ECLI:NL:RBDHA:2026:17738

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/09/703456 / KG ZA 26-399
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 1 RvArt. 1-14 RvArtikel 38 Statuut voor het Koninkrijk
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over uitleg en tenuitvoerlegging vonnis Gemeenschappelijk Hof in bouwcontract

Deze zaak betreft een executiegeschil tussen Ballast Nedam Infra B.V. (BNI) en HNO Vastgoed en Beheer N.V. (HNO) over de uitleg en uitvoering van een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het geschil vloeit voort uit een aannemingsovereenkomst voor de bouw van een ziekenhuis in Willemstad, Curaçao, waarbij vertragingen en betalingsgeschillen zijn ontstaan.

Het Hof heeft in eerdere vonnissen bedragen toegewezen aan BNI en terugbetalingen aan HNO, inclusief rente en verrekeningen. Partijen verschillen van mening over de juiste berekening van de wettelijke rente en de omvang van de terug te betalen bedragen. BNI betwist de uitleg van HNO en stelt dat zij reeds voldoende heeft betaald, terwijl HNO betaling van een hoger bedrag eist en een beroep doet op een concerngarantie.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van dit executiegeschil en volgt BNI in haar uitleg van het vonnis over de renteberekening. HNO wordt verboden het vonnis te executeren voor een bedrag hoger dan USD 5.521, tenzij BNI dit bedrag alsnog betaalt. De vordering tot verbod op het beroep op de concerngarantie wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. HNO wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: HNO wordt verboden het vonnis te executeren voor meer dan USD 5.521 en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703456 / KG ZA 26-399
Vonnis in kort geding van 11 juni 2026
in de zaak van
Ballast Nedam Infra B.V.te Nieuwegein,
eiseres,
advocaten mrs. I. de Groot en I.A.F. Hendriksen te Amsterdam,
tegen:
HNO Vastgoed en Beheer N.V.te Willemstad, Curaçao,
gedaagde,
advocaten mrs. S.N.J. Putter en A. Schennink te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘BNI’ en ‘HNO’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de op 28 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Deze zaak heeft betrekking op geschillen die zijn gerezen naar aanleiding van een aannemingsovereenkomst die BNI in 2013 heeft gesloten met Stichting Sona (hierna: Sona). Sona heeft in deze overeenkomst aan BNI opgedragen om een nieuw ziekenhuis te bouwen in Willemstad, Curaçao. Er zijn daarna geschillen ontstaan naar aanleiding van een vertraging in de bouw, die is veroorzaakt doordat delen van het bouwterrein te laat of niet geheel aan BNI werden vrijgegeven. BNI heeft in verband daarmee aanspraak gemaakt op schadevergoeding. Partijen hebben de geschillen voorgelegd aan een geschillencommissie (hierna: DAB).
2.2.
DAB heeft in twee beslissingen (DAB-1 van 23 februari 2017 en DAB-2 van 1 mei 2018) geoordeeld over het geschil tussen partijen.
In DAB-1 is beslist, verkort weergegeven, dat Sona USD 11.848.219 aan BNI dient te betalen, waarvan een deel volgens de uitspraak al betaald is en het restant betaald moet worden volgens een betaalschema, te vermeerderen met rente en kosten, met een verrekening achteraf in verband met een prijsrisico.
In DAB-2 is onder meer bepaald dat Sona aan BNI dient te betalen (verkort weergegeven):
B. USD 2.577.743 als vergoeding voor directe bouwplaatskosten,
C. USD 258.333 als vergoeding voor kosten van mitigerende maatregelen,
D. USD 972.552 als vergoeding voor onderdekking,
B. USD 61.863 aan rente,
F. USD 54.030 als vergoeding van een vordering van [bedrijfsnaam],
G. USD 446.370 aan inefficiëntieschade,
te vermeerderen met wettelijke rente, een en ander verschuldigd volgens een schema, met een verrekening achteraf in verband met een prijsrisico.
2.3.
HNO is hierna in de plaats getreden van Sona onder de aannemingsovereenkomst.
2.4.
