ECLI:NL:RBDHA:2026:17720
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak na afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond in een verlengde procedure. Verzoeker stelde beroep in tegen deze afwijzing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft zonder zitting uitspraak gedaan op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op dezelfde dag het beroep in de hoofdzaak heeft beslist, is een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening af. Gelet op de uitkomst van de beroepsprocedure veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,- voor het indienen van het verzoekschrift.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,-.