ECLI:NL:RBDHA:2026:17731

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/09/692577 / HA ZA 25-865
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 BWArt. 6:87 BWArt. 6:96 lid 2 sub b BWArt. 6:119 BWArt. 6:230g lid 1 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing schadevergoeding wegens gebrekkige en onvoltooide verbouwing woning

Eiser en gedaagde sloten een aannemingsovereenkomst voor de verbouwing van de begane grond van de woning van eiser. Gedaagde voerde de werkzaamheden niet volledig uit en liet diverse gebreken achter. Eiser stelde gedaagde in gebreke en vorderde vervangende schadevergoeding voor herstelkosten.

De rechtbank stelde vast dat gedaagde onvoldoende betwistte dat sprake was van gebreken, ondanks bezwaar tegen het deskundigenrapport dat zonder wederhoor tot stand kwam. Gedaagde voerde ook een onbewezen beroep op psychische overmacht aan, dat werd verworpen. Eiser was gerechtigd tot vervangende schadevergoeding, die werd vastgesteld op basis van een offerte van een derde partij.

Gedaagde vorderde in reconventie betaling van meerwerk, stellende dat de overeenkomst op regiebasis was en dat hij meer werkzaamheden had verricht. De rechtbank oordeelde dat partijen geen regieovereenkomst waren overeengekomen en dat gedaagde zijn stelplicht niet had vervuld. Bovendien had gedaagde niet voldaan aan de dwingendrechtelijke informatieplicht voor consumentenovereenkomsten, waardoor zijn vordering vernietigbaar was.

De rechtbank wees de vorderingen van eiser grotendeels toe, inclusief vergoeding van buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente vanaf dagvaarding, en wees de vorderingen van gedaagde in reconventie af. Proceskosten werden aan gedaagde opgelegd.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en kosten wegens gebrekkige en onvoltooide verbouwing, terwijl zijn vorderingen tot meerwerk worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/692577 / HA ZA 25-865
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C. van den Berg,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam A Firma Klussenbedrijf, te Schiedam,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A. Orhan.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten voor het verbouwen van de woning van [eiser] . Volgens [eiser] heeft [gedaagde] fouten gemaakt bij het uitvoeren van de werkzaamheden en heeft [gedaagde] het werk niet afgemaakt. [eiser] vordert daarom schadevergoeding voor de kosten die [eiser] moet maken om de fouten te laten herstellen en het werk af te laten maken. Volgens [gedaagde] moet [eiser] op zijn beurt nog betalen voor onbetaalde uitvoeringskosten. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] toe en de vorderingen van [gedaagde] af.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 19 september 2025, met producties 1 tot en met 11;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de akte overlegging producties van [eiser] , met producties 12 tot en met 14.
2.2.
Op 10 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. [eiser] is verschenen, bijgestaan door de advocaat voornoemd. [gedaagde] is verschenen met zijn adviseur [naam] , bijgestaan door de advocaat voornoemd.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
Op 9 september 2024 heeft [gedaagde] een offerte uitgebracht aan [eiser] voor de verbouwing van de begane grond van het woonhuis van [eiser] . In de offerte staat een prijs van € 41.140. In de offerte staat het volgende:

Complete verbouwing aan de hand van de bouwtekeningen.
Werkzaamheden bevatten :
Wanden opnieuw plaatsen (nieuwe indeling).
Elektra punten.
Loodgieterwerk.
Stucwerk, sausklaar.
Schilderwerk.
Laminaat leggen.
Verlaagd plafond aanbrengen.
Voorzetwand in de trappenhal, met verlichting.
Glaswand trappenhal,
Verbouwing badkamer. incl. Inbouwnis, tegelwerk, afmonteren, kitwerk.
Compleet opgeleverd.
[…]
De verdieping wordt klaar en woonbaar opgeleverd. Alle werkzaamheden zijn incl. Alle grove materiaal. Excl. Alle tegels, deuren, laminaat, sanitair, en verlichting.
3.2.