Omdat partijen niet tevreden waren over de beslissingen van DAB hebben zij hun geschillen daarna voorgelegd aan de overheidsrechter. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft de vorderingen over en weer afgewezen. In hoger beroep is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) een tussenvonnis gewezen op 9 september 2025 en een eindvonnis op 2 december 2025. Het Hof heeft in dit laatste vonnis (hierna: het vonnis van het Hof) het vonnis in eerste aanleg vernietigd. Opnieuw rechtdoende heeft het Hof (voor zover relevant voor dit geding) het volgende beslist:
“veroordeelt BNI tot terugbetaling aan HNO van hetgeen Sona of HNO aan BNI heeft betaald uit hoofde van de in DAB-1 en DAB-2 beoordeelde geschillen, inclusief daarmee verband houdende betalingen uit hoofde van art. 6:96 lid 2 sub b of Pro c BW, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum of datums waarop de betalingen zijn gedaan;
met aftrek van:
a. uit hoofde van het in DAB-1 beoordeelde geschil: USD 8.265.100, vermeerderd met
de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2017 tot aan de dag van de voldoening;
b. uit hoofde van het in DAB-2 beoordeelde geschil:
b1.USD 3.553.081 en USD 59.433, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente
daarover vanaf 1 januari 2018 tot aan de dag van de voldoening,
b2.het verschil in prijsrisicoverrekening tussen het overeengekomen termijnschema
en de werkelijke termijnbetalingen op basis van de maandelijks gepubliceerde BDB-
indexcijfers kantoorgebouwen nieuwbouw, met dien verstande dat de indexering in
de periode van 28 mei 2018 tot 13 augustus 2018 alleen kan worden berekend over de
termijnen die betrekking hebben op het testen en het valideren, verhoogd met 10%;
c. uit hoofde van art. 6:96 lid 2 sub b of Pro c BW: USD 150.000, vermeerderd met de
wettelijke rente daarover vanaf de dag van uitspraak van dit vonnis tot aan de dag
van de voldoening;
(…)”
2.5.
Partijen zijn het erover eens dat BNI op grond van het eerste deel van het vonnis van het Hof (de veroordeling tot terugbetaling, zonder de aftrekposten) gerekend tot en met 31 maart 2026 een bedrag van USD 27.567.626,84 aan HNO moet betalen.
2.6.
HNO heeft BNI op 13 maart 2026 bericht dat, indien van dat bedrag van USD 27.567.626,84 de in het vonnis van het Hof onder a, b1, b2 en c genoemde kosten worden afgetrokken (van respectievelijk USD 8.326.757,71, USD 3.678.851,12, USD 0 en USD 150.000) nog een door BNI aan haar te betalen bedrag van USD 15.412.018 resteert en zij heeft BNI gesommeerd om dat bedrag uiterlijk op 31 maart 2026 aan haar te betalen.
2.7.
BNI heeft op 27 maart 2026 aan HNO bericht dat zij betwist dat het vonnis van het Hof aanspraak geeft op een dergelijk bedrag. Zij stelt dat van het bedrag van USD 27.567.626,84 bedragen moeten worden afgetrokken van USD 12.659.902 (a), USD 5.459.823 (b1), USD 403.700 (b2) en c. USD 153.157 (c). Dan resteert een door BNI aan HNO te betalen bedrag van USD 8.891.044,84. BNI stelt bereid te zijn dat bedrag op 31 maart 2025 te betalen onder de voorwaarde dat (verkort weergegeven) HNO aan Zurich Insurance Plc (hierna: Zurich), zijnde de partij die zich in een procesgarantie tot borg heeft gesteld voor BNI tot een maximumbedrag van USD 5.500.000, heeft verklaard dat HNO afstand doet van al haar rechten onder de bankgarantie, onder de opschortende voorwaarde van betaling van USD 8.891.044,84 door BNI.
2.8.
Omdat HNO dit niet (tijdig) heeft bevestigd, heeft BNI op 30 maart 2026 aan HNO bericht dat zij een andere betalingswijze zal hanteren, te weten de betaling door BNI aan HNO van een bedrag van USD 3.391.044,84 diezelfde dag – waartoe zij ook is overgegaan – waarbij HNO voor het resterende bedrag van USD 5.500.000 een beroep kan doen op de procesgarantie van Zurich. HNO heeft BNI op 31 maart 2026 bericht dat BNI haar niet kan dwingen om een bankgarantie uit te winnen en dat zij volledig in contanten betaald moet worden. Nadat partijen overleg hebben gevoerd, heeft HNO op 10 april 2026 alsnog de procesgarantie uitgewonnen. Zurich heeft daarna een bedrag van USD 5.500.000 aan HNO overgemaakt.
