ECLI:NL:RBDHA:2026:17727

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/3830
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tot voortzetting jeugdhulp en verblijf bij jeugdinstelling

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn om de jeugdhulp en het verblijf van een minderjarige bij een jeugdinstelling te verlengen tot 31 mei 2026. Verzoekers, de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige, zijn het niet eens met de korte verlenging en vorderen voortzetting van de hulpverlening.

De minderjarige is in 2010 geboren en gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis niveau twee. Sinds juni 2024 verblijft hij niet meer thuis vanwege een uithuisplaatsing en heeft hij diverse vormen van jeugdhulp ontvangen, waaronder klinische opname en verblijf bij verschillende zorginstellingen. Sinds augustus 2025 verblijft hij bij de jeugdinstelling waarvoor het college de hulpverlening heeft toegekend en verlengd.

De voorzieningenrechter constateert dat partijen verdeeld zijn over de wijze van onderzoek naar de hulpvraag en de passende hulpverlening. De belangenafweging leidt ertoe dat het belang van de minderjarige en verzoekers prevaleert, gelet op de noodzaak van voorspelbaarheid en continuïteit in de zorg. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en draagt het college op de jeugdhulp en het verblijf voort te zetten tot vier weken na de beslissing op bezwaar.

Daarnaast wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekers. De uitspraak benadrukt het belang van constructieve samenwerking tussen partijen en het betrekken van deskundigen bij het vervolgtraject.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het college wordt opgedragen de jeugdhulp en het verblijf van de minderjarige voort te zetten tot vier weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3830