[gedaagde] en [eiser] zijn overeengekomen dat [gedaagde] de geoffreerde werkzaamheden uitvoert. Daarnaast zijn [eiser] en [gedaagde] mondeling aanvullende werkzaamheden overeengekomen en hebben zij de prijs verhoogd naar € 42.000. De aanvullende werkzaamheden betroffen:
  • het maken van de deur van de inloopkast;
  • het verlagen van het plafond in de gang en van de inloopkast;
  • het plaatsen van stalen deuren op de begane grond; en
  • het plaatsen van een spiegel, wastafel en het toilet op de begane grond.
3.3.
[eiser] heeft in de periode van september 2024 tot januari 2025 in totaal € 41.100 aan [gedaagde] betaald.
3.4.
[gedaagde] heeft vanaf januari 2025 de werkzaamheden aan de woning van [eiser] niet meer voortgezet. Vanaf eind januari 2025 heeft [gedaagde] niet meer op de berichten van [eiser] gereageerd.
3.5.
Op 6 maart 2025 heeft [eiser] een inspectie aan zijn woning laten uitvoeren door Keurzeker. [gedaagde] was niet uitgenodigd voor de inspectie. In het deskundigenrapport van Keurzeker is onder meer de volgende samenvatting opgenomen:

Vastgestelde gebreken in de woning:
Hang- en sluitwerk:
De installatie is slordig uitgevoerd, met grote uitsparingen, overgeschilderde scharnieren, en slecht uitgewerkte geboorde gaten. Het hang- en sluitwerk is moeilijk te onderhouden en vertoont al schade.
Schakelmateriaal en elektra:
Het schakelmateriaal is onprofessioneel geïnstalleerd, vastgekit aan de wanden, en diverse verlichting werkt niet, wat wijst op fouten in de elektra-installatie.
Stucwerk:
Het stucwerk vertoont golvingen en diepe strepen, en de afwerking voldoet niet aan de norm. Overstucen door gekwalificeerde stukadoors is noodzakelijk.
Buitenkozijnen:
Het schilderwerk is slordig, met verf op het hang- en sluitwerk en rubbers, wat de functionaliteit belemmert. De verflaag hecht slecht en vereist volledige verwijdering en opnieuw schilderen.
Raamwerk en horren:
Diverse ramen functioneren niet goed of sluiten niet meer, en horren zijn weggegooid. Herstel van ramen en vervanging van horren is noodzakelijk.
Vloeren:
Plakplinten zijn slordig aangebracht, stenen plinten zijn meegeschilderd en twee plinten ontbreken. Het voegwerk vertoont gebreken en de vloer heeft kleine beschadigingen.
Badkamer:
Het tegelwerk vertoont afwijkingen, het badmeubel is scheef gemonteerd, en het kitwerk is onzorgvuldig aangebracht. De douchekop sluit niet goed aan, en verlichtingselementen functioneren niet.
Al deze bevindingen wijzen op een algemeen gebrek aan vakmanschap en zorgvuldigheid tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Gezien de omvang en ernst van de gebreken is herstel noodzakelijk om de woning in een veilige en functionele staat te brengen.
Herstelwerkzaamheden en bijkomende kosten:
Het herstel van de vastgestelde gebreken zal op verschillende onderdelen duurder zijn dan wanneer deze werkzaamheden aanvankelijk goed zouden zijn uitgevoerd. Dit komt doordat er nu eerst een voldoende basis moet worden gecreëerd voor de reparaties en herstelwerkzaamheden. Dit betekent dat de bestaande, onprofessionele uitvoering in sommige gevallen eerst verwijderd of aangepast moet worden voordat de juiste afwerking en functionaliteit kan worden gegarandeerd. De kosten voor herstelwerkzaamheden zullen derhalve hoger uitvallen, aangezien er additionele stappen nodig zijn om de basis op orde te krijgen. […]
Keurzeker heeft de kosten voor het herstel van bovenstaande bevindingen begroot op € 27.225.
3.6.