2.9.
Partijen hebben op 13 april 2026 procesafspraken met elkaar gemaakt.
2.10.
HNO heeft op 22 april 2026 aan Ballast Nedam N.V. (hierna BN NV) een betaalverzoek gedaan op grond van een door BN NV aan HNO verstrekte concerngarantie.
2.11.
HNO is kort voorafgaand aan de zitting in dit kort geding een bodemprocedure gestart bij de rechtbank Amsterdam tegen:
1) BN NV, waarin zij (kort gezegd) onder de concerngarantie betaling vordert van het volgens HNO door BNI op grond van het vonnis van het Hof nog te betalen bedrag van USD 6.520.973,16 en
2) BNI, waarin zij (kort gezegd) een verklaring voor recht vordert dat BNI dat bedrag nog aan haar verschuldigd is.

3.Het geschil

3.1.
BNI vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair: HNO te verbieden i) het vonnis van het Hof te executeren en ii) een beroep te doen op de concerngarantie, elk op straffe van verbeurte van een dwangsom van USD 6.520.973,16, te vermeerderen met USD 100.000 per dag of gedeelte van een dag dat HNO geheel of gedeeltelijk in strijd met het verbod handelt;
subsidiair: HNO te verbieden i) het vonnis van het Hof te executeren en ii) een beroep te doen op de concerngarantie, elk op straffe van verbeurte van een dwangsom van USD 6.520.973,16, te vermeerderen met USD 100.000 per dag of gedeelte van een dag dat HNO geheel of gedeeltelijk in strijd met het verbod handelt, op voorwaarde dat BNI binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis ten behoeve van HNO een procesgarantie stelt, op de wijze zoals nader in de dagvaarding omschreven,
met veroordeling van HNO in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
3.2.
Daartoe voert BNI – samengevat – het volgende aan. De stelling van HNO dat BNI op grond van het vonnis van het Hof nog een bedrag aan haar dient te betalen, is gebaseerd op een onjuiste uitleg van dit vonnis op drie onderdelen. Het grootste verschil zit in de berekening van de wettelijke rente die verschuldigd is over de in mindering te brengen bedragen uit hoofde van DAB-1 en DAB-2 (onderdeel a en b1). Verder stelt HNO ten onrechte dat onderdeel b2 te onbepaald is om in aanmerking genomen te worden. Als derde heeft te gelden dat HNO zich ten onrechte op het standpunt stelt dat geen wettelijke rente verschuldigd is over een bedrag van USD 150.000 (onderdeel c).
HNO dreigt het vonnis van het Hof te gaan executeren met hantering van haar verkeerde uitleg hiervan. Dat levert misbruik van bevoegdheid op. BNI heeft immers al betaald wat zij op basis van dit vonnis aan HNO verschuldigd is. Daarbij is ook van belang dat als HNO de beschikking zou krijgen over het door haar geclaimde bedrag van USD 6.520.973,16 er voor BNI een groot restitutierisico ontstaat. BNI kan haar claim na een gewonnen bodemprocedure dan waarschijnlijk niet meer op HNO verhalen. Verder moet ook voorkomen worden dat HNO met een beroep op de concerngarantie op oneigenlijk wijze alsnog betaling of zekerheid kan krijgen voor een bedrag waar zij geen recht op heeft.
3.3.
HNO voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Rechtsmacht
4.1.
Dit kort geding betreft een zaak tussen een in Nederland gevestigde eisende partij en een in Curaçao gevestigde gedaagde partij, die betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een vonnis dat is gewezen door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
4.2.
Op grond van artikel 38, derde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk (hierna: het Statuut) kunnen bij rijkswet regels worden gesteld omtrent privaatrechtelijke onderwerpen van interregionale aard, indien omtrent deze regels overeenstemming tussen de regeringen van de betrokken landen bestaat. Een regeling bij rijkswet van de rechterlijke bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard is tot op heden niet tot stand gebracht. Bij gebreke van een dergelijke regeling dient de rechter in het Nederlandse deel van het Koninkrijk (hierna: het Rijk in Europa) evenals de rechter in Aruba, Curaçao en Sint Maarten, zijn bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard te bepalen door zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij hetgeen, naar het inzicht van de wetgever van het desbetreffende deel van het Koninkrijk, ter zake geldt op het nauw verwante terrein van het internationaal privaatrecht (zie HR 14 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1063).
