouwplan, dus ook voor bebouwing die niet in afwijking van het bestemmingsplan is voorzien. In zoverre heeft het college meer in de belangenafweging betrokken dan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is vereist.
5.5.
In het door vergunninghouder overgelegde verkeersonderzoek van Havenland van 8 september 2023 wordt geconcludeerd dat het bouwplan leidt tot een afname van verkeersbewegingen. Die afname is volgens het onderzoek – samengevat – toe te schrijven aan de omstandigheid dat het bouwplan voorziet in meer ruimte voor producten en niet in een intensivering van de productie en aan een afname van verkeersbewegingen die verband houden met opgeslagen fust op het perceel van een derde.
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende is aangetoond dat het aantal verkeersbewegingen niet zal toenemen, zodat het bouwplan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat op het perceel van eisers. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college alleen een belangenafweging hoeft te maken voor zover het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Verder hebben eisers geen deskundig tegenadvies overgelegd, waarin de bevindingen van het verkeersonderzoek gemotiveerd worden bestreden. Met de door hen overgelegde screenshots van camerabeelden, die betrekking hebben verkeer in de situatie zonder verwezenlijking van het bouwplan, maken eisers ook niet aannemelijk dat het vergunde bouwplan zal leiden tot een toename van verkeersbewegingen. Verder hebben eisers hun stelling dat het verkeer van en naar de voorziene bebouwing niet kan worden afgewikkeld via het perceel van [naam] niet aannemelijk gemaakt. Een niet nader onderbouwde betwisting van het recht van overpad van vergunninghouder is daartoe onvoldoende. Gelet op de reikwijdte van de te maken belangenafweging, volgt de rechtbank eisers ook niet in hun betoog dat bestaande verkeersbewegingen – met inbegrip van verkeersbewegingen van [bedrijf 2] , in het verkeersonderzoek hadden moeten worden betrokken.
4.9.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Stikstofdepositie
5. Eisers betogen dat de stikstofdepositie vanwege de vergunde activiteiten op het Natura 2000-gebied “Kennemerland-Zuid” hoger is dan berekend, omdat van een hoger aantal verkeersbewegingen moet worden uitgegaan.
5.1.
Het college stelt zich, onder verwijzing naar het rapport “ [adres 1] Stikstofdepositie-onderzoek” van 18 september 2023 van Havenland en onder verwijzing naar AERIUS-berekeningen van 18 september 2023 van de bouw- en gebruiksfase, op het standpunt dat de stikstofdepositie op de juiste wijze is berekend.
5.2.
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. [4] De wetgever heeft hiermee de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit dus niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de eiser.
5.3.
De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het perceel [adres 2] ligt op ongeveer 800 meter van het relevante Natura 2000-gebied “Kennemerland-Zuid”. Voor wat betreft het woon- en leefklimaat van [eiser] is er daarom geen sprake van verwevenheid tussen het belang van verwevenheid tussen het algemeen belang dat de Wet natuurbescherming (Wnb) beoogt te beschermen en het belang van eisers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving. Eisers hebben dit ter zitting ook onderkend. Evenmin is er aanleiding voor het oordeel dat het bedrijfsbelang van eisers is verweven met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen. [5] Gelet hierop laat de rechtbank het betoog van eiser over tekortkomingen in het onderzoek naar stikstofdepositie onbesproken.
5.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bereikbaarheid bedrijfsruimte voor de brandweer en andere hulpdiensten
6. Eisers betogen dat niet wordt voldaan aan de brandveiligheidseisen van artikel 6.36 van het Bouwbesluit 2012, omdat het de brandweer en andere hulpdiensten het bedrijfsgebouw niet op eenvoudige wijze het kunnen naderen. De enige manier om bij het bedrijfsgebouw te komen is via het pad van eisers, wat zeer smal en onverhard is en dus niet geschikt voor grote voertuigen van de brandweer.
6.1.
Het college stelt zich, onder verwijzing naar een advies van de Veiligheidsregio Hollands Midden van 27 juli 2022, op het standpunt dat het gebouw voldoende toegankelijk is voor de brandweer en dat aan daaraan gestelde eisen van het Bouwbesluit 2012 is voldaan. Op zitting heeft het college zich aangesloten bij het standpunt van vergunninghouder dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een geslaagd beroep op brandveiligheid.
6.2.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012 strekken tot bescherming van de belangen van eigenaren en gebruikers van de gebouwen waarvoor die eisen gelden en eigenaren en gebruikers van belendende gebouwen. [6] Het perceel van eiser grenst niet aan het perceel waarop het vergunde bouwplan is voorzien. Tussen de voorziene bebouwing en het perceel van eiser bevinden zich zowel bestaande gebouwen als onbebouwde perceelsgedeelten. De bebouwing komt ook niet op korte afstand van bebouwing van eisers te staan. Dat betekent dat de bepalingen uit het Bouwbesluit 2012 waarop eisers zich beroepen niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Voor zover eisers betogen dat onvoldoende rekening is gehouden met bereikbaarheid voor andere hulpdiensten dan de brandweer, overweegt de rechtbank dat zij zich daarmee niet beroepen op een aspect van de norm van een goede ruimtelijke ordening dat betrekking heeft op hun eigen belangen, maar op de belangen van anderen, namelijk het belang van de toekomstige gebruikers van de bedrijfsruimte. [7] Het relativiteitsvereiste staat daarom ook op dit onderdeel in de weg aan vernietiging van het bestreden besluit. Gelet hierop laat de rechtbank dit betoog van eiser onbesproken.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overige beroepsgronden
7. Voor zover eisers betogen dat geen medewerking aan het bouwplan had mogen worden verleend vanwege het groene karakter van het buitengebied en de kwetsbaarheid daarvan, slaagt dit niet. Mede gelet op de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid ten behoeve van het overschrijden van bouwgrenzen, volgt de rechtbank het college in het standpunt dat het groene karakter van het buitengebied niet in de weg staat aan vergunningverlening.
7.1.
De niet nader onderbouwde beroepsgrond van eisers dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met de wet, het bestemmingsplan en algemene beginselen van bestuur slaagt gelet op wat hiervoor is overwogen ook niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.B. Brandwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o, van de Wabo.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2076.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:503, onder 4.1.
4.Zie artikel 8:69a van de Awb.
5.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3655 en
6.Uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.38.
7.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4927, onder 11.