ECLI:NL:RBDHA:2026:17708

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27195
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiseres tegen een maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was op 14 april 2026 opgelegd en op 22 april 2026 opgeheven. Eiseres stelde dat de bewaring onrechtmatig was en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank beoordeelde of de bewaring onrechtmatig was en of een lichter middel had kunnen worden toegepast. Verweerder stelde dat er sprake was van een significant risico dat eiseres zich aan het toezicht zou onttrekken, onderbouwd met zware en lichte gronden uit het Vreemdelingenbesluit 2000. Eiseres betwistte enkele zware gronden, maar de rechtbank vond dat de onbestreden gronden voldoende waren om de bewaring te dragen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen lichter middel toepaste, omdat geen andere doeltreffende maar minder dwingende maatregelen mogelijk waren. De rechtbank beperkte haar toetsing tot de rechtmatigheid van de bewaring en liet het overdrachtstraject naar Spanje buiten beschouwing. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27195

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft op 22 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiseres heeft op 14 mei 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en daarbij verzocht om een schriftelijke behandeling van de zaak. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft besloten om, met instemming van verweerder, het verzoek van eiseres in te willigen.
Eiseres heeft een aanvullende gronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 26 mei 2026.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiseres zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met haar aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over haar identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiseres betwist de zware gronden 3e en 3k. Met betrekking tot zware grond 3e voert eiseres aan dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om toe te lichten hoe haar identiteitsgegevens in Spanje op andere wijze zijn geregistreerd. Voor wat betreft zware grond 3k voert eiseres aan dat zij zich niet ervan bewust was dat zij het beroep tegen de afwijzing van haar asielaanvraag niet in Nederland mocht afwachten. Zij heeft op geen moment de intentie heeft gehad om zich aan het toezicht te onttrekken of niet mee te werken aan haar overdracht.
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde zware grond 3a en de lichte gronden 4c en 4d, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De onbestreden zware grond 3a en de onbestreden lichte gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring reeds dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Gelet hierop behoeven de wel bestreden gronden geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
5. Eiseres betoogt dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Hiertoe voert eiseres aan dat er geen risico is dat zij zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder had dan ook met een meldplicht moeten volstaan.
6. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit de maatregel van bewaring een significant onttrekkingsrisico voortkomt. Verder heeft eiseres geen omstandigheden aangedragen waardoor de maatregel van bewaring als onredelijk bezwarend moest worden geacht. Zo had eiseres geen medische klachten en heeft zij ook geen omstandigheden aangevoerd in het gehoor die verweerder aanleiding hadden moeten geven om een lichter middel toe te passen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De overdracht van eiseres aan Spanje
8. In het aanvullend beroepschrift heeft de gemachtigde van eiseres diverse vragen opgeworpen ten aanzien van de Dublin-overdracht.
9. De rechtbank overweegt dat de toetsing van de rechtbank zich beperkt in dit beroep tot de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel. Wat zich heeft voorgedaan in het overdrachtstraject van eiseres naar Spanje valt om deze reden buiten het kader van dit beroep.
10. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Voor zover eiseres in slechte omstandigheden verkeert in Spanje, hetgeen niet is onderbouwd, zou zij zich tot de Spaanse autoriteiten moeten kunnen wenden op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.