4.3.
In dit verband is van belang dat de rechter in het Rijk in Europa, mede gelet op de voorrang van verdragen en EU-verordeningen ten opzichte van het nationale recht (vgl. artikel 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), is gehouden om eerst te onderzoeken of in een geval van interregionale aard overeenkomstige toepassing kan worden gegeven aan de in verdragen en EU-verordeningen neergelegde bevoegdheidsbepalingen. Slechts indien blijkt dat dergelijke verdragsrechtelijke of Unierechtelijke bevoegdheidsbepalingen ontbreken of zich niet voor overeenkomstige toepassing lenen, dient de rechter in het Rijk in Europa zijn rechtsmacht in een geval van interregionale aard te bepalen met overeenkomstige toepassing van de artikelen 1 tot en met 14 Rv (zie eveneens HR 14 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1063).
4.4.
De voorzieningenrechter zal in dit geval aansluiting zoeken bij het bepaalde in Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (de Brussel I bis-verordening). Indien toepassing wordt gegeven aan de daarin neergelegde bevoegdheidsbepalingen, dan komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om kennis te nemen van de door BNI ingestelde vorderingen. In artikel 24, vijfde lid, van deze verordening is immers bepaald dat, ongeacht de woonplaats van partijen, bij uitsluiting bevoegd zijn voor de tenuitvoerlegging van beslissingen: de gerechten van de lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging. Tussen partijen is niet in geschil dat de tenuitvoerlegging door HNO van het vonnis van het Hof in Nederland zal (moeten) plaatsvinden, aangezien de vermogensbestanddelen van BNI zich in Nederland bevinden. Daar komt bij dat het hier gaat om een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. Op grond van artikel 35 van Pro de Brussel 1 bis-verordening kunnen in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen bij de gerechten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen. De voorzieningenrechter acht zich daarom bevoegd om kennis te nemen van dit geschil.
Relatieve bevoegdheid
4.5.
HNO, die overigens woonplaats heeft gekozen op het adres van haar advocaat te Den Haag, heeft geen verweer gevoerd tegen de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag ten aanzien van de ingestelde vorderingen, met uitzondering van de vordering ten aanzien van de concerngarantie. Die vordering zal hierna afzonderlijk worden besproken.
Tenuitvoerlegging vonnis (primaire vordering sub i)
4.6.
Uitgangspunt in dit executiegeschil is de bevoegdheid van HNO tot tenuitvoerlegging van het vonnis van het Hof. De voorzieningenrechter kan de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen in geval van misbruik van bevoegdheid. Het betoog van BNI komt er op neer dat HNO misbruik maakt van bevoegdheid als zij het vonnis ten uitvoer legt, omdat BNI al aan de daarbij uitgesproken veroordelingen tot betaling heeft voldaan. HNO betwist dat. De voorzieningenrechter heeft bij de beoordeling niet tot taak de door de rechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld.
Wettelijke rente
4.7.
Partijen verschillen met elkaar van mening over de wettelijke rente die moet worden betaald over de posten a en b1. Deze posten zijn bedragen waar BNI op grond van het vonnis van het Hof recht op heeft. Omdat HNO in het verleden op grond van DAB-1 en DAB-2 al hogere bedragen heeft betaald aan BNI dan waar zij op grond van het vonnis van het Hof recht op heeft, heeft het Hof de volgende systematiek gehanteerd. BNI dient het reeds ontvangen bedrag terug te betalen aan HNO, met dien verstande dat daarop in mindering worden gebracht de bedragen waar BNI op grond van het vonnis recht op heeft. Daarbij heeft het Hof ook rekening gehouden met de wettelijke rente over alle bedragen, als volgt:

veroordeelt BNI tot terugbetaling aan HNO van hetgeen Sona of HNO aan BNI heeft betaald uit hoofde van de in DAB-1 en DAB-2 beoordeelde geschillen, inclusief daarmee verband houdende betalingen uit hoofde van art. 6:96 lid 2 sub b of Pro c BW,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum of datums waarop de betalingen zijn gedaan;
met aftrek van:
a. uit hoofde van het in DAB-1 beoordeelde geschil: USD 8.265.100,vermeerderd met
de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2017 tot aan de dag van de voldoening;
b. uit hoofde van het in DAB-2 beoordeelde geschil:
b1.USD 3.553.081 en USD 59.433, beide bedragenvermeerderd met de wettelijke rente
daarover vanaf 1 januari 2018 tot aan de dag van de voldoening”.