Op 7 maart 2025 heeft [eiser] een brief verstuurd aan [gedaagde] . In de brief verzoekt [eiser] [gedaagde] om de werkzaamheden te hervatten en binnen vier weken na dagtekening van de brief op te leveren. Voor de elektra heeft [eiser] een termijn van een week gesteld. De brief somt onder meer de volgende gebreken/werkzaamheden op:
“Uit te voeren / te herstellen werkzaamheden
Globaal gezien dienen nog de volgende werkzaamheden uitgevoerd te worden:
Stuc- en schilderwerk
- Enkele muren moeten nog gestuukt en geschilderd worden;
- Uitgevoerd stucwerk aan het plafond en enkele wanden is slecht en ondeugdelijk uitgevoerd;
- Algeheel herstel van het schilderwerk.
Tegels
- Herstel van beschadigde of foutief geplaatste tegels.
Traprenovatie
- Niet goed uitgevoerd. Zijkanten van de trap zijn nog niet afgewerkt en schoon opgeleverd.
Deuren
- Gebrekkig schilderwerk van de deuren. IS DIT WERK DOOR [gedaagde] UITGEVOERD?
- Aantal deuren zijn beschadigd.
Elektra
- Op 5 maart 2025 heeft kortsluiting plaatsgevonden. Cliënt heeft direct een elektricien ingeschakeld. Deze heeft aangegeven dat de elektra door u foutief is aangelegd. Voor het treffen van noodmaatregelen heeft cliënt een bedrag van € 1.250,- moeten voldoen.
Overige
- De buitenkraan is door u afgesloten, maar nog niet aangesloten;
- Diverse kozijnen zijn beschadigd geraakt tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden.”
3.7.
[gedaagde] hervat de werkzaamheden niet en op 23 april 2025 sommeert [eiser] hem nogmaals de werkzaamheden te hervatten. Ook zegt [eiser] hem aan dat hij bij het uitblijven van een reactie in verzuim verkeert. [gedaagde] reageert niet op deze brief.
3.8.
Op 7 juli 2025 heeft Nader B.V. een offerte uitgebracht voor de herstelwerkzaamheden die volgens Keurzeker noodzakelijk zijn. Deze offerte sluit op een aanneemsom van € 28.457,55.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 27.992,55 aan hoofdsom, vermeerderd met rente;
II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.050,58 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met rente;
III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure, vermeerderd met rente.
4.2.
[eiser] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft zijn opdracht niet afgemaakt. Het verrichte werk bevat daarnaast gebreken. Het deskundigenrapport van Keurzeker beschrijft welk (herstel)werk nog moet plaatsvinden in de woning. [eiser] heeft zijn vordering tot nakoming in de dagvaarding omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Voor de omvang van de schade verwijst [eiser] naar de offerte van Nader B.V. Deze kosten vallen hoger uit dan de kosten zoals begroot door Keurzeker, omdat het rapport van Keurzeker er geen rekening mee houdt dat meerdere onderdelen volledig moeten worden teruggebracht naar de ruwbouwstaat om opnieuw te kunnen worden opgebouwd. [eiser] trekt € 900 af van zijn vordering, omdat hij dat deel van de aanneemsom nog niet had betaald.
4.3.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
4.4.
[gedaagde] voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] betwist dat sprake is van gebreken. Daarnaast kunnen de tekortkomingen niet aan [gedaagde] worden toegerekend, omdat sprake was van psychische overmacht. Subsidiair heeft [gedaagde] een vordering uit meerwerk die hij met de vordering van [eiser] verrekent. Tenslotte begrijpt de rechtbank het standpunt van [gedaagde] zo dat hij de rechtbank in overweging geeft een deskundige te benoemen.
in reconventie
4.5.
De rechtbank heeft de vordering van [gedaagde] aldus begrepen dat hij – zakelijk weergegeven – vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eiser] veroordeelt tot betaling van niet-betaald (meer)werk en nader te bepalen uitvoeringskosten;
II. voor recht verklaart dat de door [gedaagde] aangevoerde extra werkzaamheden als meerwerk dienen te worden aangemerkt en vergoed;
III. [eiser] veroordeelt in de kosten van de procedure.
4.6.