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekers sub 1] en [verzoekers sub 2], wettelijk vertegenwoordigers van [minderjarige], uit [woonplaats], verzoekers
(gemachtigde: mr. M.J. Smaling),
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om de jeugdhulp en het verblijf van [minderjarige] bij [zorginstelling 1] te [plaats 1] te verlengen met een maand tot 31 mei 2026. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 21 april 2026 heeft het college de jeugdhulp en het verblijf van [minderjarige] bij [zorginstelling 1] verlengd van 1 mei 2026 tot 31 mei 2026. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van het college. Via beeldverbinding hebben deelgenomen [naam 1] en [naam 2], gezinsconsulenten werkzaam bij [zorginstantie 1]. De door de voorzieningenrechter opgeroepen [naam 3], orthopedagoog werkzaam bij [zorginstelling 1], heeft ook via beeldverbinding deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. [minderjarige], geboren [geboortedatum] 2010, is in november 2023 gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis (ASS), niveau twee. Verzoekers hebben vanaf begin 2012 diverse hulpverlening ontvangen voor [minderjarige]. [minderjarige] woonde bij zijn ouders en zusje (geboren 2012). Sinds juni 2024 woont [minderjarige] niet meer bij zijn ouders en zusje vanwege een uithuisplaatsing. Hij verbleef sindsdien op diverse plekken, onder ander een klinische opname (afdeling ASS) van september 2024 tot januari 2025 bij [zorginstelling 2] [1] en (op basis van vrijwillig kader) bij de gesloten JeugdzorgPlus groep bij [zorginstelling 3] in [plaats 2] van 9 januari 2025 tot 30 augustus 2025. Ook was er in die periode sprake van een gezinsopname waarbij verzoekers ook in Harreveld verbleven.
3.1.
[zorginstantie 1], de organisatie die jeugd- en gezinshulp aanbiedt aan inwoners van [plaats 3], begeleidt verzoekers en [minderjarige] sinds 2024. Op 8 juli 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden met verzoekers, [minderjarige] en gezinsconsulente [naam 1]. Er is vervolgens een gezinsplan opgesteld waarin het verblijf van [minderjarige] bij [zorginstelling 1] is geadviseerd. Vanaf 30 augustus 2025 verblijft [minderjarige] bij [zorginstelling 1] te [plaats 1]. Het college heeft dit neergelegd in het besluit van 28 oktober 2025 met als toekenningsperiode 30 augustus 2025 tot en met 31 oktober 2025. Bij besluit van 18 november 2025 heeft het college de jeugdhulp en het verblijf bij [zorginstelling 1] verlengd van 1 november 2025 tot en met 30 november 2025. Tegen beide besluiten hebben verzoekers bezwaar gemaakt en ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend (25/8213). Verzoekers hebben het verzoek ingetrokken omdat het college bij besluit van 19 december 2025 de jeugdhulp en het verblijf bij [zorginstelling 1] heeft verlengd tot eind februari 2026.
3.2.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 december 2025 en vervolgens opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening ingediend (26/1279). Het verzoek is ter zitting van de voorzieningenrechter van 25 maart 2026 ingetrokken door verzoekers. In het proces-verbaal van de zitting is opgenomen dat de volgende afspraken zijn gemaakt:
“-
De gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van het college proberen de week na de zitting of de week daarna een gesprek in te plannen over jeugdhulp aan [minderjarige];
- bij dit gesprek zullen aanwezig zijn: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, maximaal 4 deskundigen personen (van Zorggroep [zorginstelling 1] en anderen), medewerkers van [zorginstantie 2] en twee medewerkers van [zorginstantie 1]; alle deelnemers kunnen tijdens het gesprek input geven op de onderwerpen die in het gesprek aan de orde komen;
- tijdens dit gesprek zullen in ieder geval de volgende vragen aan de orde komen:* wat is de hulpvraag van [minderjarige],* welke hulp is passend voor [minderjarige],* kan [zorginstantie 2] de hulp bieden die nodig is,* is overplaatsing van [minderjarige] mogelijk en* op welke termijn;”
3.3.
Op 9 april 2026 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen partijen (waarbij aanwezig: medewerkers van [zorginstantie 1], [zorginstantie 2], [zorginstelling 1] en verzoekers). Een gepland vervolggesprek op 29 april 2026 is uiteindelijk niet doorgegaan.
3.4.
Bij het bestreden besluit heeft het college nogmaals de jeugdhulp en het verblijf verlengd van 1 mei 2026 tot 31 mei 2026. Verzoekers hebben weer bezwaar gemaakt vanwege de korte toekenningsperiode en opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Op 28 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen en het college opgedragen de jeugdhulp en het verblijf van [minderjarige] bij [zorginstelling 1] tot twee weken na de zitting van de voorzieningenrechter op 18 juni 2026 te verlengen (2 juli 2026). Ter zitting is de ordemaatregel verlengd tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter (16 juli 2026).
