ECLI:NL:RBDHA:2026:17628

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
09/313586-24 en 09/242575-25 (ttz.gev) en 13/174321-25 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 63 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belediging politieambtenaar, vernieling en diefstal zonder oplegging straf wegens ISD-maatregel

De rechtbank Den Haag heeft op 25 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van belediging van een politieambtenaar, vernieling van een deurruit en diefstal van winkelgoederen. De feiten vonden plaats op 1 oktober 2024 en 31 juli 2025. De verdachte werd schuldig bevonden aan alle ten laste gelegde feiten.

De rechtbank nam kennis van het strafblad van verdachte en van een recent opgelegde ISD-maatregel door de rechtbank Limburg op 15 mei 2026. Gezien deze maatregel en de verwachting dat deze zal worden omgezet in een ISD-VRIS-maatregel, besloot de rechtbank geen aanvullende straf of maatregel op te leggen conform artikel 9a Sr. De rechtbank oordeelde dat het niet opportuun is om naast de ISD-maatregel nog een straf op te leggen.

De vorderingen van de benadeelde partijen, waaronder immateriële schadevergoeding, werden niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan objectief bewijs van immateriële schade. Tevens werd een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf afgewezen omdat deze reeds was uitgevoerd.

De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en bepaalde dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt.

Uitkomst: Verdachte schuldig bevonden maar geen straf opgelegd vanwege reeds opgelegde ISD-maatregel; vorderingen benadeelden niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/313586-24 en 09/242575-25 (ttz. gev.) en 13/174321-25 (tul)
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in de P.I. [plaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 11 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Kamphuis en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte, mr. Y. Finani, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
dagvaarding I (parketnummer 09/313586-24)
hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te Zoetermeer opzettelijk een ambtenaar, te weten
[politieambtenaar] (politieagent bij eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, heeft beledigd, door die ambtenaar de woorden toe te voegen: ‘you kankerhomo’, althans woorden van gelijke beledigende aard of strekking;
dagvaarding II (parketnummer 09/242575-25)
1
hij op of omstreeks 31 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een deurruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan EG Group, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2
hij op of omstreeks 31 juli 2025 te ‘s-Gravenhage winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan EG Group, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle bij dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde feiten.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.3
De gebruikte bewijsmiddelen
Dagvaarding I (parketnummer 09/313586-24)
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024317598, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 18).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [politieambtenaar], opgemaakt op 1 oktober 2024, voor zover inhoudende (p. 13):
Omschrijving aangifteFeit: Belediging
Plaats delict: [adres 1] Zoetermeer
Pleegdatum/tijd: Tussen dinsdag 1 oktober 2024 om 11:54 uur en dinsdag 1
oktober 2024 om 12:24 uur.
Ik doe aangifte van belediging in de uitvoering als politieambtenaar. Ik ben
beledigd met de woorden: ‘You kankerhomo’ of woorden van gelijke strekking. Ik voelde mij beledigd en in mijn goede naam en eer aangetast.
2. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 1 oktober 2024, voor zover inhoudende (p. 16-17):
Op 1 oktober 2024 kregen wij, verbalisanten [politieambtenaar] en [verbalisant], een melding van het operationeel centrum te Den Haag om te gaan naar het Asielzoekerscentrum gevestigd aan de [adres 2] te Zoetermeer. Aangekomen zagen wij een man die later de verdachte [verdachte] geboren in [geboorteland] bleek te zijn. Ik, verbalisant [verbalisant], hoorde de man “You kankerhomo” zeggen en zag dat de man met zijn vinger in de richting van verbalisant [politieambtenaar] wees.
Dagvaarding II (parketnummer 09/242575-25)
Ten aanzien van feit 1:
De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 31 juli 2025, (p. 25).
4. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] namens slachtoffer EG GROUP, gevestigd op de [adres 3] te ’s-Gravenhage (Esso tankstation), opgemaakt op 31 juli 2025, (p. 5).
Ten aanzien van feit 2:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025258717, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 32).
5. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] namens slachtoffer EG GROUP, gevestigd op de [adres 3] te ’s-Gravenhage (Esso tankstation), opgemaakt op 31 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 5-6):
Omschrijving aangifte
Plaats delict: [adres 3] te 's-Gravenhage (ESSO TANKSTATION)
Pleegdatum/tijd: Op 31 juli 2025 omstreeks 01:55 uur