[gedaagde] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. De aanneemsom die [eiser] moet betalen valt hoger uit dan € 42.000. Partijen hebben namelijk afgesproken dat er op regiebasis zou worden gewerkt. [gedaagde] heeft in opdracht van [eiser] meer werkzaamheden uitgevoerd dan in de offerte staan en waar [eiser] niet voor heeft betaald. [gedaagde] heeft in elk geval € 59.629,24 aan werk verricht buiten de werkzaamheden die staan genoemd in de offerte, waarbij het precieze bedrag nader bij staat zou moeten worden vastgesteld. De rechtbank heeft het standpunt van [gedaagde] aldus begrepen dat er – mocht er wel een vaste aanneemsom zijn – het meerdere boven de initiële aanneemsom meerwerk betreft.
4.7.
[eiser] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.8.
[eiser] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. Partijen zijn niet overeengekomen dat op regiebasis zou worden gewerkt. [eiser] betwist daarnaast dat sprake is van meerwerk.
in conventie en in reconventie
4.9.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
[gedaagde] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst
5.1.
[eiser] stelt dat de overeengekomen werkzaamheden niet dan wel niet juist zijn uitgevoerd. Er is volgens [eiser] sprake van gebreken aan het hang- en sluitwerk, het schakelmateriaal en elektra, het stucwerk, de buitenkozijnen, het raamwerk en de horren, de vloeren en de badkamer. Ter onderbouwing verwijst [eiser] naar het deskundigenrapport van Keurzeker.
5.2.
[gedaagde] maakt bezwaar tegen het deskundigenrapport van Keurzeker, omdat het rapport zonder wederhoor tot stand is gekomen. [eiser] heeft bevestigd dat [gedaagde] niet was uitgenodigd bij de inspectie door Keurzeker en ook dat op geen andere wijze wederhoor heeft plaatsgevonden in aanloop naar de procedure. [gedaagde] heeft de bevindingen in het deskundigenrapport echter inhoudelijk niet bestreden. Ook heeft hij geen eigen rapportage ingebracht. Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank geen reden het deskundigenrapport van Keurzeker niet als afdoende onderbouwing van de stellingen van [eiser] te beschouwen.
5.3.
De conclusie van antwoord van [gedaagde] bevat geen inhoudelijke betwisting van de door [eiser] gestelde gebreken. Mevrouw [naam] heeft ter zitting toegelicht dat [gedaagde] wel betwist dat sprake is van gebreken in het overeengekomen werk. Desgevraagd heeft mevrouw [naam] verklaard dat een toelichting op de betwisting te vinden is in productie 2 bij de conclusie van antwoord. De rechtbank stelt echter vast dat de toelichting in die productie weinig inzichtelijk is wat betreft indeling en inhoud en dat de conclusie van antwoord ook niet naar specifieke onderdelen van die productie verwijst. De rechtbank gaat er daarom zelf van uit dat zij wat aan het einde van productie 2 onder het kopje ‘Página 31’ staat, moet beschouwen als de inhoudelijke betwisting van de door [eiser] gestelde gebreken. Dit betreft echter vooral een opsomming van stellingen zonder enige onderbouwing. Het is daardoor voor de rechtbank ook niet inzichtelijk geworden hoe deze opsomming zich verhoudt tot de bevindingen van het deskundigenrapport. Sommige onderdelen lijken bijvoorbeeld eerder een erkenning dan een betwisting. De rechtbank is alles bij elkaar genomen van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat sprake is van de gestelde gebreken in het overeengekomen werk, waarmee deze vast zijn komen te staan. Daarom zal de rechtbank zelf ook geen deskundige benoemen, zoals door [gedaagde] is voorgesteld. Het had op de weg gelegen van [gedaagde] om eerst zelf een onderbouwde betwisting – bijvoorbeeld met een eigen deskundigenrapport – aan te voeren en dat heeft hij nagelaten. Dat betekent dat met de vaststelling van de gebreken ook de tekortkoming van de aannemingsovereenkomst vast is komen te staan.