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat [minderjarige] jeugdhulp nodig heeft. Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is het de voorzieningenrechter duidelijk geworden dat partijen verdeeld zijn over de vraag hoe de (omvang van de) hulpvraag (verder) onderzocht moet worden, welke informatie daarvoor nodig is en wie deze informatie kan en moet opvragen en aanleveren. Verzoekers hebben ter zitting benadrukt dat het onderzoek zorgvuldig moet gebeuren omdat anders de vooruitgang die [minderjarige] bij [zorginstelling 1] heeft geboekt teniet wordt gedaan. Voorspelbaarheid is van groot belang voor [minderjarige] en onzekerheid zal tot spanning en sociaal emotionele problemen bij hem leiden. De orthopedagoog heeft dit ter zitting ook toegelicht en onderstreept. Het college heeft benadrukt dat een actuele verklarende analyse en een perspectiefplan nodig zijn. De gezinsconsulenten hebben ter zitting toegelicht dat deze stukken nodig zijn om te kunnen beoordelen of een eventueel verblijf van [minderjarige] bij de inmiddels gecontracteerde jeugdhulpinstelling [zorginstantie 2], locatie [plaats 4], passend en haalbaar is voor [minderjarige]. Het college heeft verder benadrukt dat het ook van belang is om [minderjarige] zelf te spreken omdat hij bijna 16 jaar wordt en zijn stem van belang is bij de beoordeling van de passende verdere jeugdhulp.
4.1.
De voorzieningenrechter onthoudt zich, in het kader van deze spoedprocedure, expliciet van een voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling over het bestreden besluit. De vraag die partijen verdeelt houdt ziet met name op de invulling van de verdere voortzetting van de jeugdhulp aan [minderjarige]. Dit moet aan de orde komen in de bezwaar- en bodemprocedure.
4.2.
De voorzieningenrechter zal nu een belangenafweging maken. Het belang van het college is dat de voortzetting van de jeugdhulp goed onderzocht moet worden. In dat kader is het voor het college van belang om te onderzoeken of voortzetting van het verblijf van [minderjarige] bij [zorginstelling 1] passend is. De voorzieningenrechter begrijpt dat het college ook een financieel belang heeft, gelet op de hoge kosten vanwege het verblijf van [minderjarige] bij [zorginstelling 1] waarmee het college geen contract heeft.
Het belang van verzoekers is dat [minderjarige] bij [zorginstelling 1] kan blijven, waar hij volgens verzoekers passende hulp en begeleiding krijgt. Dit totdat duidelijk is dat verdere voorzetting van de hulpverlening op een eventuele andere plek, zoals een kleinschalige woongroep van [zorginstantie 2], op een voor [minderjarige] verantwoorde en veilige manier zal plaatsvinden.
Gelet op met name het belang van [minderjarige], valt de belangenafweging op dit moment in het voordeel van verzoekers en [minderjarige] uit. De orthopedagoog heeft ter zitting toegelicht dat [minderjarige] tot op heden intensieve begeleiding krijgt bij [zorginstelling 1], met name op sociaal-emotioneel vlak. [minderjarige] is snel overprikkeld en hij is gebaat bij voorspelbaarheid. Spanning zal leiden tot moeite met emotieregulatie. Dit blijkt ook uit de stukken van de behandelend sector, onder andere het diagnostisch beeld dat is beschreven in het recente onderzoeksverslag van OCRN [2] van 15 juni 2026.
4.3.
De voorzieningenrechter merkt nog het volgende op. De voorzieningenrechter verwacht van partijen dat ze verder uitvoering geven aan de afspraken zoals die onder 3.2. zijn weergegeven. Partijen dienen in ieder geval een tweede gesprek te plannen om verder te praten over de voortzetting van de jeugdhulp aan [minderjarige]. Het stappenplan dient daarbij leidend te zijn, wat is de hulpvraag van [minderjarige] en welke hulp is passend voor [minderjarige]. Vervolgens kan besproken worden of [zorginstantie 2] de hulp kan bieden die [minderjarige] nodig heeft. Tijdens dat gesprek kunnen partijen ook bespreken hoe [minderjarige] op een verantwoorde en veilige manier kan worden bevraagd naar zijn toekomstbeeld. Bijvoorbeeld in aanwezigheid van een vertrouwde begeleider voor [minderjarige], zoals ook tijdens het intakegesprek van 8 juli 2025 met de gezinsconsulente heeft plaatsgevonden. De recente stukken van onder andere OCRN kunnen partijen ook betrekken bij het tweede gesprek.
4.4.
De voorzieningenrechter spreekt tot slot de wens uit dat partijen op een constructieve manier zullen bijdragen aan het onderzoekstraject naar de verdere voortzetting van de hulpverlening aan [minderjarige]. De voorzieningenrechter hoopt dat partijen daarbij de belangen van [minderjarige] als kwetsbare minderjarige niet uit het oog verliezen. De voorzieningenrechter geeft partijen ten overvloede mee, gelet op de standpunten van partijen, om eventueel een onafhankelijke (medisch) deskundige en/of jeugdconsulent te betrekken bij het onderzoekstraject.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het college zal worden opgedragen om de jeugdhulp en het verblijf van [minderjarige] bij [zorginstelling 1] voort te zetten tot vier weken na de beslissing op bezwaar.
6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Daarom krijgen verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- draagt het college op om de jeugdhulp en het verblijf van [minderjarige] bij [zorginstelling 1] voort te zetten tot vier weken na de beslissing in bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Een gespecialiseerd centrum dat deel uitmaakt van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). Het biedt een breed scala aan diensten, waaronder poliklinische behandelingen en klinische opnames voor kinderen en jongeren die vastlopen in hun ontwikkeling door psychische problemen.
2.praktijk voor Kinder - & Jeugd GGZ en Specialistische dyslexiezorg