Ik wil aangifte doen van diefstal . Ik ben medewerker van het ESSO Tankstation gelegen aan de [adres 3] in Den Haag. Ik zag dat de man naar de koeling liep en meerdere verpakkingen redbull in de sporttas van het merk Boss deed. Ik zag dat hij een zak chips van het merk Chio en een Monster zero wilde afrekenen. Ik scande de producten en vroeg hem om de goederen die hij in zijn tas had gedaan ook af te rekenen. Hij liep naar de uitgang toe zonder dat hij betaald had. U zegt tegen mij dat er in zijn tas 4 keer een twee pack redbull sugarfree is aangetroffen en twee zakken doritos.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 31 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 13-14):
Ik, verbalisant, bekeek de camerabeelden die de Esso zelf heeft aangeleverd. Op deze beelden zag ik het volgende. Ik zag een man binnen komen lopen. Ik zag dat de man uit zijn rechter kontzak iets zwarts haalde. Het leek op een tas met witte opdruk BOSS. Ik zag hem twee keer een artikel uit de koeling pakken en deze in de zwarte tas, die hij vlak hiervoor uit zijn broek pakte, deed. Ik zag dat hij zich omdraaide naar de stelling met snacks. Ik zag dat hij twee artikelen pakte. Ik zag dat deze artikelen de kleur blauw hadden. Ik zag dat hij de overige artikelen in de tas stopte. Ik zag dat hij de tas dicht deed door te schudden en aan touwtjes te trekken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
dagvaarding I (parketnummer 09/313586-24)
hij op 1 oktober 2024 te Zoetermeer opzettelijk een ambtenaar, te weten [politieambtenaar] (politieagent bij eenheid Den Haag), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, heeft beledigd, door die ambtenaar de woorden toe te voegen: ‘you kankerhomo’.
dagvaarding II (parketnummer 09/242575-25)
1
hij op 31 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een deurruit die aan EG Group toebehoorde heeft vernield;
2
hij op 31 juli 2025 te ‘s-Gravenhage winkelgoederen die aan EG Group toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.Geen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr); schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat toepassing gegeven dient te worden aan artikel 9a Sr, nu de verdachte recentelijk bij vonnis van de rechtbank Limburg van 15 mei 2026 onherroepelijk is veroordeeld tot een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel). Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht te volstaan met de oplegging van een (symbolische) gevangenisstraf voor de duur van één dag. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte bijna drie maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht uit anderen hoofde, alvorens hem de ISD-maatregel is opgelegd. Dit voorarrest is niet van de duur van de ISD-maatregel afgetrokken. Daarmee is al gedekt wat er in de onderhavige strafzaak opgelegd zou kunnen worden. Bovendien is de verwachting dat de ISD-maatregel zal worden omgezet in een ISD-VRIS-maatregel, nu de verdachte binnenkort naar alle waarschijnlijk geen geldige verblijfsstatus meer heeft in Nederland en zal worden uitgezet naar het eigen land.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten, te weten belediging van een ambtenaar in functie, vernieling en winkeldiefstal. De verdachte heeft de politieambtenaar luid, voor meerdere burgers verstaanbaar en in het bijzijn van diens collega, beledigd. De politieambtenaar heeft verklaard dat hij zich door de woorden van verdachte in zijn goede naam en eer aangetast voelde. Met de vernieling en de diefstal bij tankstation Esso heeft de verdachte veel overlast veroorzaakt en tevens gevoelens van onveiligheid gecreëerd bij de medewerkster die op dat moment als enige aan het werk was bij het tankstation. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij sinds het incident gestopt is met werken en ook niet meer kan werken omdat zij erg bang is. Ook deze feiten rekent de rechtbank de verdachte aan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van soortgelijke zaken onherroepelijk is veroordeeld. Op grond daarvan is de oplegging van een gevangenisstraf in beginsel een passende en geboden reactie. Toch zal de rechtbank daar in dit geval van afzien om de volgende reden.
Bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Limburg van 15 mei 2026 is aan de verdachte een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren opgelegd. [1] Daarbij is de verwachting dat deze ISD-maatregel op korte termijn zal worden omgezet in een ISD-VRIS-maatregel. Daarnaast overweegt de rechtbank dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is. Indien de onderhavige strafzaken waren meegenomen op de zitting van de rechtbank Limburg van 1 mei 2026, zou er geen andere straf of maatregel aan de verdachte zijn opgelegd dan de bij onherroepelijk vonnis van 15 mei 2026 opgelegde ISD-maatregel. Een ISD-maatregel mag, zo blijkt uit jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 21 maart 2006, LJN AV1161), immers niet worden opgelegd in combinatie met een straf. De rechtbank acht het in deze omstandigheden niet opportuun om naast de ISD-maatregel die de verdachte reeds is opgelegd nog een straf of maatregel op te leggen voor de onderhavige, hem wel toe te rekenen, feiten. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat toepassing van artikel 9a Sr in dit geval op zijn plaats is en zal aan de verdachte geen straf of maatregel opleggen.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen

7.1
De vordering
Dagvaarding I (parketnummer 09/313586-24)
De heer [politieambtenaar] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 250,- bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Dagvaarding II (parketnummer 09/242575-25)
Mevrouw [aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 10.000,- bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van beide vorderingen.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht beide vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat beide vorderingen onvoldoende onderbouwd zijn. Daarbij is het ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [aangeefster] de vraag in hoeverre er sprake is van rechtstreekse schade. Hoewel de vernieling en de diefstal vervelende feiten zijn, zijn het geen feiten waar naar algemene aard psychische schade door kan ontstaan.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Dagvaarding I (parketnummer 09/313586-24)
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij [politieambtenaar] onvoldoende onderbouwd is en zal deze derhalve niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.
Dagvaarding II (parketnummer 09/242575-25)
Benadeelde partij [aangeefster] heeft aangevoerd dat zij na het incident gestopt is met haar werk bij tankstation Esso en tot op heden nog altijd niet kan werken omdat zij erg bang is. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de diefstal en de vernieling de benadeelde partij niet onberoerd hebben gelaten, bevat het dossier geen objectieve en concrete gegevens (zoals medische stukken) waaruit volgt dat zij als gevolg hiervan geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank kan, bij gebreke van relevante informatie daaromtrent, niet vaststellen of bij de benadeelde partij sprake is van immateriële schade. Nader onderzoek hiernaar zou tot een onevenredige belasting van het strafgeding leiden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

Dagvaarding II (parketnummer 09/242575-25)
8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van 24 april 2026 tot tenuitvoerlegging van de door de politierechter van de rechtbank Amsterdam op 7 juni 2025 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één week, nu voornoemde vordering reeds is toegewezen op de zitting van 27 augustus 2025.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging bepleit.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 13/174321-25 moet worden afgewezen, nu deze reeds volledig ten uitvoer is gelegd. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat de vordering geheel is toegewezen op de zitting van de politierechter in deze rechtbank van 27 augustus 2025.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I (met parketnummer 09/313586-24) en de bij dagvaarding II (met parketnummer 09/242575-25) onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van het bij dagvaarding I (09/313586-24) ten laste gelegde:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
ten aanzien van het bij dagvaarding II (09/242575-25) onder 1 ten laste gelegde:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
ten aanzien van het bij dagvaarding II (09/242575-25) onder 2 ten laste gelegde:
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde
geen straf of maatregelwordt opgelegd;
de vordering van de benadeelde partij [politieambtenaar]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
de vordering van de benadeelde partij [aangeefster]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 13/174321-25.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I.C. Kranenburg, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. M.S. Verboom, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. E. Assies en F.A.M. Schuijt, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2026.

Voetnoten

1.Vonnis van de rechtbank Limburg van 15 mei 2025, met vindplaats: ECLI:NL:RBLIM:2026:4784.