5.4.
[gedaagde] stelt verder dat de gebreken hem niet kunnen worden toegerekend, omdat bij hem sprake was van psychische overmacht. Deze psychische overmacht is volgens [gedaagde] ontstaan doordat [eiser] druk heeft uitgeoefend op [gedaagde] door klachtmeldingen, dreigementen en de door [eiser] gestelde voorwaarde om de aanneemsom zwart te betalen. [gedaagde] draagt de stelplicht van voldoende feiten waaruit blijkt dat sprake was van een dergelijke toestand van overmacht. [gedaagde] heeft zijn stelling echter op geen enkele wijze onderbouwd anders dan door de blote stelling dat hij er ziek van is geworden. De rechtbank passeert daarom dit verweer van [gedaagde] .
[eiser] kan aanspraak maken op (vervangende) schadevergoeding
5.5.
[eiser] vordert vervangende schadevergoeding in plaats van nakoming. Een vordering tot nakoming kan – ook bij dagvaarding zoals in dit geval – worden omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding als de schuldenaar in verzuim is. [1] Op grond van artikel 6:82 lid 1 BW Pro treedt verzuim in wanneer een schuldenaar in gebreke wordt gesteld en vervolgens niet binnen de gestelde termijn nakomt. [eiser] heeft [gedaagde] op 7 maart 2025 in gebreke gesteld door hem aan te manen binnen een week de werkzaamheden aan de elektra te voltooien en binnen een termijn van vier weken het overige werk op te leveren. Het staat vast dat [gedaagde] zijn werkzaamheden niet heeft hervat. [gedaagde] heeft ter zitting gesteld dat hij van [eiser] niet meer naar de woning mocht komen. Deze stelling is gemotiveerd betwist door [eiser] en [gedaagde] heeft deze stelling niet nader onderbouwd, zodat dit niet is komen vast te staan. [gedaagde] is daarom in verzuim met betrekking tot zijn verplichtingen onder de overeenkomst.
5.6.
De schade van [eiser] bestaat uit de kosten voor het herstel van de gebreken. [eiser] baseert zich bij zijn vordering op de offerte van Nader B.V., hoewel dat bedrag hoger uitvalt dan de begroting van de herstelkosten in het deskundigenrapport van Keurzeker. [eiser] heeft hier als verklaring voor gegeven dat het werk van [gedaagde] op onderdelen moet worden teruggebracht tot de ruwbouwstaat om opnieuw te kunnen worden opgebouwd en wijst erop dat Keurzeker met die mogelijkheid in het deskundigenrapport al rekening heeft gehouden. [gedaagde] heeft de herstelkosten niet betwist met bijvoorbeeld een eigen raming of offertes. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de herstelkosten conform de offerte van Nader B.V. € 28.457,55 bedragen.
5.7.
[eiser] vordert ook vergoeding van de kosten voor het deskundigenrapport van Keurzeker ter hoogte van € 435. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro gelden redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ook als schade. De rechtbank is van oordeel dat het voor [eiser] redelijk was Keurzeker in te schakelen voor een inspectie en dat de omvang van de kosten ook redelijk is. De kosten van Keurzeker komen daarom voor vergoeding in aanmerking.
5.8.
[eiser] heeft toegelicht dat hij zijn vordering heeft verminderd met € 900, bestaande uit het deel van de aanneemsom dat hij nog moest betalen. [eiser] heeft daarom een totale vordering uit schadevergoeding van € 27.992,55 (€ 28.457,55 + € 435 - € 900) en die is op grond van het voorgaande in beginsel toewijsbaar.
5.9.
[gedaagde] heeft echter een beroep op verrekening gedaan, omdat hij een eigen vordering op [eiser] stelt te hebben. Deze tegenvordering wordt in het kader van de reconventie beoordeeld en zal worden afgewezen.
Nevenvorderingen
5.10.