4.8.
Partijen verschillen met elkaar van mening over de vraag hoe de woorden ‘de dag van de voldoening’ moeten worden uitgelegd. Verkort weergegeven is BNI van mening dat moet worden uitgegaan van de onder DAB-1 en DAB-2 verschuldigde bedragen en dat daarover vanaf één vaste datum (1 juli 2017 respectievelijk 1 januari 2018) rente verschuldigd is tot aan de dag waarop door BNI wordt voldaan aan de veroordeling tot terugbetaling uit hoofde van het Vonnis. Volgens HNO gaat het bij de dag van voldoening om de datum waarop zij de betalingen in het verleden aan BNI heeft gedaan. HNO stelt dat BNI immers sindsdien beschikt over het geld, zodat er vanaf dan geen plaats meer is voor rentebetalingen. Voor zover de betalingen door Sona hebben plaatsgevonden vóór de ingangsdatum 1 juli 2017 is daarover dan dus geen rente verschuldigd, omdat BNI achteraf te vroeg betaald heeft gekregen, aldus HNO. Volgens HNO is een andere uitleg ook niet logisch omdat, als de dag van de voldoening de dag zou zijn waarop BNI het door haar op grond van het vonnis van het Hof te betalen bedrag aan HNO voldoet, BNI de door HNO aan haar te betalen rente door zou kunnen laten lopen door te wachten met betaling.
4.9.
Aan HNO moet worden toegegeven dat in de regel wettelijke rente wordt berekend tot de dag waarop de schuldenaar aan de schuldeiser betaalt. HNO is de partij die aan BNI een schadevergoeding verschuldigd is voor de vertraging die is opgetreden in de bouw van het ziekenhuis. Bij een enkele (eenvoudige) veroordeling tot betaling van een dergelijke schadevergoeding zou wettelijke rente moeten worden berekend tot de dag(en) waarop HNO die vergoeding aan BNI heeft betaald. Er is hier echter sprake van een bijzondere situatie waarbij HNO in het verleden hogere bedragen aan BNI heeft betaald dan zij verschuldigd was. Het Hof heeft daarom gekozen voor een systematiek, waarbij het volledige door HNO aan BNI in het verleden al betaalde bedrag door BNI dient te worden terugbetaald én dat bedrag dient te worden vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum(s) waarop de betalingen zijn gedaan. Daarmee heeft het Hof onmiskenbaar een “nul-situatie” gecreëerd, zoals BNI terecht heeft opgemerkt. BNI geniet hierdoor geen voordeel meer van de betalingen die zij in het verleden heeft gekregen, aangezien het Hof heeft bepaald dat zij deze geheel én vermeerderd met wettelijke rente moet terugbetalen aan HNO.
4.10.
Uitgaande van deze nul-situatie is vervolgens beoordeeld waar BNI wél recht op heeft. Dat zijn volgens het Hof de onder a en b1 genoemde bedragen. Die dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2017 respectievelijk 1 januari 2018 (de dag waarop het recht is ontstaan) tot aan de dag van de voldoening. Met deze rekenmethode kan de dag van voldoening geen andere dag zijn dan de dag waarop BNI voldoet aan de veroordeling tot terugbetaling uit hoofde van het vonnis van het Hof. Voor het standpunt van HNO dat in dit kader gekeken dient te worden naar de betaaldata in het verleden ziet de voorzieningenrechter, gelet op hetgeen onder 4.9 is overwogen, geen aanknopingspunt.
4.11.
Voor zover HNO stelt dat dit niet logisch is, omdat het dan voor BNI zou lonen om pas later te betalen, kan HNO daar niet in worden gevolgd. De wettelijke rente over het door BNI terug te betalen bedrag loopt immers ook door als BNI later betaalt.
4.12.
