ECLI:NL:RBDHA:2026:17664

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
AWB 26/4828
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging Landelijke Vreemdelingenvoorziening in Utrecht

De zaak betreft het bezwaar van eiseres tegen het besluit van de minister om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. De minister beëindigde de opvang en begeleiding op grond van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht per 1 januari 2025. Eiseres maakte bezwaar tegen deze beëindiging.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat eiseres geen procesbelang meer heeft. Dit volgt uit het feit dat zij geen gebruik meer maakt van de LVV-opvang, maar recht heeft op opvang via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) in verband met een lopende beroepsprocedure tegen de afwijzing van haar herhaalde asielaanvraag.

De rechtbank ziet geen feitelijke betekenis meer in de vraag naar de rechtmatigheid van de LVV-beëindiging voor eiseres. Tevens wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat deze termijn niet is overschreden en er geen onderbouwing van schade is gegeven.

Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om griffierechtvrijstelling wordt toegewezen.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de LVV is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/4828

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.
1.1.
Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Vrijstelling van betaling griffierecht

2. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.

Feiten

3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiseres heeft een dergelijk besluit gekregen. Zij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.1.
In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiseres geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiseres geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.
4.1.
Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. [1]
4.2.
In het bestreden besluit staat dat eiseres een beroepsprocedure aanhangig heeft gemaakt tegen de afwijzing van zijn herhaalde asielaanvraag. Zij heeft ook verzocht om een voorlopige voorziening. In deze procedure is nog geen uitspraak gedaan. Als gevolg hiervan heeft eiseres recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiseres geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.
4.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiseres dan ook geen feitelijke betekenis meer. Zij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiseres voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat het procesbelang van eiseres bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.
5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.
5.1.
De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).