[eiser] vordert dat de schadevergoeding wordt vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 april 2025. [gedaagde] is rente verschuldigd vanaf het moment dat hij in verzuim was met het betalen van een geldsom. Ten aanzien van de verplichting tot het betalen van vervangende schadevergoeding geldt dat die vordering bij dagvaarding is ontstaan, omdat de omzetting pas in de dagvaarding heeft plaatsgevonden. [gedaagde] kan daarom niet eerder in verzuim zijn geweest met het betalen van vervangende schadevergoeding dan de datum van dagvaarding. De rechtbank zal de wettelijke rente daarom toewijzen met ingang van de datum van dagvaarding.
5.11.
De gevorderde rente over de deskundigenkosten wordt in dit geval toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. [eiser] heeft niet toegelicht vanaf welke eerdere ingangsdatum rente verschuldigd is.
5.12.
[eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De door [eiser] genoemde werkzaamheden omvatten meer dan verrichtingen ter voorbereiding van gedingstukken of ter instructie van de zaak. De kosten zijn in redelijkheid gemaakt. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Daarom zal een bedrag van € 1.050,58 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
5.13.
[gedaagde] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,16
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.339,16
5.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
5.15.
[gedaagde] vordert betaling van uitgevoerd meerwerk en ‘nader te bepalen uitvoeringskosten’. De rechtbank begrijpt deze vordering aldus dat [gedaagde] stelt dat – anders dan [eiser] meent – de afgesproken aanneemsom geen totaalprijs is, maar dat het een aannemingsovereenkomst op regiebasis is, zodat [gedaagde] recht heeft op vergoeding van – wat hij noemt – al zijn uitvoeringskosten. Daarnaast heeft de rechtbank het zo begrepen dat als er wel een vaste aanneemsom zou zijn overeengekomen, [gedaagde] het standpunt inneemt dat sprake is van meerwerk. In beide gevallen zou [eiser] nog een aanzienlijk deel moeten betalen.
Partijen zijn niet overeengekomen dat de aanneemsom (deels) op regiebasis wordt vastgesteld
5.16.
[gedaagde] stelt dat de offerte slechts een basisomschrijving van voorlopige afspraken bevatte en dat partijen zijn overeengekomen dat op regiebasis zou worden gewerkt. [eiser] betwist dat is afgesproken dat de opdracht op regiebasis zou worden uitgevoerd. Uit de offerte blijkt niet van een dergelijke afspraak. [gedaagde] heeft zijn stelling niet onderbouwd door middel van stukken en in dat kader ook niet verwezen naar specifieke Whatsapp-berichten waar dat volgens hem uit zou blijken. Ook heeft hij zijn stelling dat sprake zou zijn van een regieovereenkomst niet op andere wijze onderbouwd. Deze stelling is mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van [eiser] dus niet vast komen te staan. De rechtbank gaat daarom uit van een vaste aanneemsom.
[gedaagde] heeft geen vordering uit meerwerk
5.17.
De rechtbank heeft zijn standpunt verder aldus betrepen dat [gedaagde] (subsidiair) stelt dat hij meerwerk heeft uitgevoerd. Volgens [gedaagde] heeft hij in opdracht van [eiser] de volgende extra werkzaamheden verricht:
Aangezien [eiser] vloerverwarming wilde aanleggen, moest [gedaagde] drie dagen wachten en wilde [eiser] dat hij keramiek in plaats van laminaat zou leggen;
[eiser] wilde een spiegel met afwijkende afmetingen;
[gedaagde] heeft twee keer een open haard gemaakt;
[gedaagde] heeft drie keer een schuifdeur naar de slaapkamer gemaakt in plaats van alleen een opening;
[gedaagde] heeft STOMP-deuren geplaatst in plaats van nieuwe deuren;
[gedaagde] heeft een wc-frame en douchegoot gekocht;
[gedaagde] heeft meer lichtpunten gemaakt dan afgesproken;
[gedaagde] heeft de centrale voor de vloerverwarming aangelegd;
[gedaagde] heeft een tv-wand gemaakt en het glas van het raam voorzien van anti-inbraakblindering;
[gedaagde] heeft keramieken tegels gelegd in de entree van het huis;
[eiser] wilde twee wijzigingen van lichtpunten ten behoeve van een metalen deur;
Het stucwerk en schilderwerk, de verdeling van de kamers en het laminaat waren niet inbegrepen in de offerte;
[gedaagde] heeft de kookplaat en koelkast geïnstalleerd;
[gedaagde] heeft de wasmachine met alle stroompunten en een afvoerleiding moeten verplaatsen naar een andere ruimte;
[gedaagde] heeft ramen en deuren geschilderd;
[gedaagde] heeft een gasleiding geïnstalleerd;
[gedaagde] heeft een ventilatiesysteem aangelegd in het toilet;
[gedaagde] heeft de vloer gesloten voor de slangen van de vloerverwarming;
[gedaagde] heeft een afvoer voor de badkamer gekocht;
[gedaagde] heeft vijf extra gaten geboord om het rioolsysteem af te werken;
[gedaagde] heeft plinten gekocht;
[gedaagde] heeft geholpen bij de verhuizing van [eiser] .