Deze uitleg sluit ook aan bij het onderscheid dat het Hof in het dictum van het vonnis heeft gemaakt tussen enerzijds de veroordeling tot terugbetaling, waarbij bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum of datums waarop de betalingen zijn gedaan (tot de dag van de voldoening), en anderzijds de daarop in mindering te brengen bedragen, waarbij is bepaald dat die dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf een specifieke door het Hof bepaalde datum tot aan de dag van de voldoening (en dus niet: tot aan de datum of datums waarop de betalingen zijn gedaan). Deze specifieke ingangsdata zijn door het Hof ook toegelicht in 3.39 (DAB-1) (“Het Hof maakt gebruik van zijn bevoegdheid om schattingen te maken, en acht het redelijk om de ingangsdatum voor het gehele bedrag te stellen op 1 juli 2017 (…)” en in 3.60 (DAB-2) (“Het Hof zal met als bij DAB-1 wettelijke rente toewijzen. Het Hof zal als ingangsdatum 1 januari 2018 hanteren (een half jaar later dan 1 juli 2027), omdat de periode waarin de kosten zijn gemaakt bij DAB-2 ongeveer een jaar later is ingegaan dan bij DAB-1 en rond dezelfde tijd is geëindigd”). Ten slotte is ook de formulering in het lichaam van het vonnis sub 3.49 en 3.67 dat ‘het totaal is te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2017, respectievelijk vanaf 1 januari 2018, tot aan de dag van de voldoening’ een aanwijzing dat niet moet worden gekeken naar de data van verschillende betalingen in het verleden.
4.13.
De voorzieningenrechter volgt BNI dus in haar uitleg van het vonnis van het Hof op dit onderdeel.
Het verschil in prijsrisicoverrekening
4.14.
Het Hof heeft in het vonnis bepaald dat van het terug te betalen bedrag moet worden afgetrokken het verschil in prijsrisicoverrekening tussen het overeengekomen termijnschema en de werkelijke termijnbetalingen op basis van de maandelijks gepubliceerde BDB-indexcijfers kantoorgebouwen nieuwbouw, met dien verstande dat de indexering in de periode van 28 mei 2018 tot 13 augustus 2018 alleen kan worden berekend over de termijnen die betrekking hebben op het testen en het valideren, verhoogd met 10%.
4.15.
Voor de juistheid van het standpunt dat dit bedrag op nul moet worden gesteld, omdat deze post onvoldoende bepaalbaar is, zoals HNO betoogt, ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt. Het Hof heeft in het lichaam van het vonnis overwogen (onder 3.63) “BNI heeft onder indirecte kosten aanspraak gemaakt op prijsrisicoverrekening, waarmee zij kennelijk hetzelfde bedoelt als bij DAB-1 met de post prijsindexering. Zoals hiervoor bij DAB-1 is overwogen is dat in beginsel toewijsbaar.” Het Hof heeft hiervoor ook een pm post opgenomen in het lichaam van het vonnis en vervolgens in het dictum een concrete rekenmethode opgenomen om het bedrag te berekenen. Daaruit blijkt genoegzaam dat het Hof heeft geoordeeld dat BNI aanspraak kan maken op een bedrag (hoger dan nul) en ook hoe dit bedrag berekend moet worden.
4.16.
BNI heeft nader toegelicht dat en hoe zij de delta tussen de indexatie op basis van het overeengekomen termijnschema naar aanleiding van DAB-1 en naar aanleiding van DAB-2 heeft berekend, hetgeen zij heeft vermeerderd met 10% zoals door het Hof bepaald. Daarbij heeft BNI naar voren gebracht dat partijen in het verleden in het kader van een wijziging op de overeenkomst (VAR-122) ook met elkaar over het hanteren van dit principe hebben gesproken en dit toen hebben vastgelegd in een document. HNO heeft hier alleen tegenin gebracht dat partijen dit nooit zijn overeengekomen. Het gaat volgens haar om een voorwaardelijke overeenstemming. Dat laat echter onverlet dat het Hof dit principe kennelijk heeft overgenomen. HNO heeft de hoogte van het bedrag van USD 403.700, dat volgens BNI uit deze berekening volgt, verder niet weersproken. BNI kan dus ook worden gevolgd in haar standpunt op dit onderdeel.
Vergoeding uit hoofde van art. 6:96 lid 2 sub b of Pro c BW
4.17.
Onder c wordt als aftrekpost vermeld een bedrag van USD 150.000 (uit hoofde van art. 6:96 lid 2 sub b of Pro c BW, vergoeding van kosten van deskundigen en advocaten), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de uitspraak van het vonnis tot aan de dag van de voldoening. BNI heeft berekend dat het hierbij in totaal gaat om een bedrag USD 153.157 (USD 150.000 vermeerderd met wettelijke rente van 2 december 2025 tot en met 31 maart 2026 ter hoogte van USD 3.157).
4.18.