5.18.
[eiser] betwist dat sprake is van meerwerk. Alvorens de rechtbank echter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van deze vordering bespreek zij hier eerst de ter zitting besproken toepasselijkheid van regels van consumentenrecht. Voor zover [gedaagde] een vordering uit meerwerk op [eiser] zou hebben gehad, overweegt de rechtbank in dat kader namelijk dat enige betalingsverplichting uit hoofde van meerwerk vernietigbaar is. De rechtbank licht dat als volgt toe.
5.19.
Afdeling 6.5.2B BW voor overeenkomsten tussen handelaren en consumenten is namelijk op deze overeenkomst van toepassing. [eiser] handelt niet voor het doel van een beroep of bedrijf en [gedaagde] handelt wel in het kader van zijn bedrijfsactiviteit. [2] De overeenkomst valt niet onder de uitzondering voor ingrijpende verbouwingen in artikel 6:230h lid 1 sub g BW, omdat onder een ingrijpende verbouwing een verbouwing wordt verstaan die “
vergelijkbaar is met het bouwen van een nieuw gebouw, bijvoorbeeld wanneer alleen de geval van een oud gebouw bewaard blijft. Dienstenovereenkomsten, in het bijzonder deze betreffende het oprichten van aanbouwen (bijvoorbeeld een garage of een veranda) en betreffende andere herstel- en renovatiewerkzaamheden aan gebouwen dan grondige verbouwingen dienen te vallen onder deze richtlijn (…). [3] Mevrouw [naam] heeft desgevraagd ter zitting namens [gedaagde] aangevoerd dat de overeenkomst geen consumentenovereenkomst is, omdat de overeenkomst kwalificeert als aanneming van werk. De rechtbank volgt haar daarin niet, omdat een overeenkomst tegelijkertijd als aanneming van werk en een consumentenovereenkomst kan kwalificeren.
5.20.
Ter zitting hebben partijen verklaard dat de overeenkomst is gesloten in de woning van [eiser] . De overeenkomst kwalificeert daarom als een overeenkomst buiten de verkoopruimte. [4] Voor consumentenovereenkomsten buiten de verkoopruimte geldt voor de handelaar een informatieplicht ten aanzien van de totale prijs van zijn diensten. [5] De rechter is verplicht ambtshalve te toetsen of [gedaagde] heeft voldaan aan deze informatieplicht. [6] [gedaagde] heeft wat het gestelde meerwerk betreft niet voldaan aan zijn informatieplicht. Uit niets blijkt dat [gedaagde] informatie heeft verschaft over de prijs van het meerwerk waarvan hij in deze procedure vergoeding vordert.
5.21.
De informatieplichten uit artikel 6:230m BW zijn van dwingend recht, zodat schending daarvan onder omstandigheden kan leiden tot vernietigbaarheid op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro. [7] [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat in dit geval een sanctie van 100% van de gestelde meerwerkprijs gerechtvaardigd is. De rechtbank overweegt dat [gedaagde] aan [eiser] geen enkel inzicht heeft gegeven in de financiële gevolgen van de (extra) werkzaamheden waarvan hij nu betaling vordert. Ook overweegt de rechtbank dat hij geen van die werkzaamheden daadwerkelijk heeft gefactureerd. Pas in deze procedure heeft de rechtbank in een bijlage bij de conclusie van antwoord een door [gedaagde] opgestelde lijst aangetroffen van op hoofdlijnen omschreven en ongespecificeerde werkzaamheden met daarbij veelal ronde bedragen. Tenslotte overweegt de rechtbank dat de oorspronkelijke offerte van [gedaagde] al onduidelijk was. Hierdoor ontstaat sowieso al veel ruimte voor discussie over de vraag of werkzaamheden al in de oorspronkelijke opdracht waren inbegrepen of later zijn toegevoegd. De rechtbank is in beginsel van oordeel dat deze onduidelijkheid niet in het voordeel van [gedaagde] mag uitvallen, waardoor een korting van 100% in deze zaak zou kunnen worden toegepast. De rechtbank zal een oordeel hierover echter in het midden laten en licht dat als volgt toe.
5.22.
In het verlengde van voorgaande overwegingen merkt de rechtbank namelijk op dat [gedaagde] voldoende feiten moet stellen waaruit blijkt sprake is van meerwerk en dat [eiser] dit meerwerk heeft opgedragen. Daarnaast moet [gedaagde] stellen dat hij [eiser] tijdig heeft gewezen op een noodzaak tot prijsverhoging dan wel dat [eiser] deze noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. [gedaagde] heeft niet voldaan aan zijn stelplicht. In de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie ontbreekt een duidelijke onderbouwing van de vordering in het geheel. Het gestelde meerwerk is daarom – mede nu [eiser] het gestelde meerwerk wel gemotiveerd heeft betwist – niet vast komen te staan. Het had op de weg gelegen van [gedaagde] om zijn vordering nader te onderbouwen en dat heeft hij – ook ter zitting – niet gedaan.
5.23.
Als uitzondering op het bovenstaande geldt dat [gedaagde] ter zitting in beginsel wel voldoende heeft weten toe te lichten dat hij buiten de initiële offerte om een voorzetwand heeft gemaakt voor de televisie, waarin onder meer de bekabeling is verwerkt (hierna: de tv-wand). Dat hij dit heeft gedaan, is ook niet betwist door [eiser] als gevolg waarvan dit meerwerk in beginsel vast is komen te staan. Echter, [gedaagde] heeft niet gesteld of er een meerprijs zou moeten worden berekend voor de tv-wand en welke prijs dat dan zou zijn geweest. Het dossier bevat daarover ook geen andere stukken op basis waarvan de rechtbank een mogelijke prijs kan bepalen. Dit blijft dus ook voor risico van [gedaagde] . Daarnaast zou het op grond van voorgaande overwegingen in het kader van de informatieplicht al de vraag zijn welke korting op die prijs zou worden toegepast.
5.24.
Het bovenstaande brengt mee dat de rechtbank de vorderingen in reconventie zal afwijzen. De overige verweren van [eiser] behoeven daarom geen bespreking.
Nevenvorderingen
5.25.
Omdat de reconventionele hoofdvordering niet slaagt, slagen de nevenvorderingen ook niet.
5.26.
[gedaagde] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat
836,00
(1 punt × € 836,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
984,00
5.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
in conventie
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 27.992,55, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.050,58 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.339,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.6.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
6.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 984,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.8.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in conventie en in reconventie
6.9.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.10.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.11.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.12.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op
24 juni 2026.
3669

Voetnoten

1.Artikel 6:87 BW Pro.
2.Artikel 6:230h lid 1 sub a BW jo. artikel 6:230g lid 1 sub a en b BW.
3.Overweging 26 bij de richtlijn consumentenrechten (Richtlijn 2011/83/EU).
4.Artikel 6:230g lid 1 sub f BW.
5.Artikel 6:230m lid 1 sub e BW.
6.HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, r.o. 3.1.9.
7.HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, r.o. 3.1.15.