De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het betoog van HNO dat er geen wettelijke rente over het bedrag van USD 150.000 is verschuldigd omdat BNI vóór 2 december 2025 al veel meer dan USD 150.000 teveel aan BNI heeft betaald. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder de kop “wettelijke rente” over de uitleg van de bewoordingen “de dag van voldoening”, heeft te gelden dat het hierbij gaat om de dag dat BNI het op grond van het vonnis van het Hof verschuldigde bedrag aan HNO heeft betaald. De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat het Hof op de hoogte was van de betalingen die HNO in het verleden aan BNI heeft gedaan. Als het Hof had willen aansluiten bij de data van die betalingen in het verleden, zou er geen aanleiding zijn geweest voor een veroordeling om het bedrag te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van zijn uitspraak.
Restitutierisico
4.19.
Als er sprake is van een (aanzienlijk) restitutierisico kan dat een bijkomend argument zijn om in dit kort geding terughoudend te zijn met het toestaan van executie, zeker als – zoals hier het geval is – er een reële kans is dat in de bodemprocedure wordt beslist dat de executerende partij geen aanspraak kan maken op het door haar geclaimd bedrag. BNI heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat er een grote kans is dat zij het bedrag waarop HNO stelt recht te hebben niet meer (geheel) zal terugkrijgen als zij daar na een bodemprocedure recht op blijkt te hebben.
4.20.
Alhoewel HNO heeft betwist dat haar financiële situatie zorgwekkend is en hierover een nadere toelichting heeft gegeven, is in ieder geval genoegzaam gebleken dat de financiële situatie van de huurder van HNO (het ziekenhuis) niet rooskleurig is, dat de huur al enige tijd niet volledig wordt betaald en dat HNO momenteel niet afbetaalt op de lening die zij heeft bij het land Curaçao. De voorzieningenrechter acht het restitutierisico gelet daarop aanzienlijk. Dat HNO gesprekken voert met het land Curaçao, die ertoe zouden kunnen leiden dat de schuld die HNO aan haar heeft komt te vervallen, maakt dit niet anders.
Datum waarop BNI heeft voldaan aan het vonnis van het Hof
4.21.
HNO stelt dat, ook als BNI een juist standpunt zou innemen ten aanzien van de hiervoor vermelde onderdelen, HNO nog steeds het vonnis van het Hof kan executeren, omdat BNI nog rente moet betalen over de periode van 1 tot en met 22 april 2026. HNO wijst erop dat BNI op 31 maart 2026 nog niet het gehele bedrag aan haar had betaald. Zij heeft toen USD 3.391.044,84 betaald. Het resterende bedrag van USD 5.500.000 is door Zurich pas betaald op 22 april 2026, aldus HNO.
4.22.
HNO kan in dat standpunt worden gevolgd. Aan het verweer van BNI op dit onderdeel wordt voorbij gegaan. BNI heeft op 27 maart 2026 weliswaar aangeboden het volledige bedrag aan HNO te betalen, maar onder de voorwaarde dat HNO afstand zou doen van al haar rechten onder de door Zurich verstrekte bankgarantie. BNI was op grond van het vonnis echter gehouden om het volledige bedrag aan HNO te betalen. Zij was niet gerechtigd om daar voorwaarden aan te verbinden. Een eventuele vrees dat HNO na volledige betaling door BNI nog een (ongerechtvaardigd) beroep zou kunnen doen op de verstrekte bankgarantie, maakt dat niet anders. Als dit zich zou voordoen, dan had BNI daartegen kunnen opkomen. De mededeling van BNI op 30 maart 2026 dat zij die dag opdracht zal geven aan de bank om een bedrag van USD 3.391.044,84 over te maken naar HNO en dat HNO voor het resterende bedrag van USD 5.500.000,- een beroep kan doen op de bankgarantie maakt ook niet dat kan worden aangenomen dat zij op 31 maart 2026 het verschuldigde bedrag heeft betaald. Het gaat erom wanneer HNO dit bedrag heeft ontvangen.
4.23.
Nu HNO er bij gebreke van volledige betaling door BNI in april 2026 voor heeft gekozen om toch gebruik te maken van de bankgarantie, heeft BNI aan haar betalingsverplichting voldaan op het moment dat HNO de resterende USD 5.500.000 heeft ontvangen. BNI heeft de door HNO genoemde ontvangstdatum van 22 april 2026 enkel weersproken met de stelling dat het bedrag door Zurich op 14 april 2026 al is betaald. Het gaat echter om de datum waarop HNO het bedrag heeft ontvangen. De voorzieningenrechter gaat daarom uit van de juistheid van de door HNO genoemde datum van 22 april 2026, waartegen onvoldoende gemotiveerd verweer is gevoerd. Daarbij heeft de voorzieningenrechter ook in aanmerking genomen dat uit de overgelegde stukken blijkt dat HNO op 20 april 2026 nog aan Zurich heeft gemeld dat zij het bedrag tot die ochtend nog niet had ontvangen en dat Zurich daarop heeft toegezegd contact te zullen opnemen met de bank om de status te onderzoeken. Nu BNI ter zitting heeft gesteld dat het bij een rente van 22 dagen over USD 5.500.000 gaat om een bedrag van USD 5.521 en HNO dat niet heeft weersproken, zal de voorzieningenrechter daarvan uitgaan.
Conclusie primaire vordering sub i
4.24.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat HNO alleen nog gerechtigd is om het vonnis te executeren voor een door BNI te betalen bedrag van USD 5.521. Gelet daarop zal HNO worden verboden om het vonnis van het Hof te executeren voor een hoger bedrag dan USD 5.521,-. Indien BNI dit bedrag echter direct na de datum van dit vonnis aan HNO betaalt, is voor executie van het vonnis geen plaats meer.
4.25.
Anders dan HNO stelt is een dergelijke voorziening niet te algemeen geformuleerd. Hiermee is duidelijk dat HNO geen betaling door BNI op basis van het vonnis van het Hof mag afdwingen door dit vonnis ten uitvoer te leggen, voor zover die betaling het bedrag van USD 5.521,- te boven gaat.
4.26.
Er is ook, anders dan HNO stelt, geen sprake van een voorziening die ongelimiteerd is in de tijd. In een kort geding wordt slechts een voorlopige voorziening getroffen. Dat is een tijdelijke ordemaatregel die geldt totdat in een bodemprocedure is beslist. Ter zitting is overigens gebleken dat HNO die bodemprocedure al is gestart.
Primaire vordering sub ii
4.27.
BNI stelt ter onderbouwing van deze vordering dat, als HNO een beroep doet op de concerngarantie én als BN NV dan betaalt, BN NV een regresvordering op BNI zal hebben. Dat wil BNI voorkomen. HNO heeft echter al een beroep gedaan op de concerngarantie en BN NV heeft dit kennelijk niet gehonoreerd. HNO is vervolgens een bodemprocedure gestart bij de rechtbank Amsterdam om betaling af te dwingen. Die procedure zal uitsluitsel moeten geven of HNO een gerechtvaardigd beroep heeft gedaan doen op de concerngarantie. Bij het treffen van de gevorderde voorziening in dit geding heeft BNI op dit moment dan ook geen (spoedeisend) belang. De overige weren van HNO tegen deze vordering kunnen gelet daarop onbesproken blijven.
Dwangsom
4.28.
HNO heeft niet alleen verklaard vrijwillig te zullen voldoen aan een verbod, maar zij is ook al een bodemprocedure gestart, zodat partijen binnen afzienbare tijd een definitief oordeel zullen krijgen over het geschil dat hen verdeeld houdt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat HNO het in dit vonnis opgelegde verbod in de tussentijd zal overtreden en dus ook niet om een dwangsom hieraan te verbinden. De vordering daartoe zal dus worden afgewezen.
Subsidiaire vordering
4.29.
BNI heeft verklaard de subsidiaire vordering te hebben ingesteld voor het geval wordt geoordeeld dat over de uitleg van een dictumonderdeel onzekerheid bestaat. Dat is niet het geval, zodat niet wordt toegekomen aan deze subsidiaire vordering.
Proceskosten
4.30.
De voorzieningenrechter beschouwt HNO als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, gelet op de kern van het geschil tussen partijen. HNO moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van BNI worden begroot op:
- dagvaarding € 125,57
- griffierecht € 735,-
- salaris advocaat € 1.177,-
- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
---------------
Totaal € 2.226,57
4.31.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verbiedt HNO om het vonnis van het Hof te executeren voor een hoger bedrag dan USD 5.521,-;
5.2.
veroordeelt HNO in de proceskosten van € 2.226,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als HNO niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet HNO € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt HNO in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.
ts