ECLI:NL:RBDHA:2026:17627

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
SGR 23/8126
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 7:15 AwbArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 2.12 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping primaire besluit en toekenning proceskosten in bezwaar bij omgevingsvergunning sportactiviteiten

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard om de omgevingsvergunning voor het gebruik van een kantoorpand als sportschool, na bezwaar, in stand te laten met een aangepast vergunningvoorschrift.

De rechtbank oordeelt dat het college het primaire besluit had moeten herroepen omdat de rechtsgevolgen van het besluit in bezwaar materieel zijn gewijzigd door uitbreiding van de activiteiten en toevoeging van een voorschrift over het maximaal aantal aanwezigen. Tevens had het college moeten beslissen op het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar, wat niet is gebeurd.

De rechtbank stelt dat de parkeerberekening van het college, gebaseerd op aangepaste CROW-kencijfers voor de lokale situatie, redelijk is en dat het vergunningvoorschrift over het maximum aantal personen handhaafbaar is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, herroept het primaire besluit, vernietigt het bestreden besluit voor zover het de proceskosten betreft, en veroordeelt het college tot betaling van €3.200 aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht van €365 aan eiseres. De overige rechtsgevolgen van de vergunning blijven in stand.

Uitkomst: Het primaire besluit wordt herroepen, proceskosten worden toegewezen, en de overige rechtsgevolgen van de omgevingsvergunning blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8126

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

Fit Depot Bergambacht B.V., uit Bergambacht, eiseres

(gemachtigde: mr. R.C. van Wamel),
en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard,

(gemachtigde: mr. A.D. Bouwman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Total Harmonyuit Bergambacht (vergunninghouder).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van het college van 26 oktober 2023. Bij dit besluit heeft het college de omgevingsvergunning voor het gebruiken van een kantoorpand aan de [adres] in [plaats] als sportschool, onder aanpassing van de motivering en onder het toevoegen van een vergunningvoorschrift, in stand gelaten.
1.1.
De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Van eiseres is een brief ingekomen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam 1] en [naam 2], de gemachtigde van het college, tevens de behandelend ambtenaar, vergezeld door mr. R. Brandwijk. Namens de vergunninghouder is [naam 3] verschenen.
2.4.
De rechtbank heeft de behandeling van het onderzoek in deze zaak ter zitting geschorst in afwachting van de uitkomst van een mediationtraject. Nadat dit traject niet tot een schikking heeft geleid en geen der partijen, daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld, heeft aangegeven een nadere zitting te willen, is het onderzoek gesloten op 21 mei 2026.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag is ingediend op 25 augustus 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Besluitvorming
4. Vergunninghouder heeft op 25 augustus 2021 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. De aanvraag ziet op het gebruik van het pand aan de [adres] te [plaats] voor sportactiviteiten met onder andere persoonlijke begeleiding. Dit gebruik is al in 2019 aangevangen. Aanleiding voor de aanvraag was de herroeping in bezwaar van een eerdere afwijzing van een handhavings-verzoek van eiseres. Daarna heeft het college het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan vergunninghouder bekendgemaakt.
4.1.
Met het primaire besluit van 20 juni 2022 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Bor. Het college heeft de vergunning verleend voor het gebruik van het kantoorpand als “personal trainingsstudio”.
4.2.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres en het advies van de Onafhankelijke Commissie voor de Bezwaarschriften van de gemeente Krimpenerwaard (de commissie) van 30 maart 2023, heeft het college het bestreden besluit genomen. Het college heeft hierbij vastgesteld dat de omgevingsvergunning in het primaire besluit voor minder activiteiten was verleend dan was aangevraagd. In het bestreden besluit heeft het college de vergunning alsnog verleend voor de volledige aanvraag (het bedrijven van sportactiviteiten, waaronder mede groepslessen en vrije fitness) en een voorschrift aan de omgevingsver-gunning verbonden ter beperking van het maximaal aantal aanwezigen. Het college heeft het primaire besluit onder aanpassing van de motivering en met toevoeging van dit voorschrift in stand gelaten.
Innerlijke tegenstrijdigheid van de beslissing en de proceskosten in bezwaar
5. Eiseres voert onder verwijzing naar artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan dat de beslissing op bezwaar innerlijk tegenstrijdig is. Enerzijds stelt het college het advies van de commissie (dat strekt tot herroeping) over te nemen, maar anderzijds laat het college het primaire besluit onder aanpassing van de motivering in stand. Omdat sprake is van een materiële wijziging in de rechtsgevolgen, had het college het primaire besluit moeten herroepen en een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase moeten toekennen, aldus eiseres.
5.1.
Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt op grond van het bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaats. Indien de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het primaire besluit en neemt het, voor zover nodig, een nieuw besluit. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is sprake van een herroeping indien de rechtsgevolgen van het primaire besluit worden ingetrokken of gewijzigd. [1]
5.2.
De rechtbank stelt vast dat het college met het bestreden besluit de omgevingsvergunning alsnog heeft verleend voor de volledige aanvraag (inclusief groepslessen en vrije fitness), terwijl het primaire besluit de vergunning nog beperkte tot een ‘personal trainingsstudio’. Ook is in bezwaar een voorschrift aan de vergunning verbonden waarmee de bezoekersaantallen worden begrensd. Hiermee heeft het college de rechtsgevolgen van het primaire besluit gewijzigd. Het college had het primaire besluit daarom moeten herroepen. Nu het college dat heeft nagelaten, is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:11 van Pro de Awb.
5.3.
Daarnaast had het college moeten beslissen op het verzoek om een proceskostenvergoeding in bezwaar, waar eiseres via de opmerking ‘kosten rechtens’ in het bezwaarschrift om heeft verzocht. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat het college op dit verzoek heeft beslist. Het bestreden besluit is daarom ook in strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Awb, dat voorschrijft dat het bestuursorgaan bij de beslissing op het bezwaar op dit verzoek beslist. [2]
5.4.
De beroepsgrond slaagt.
5.5.
De rechtbank zal hieronder onderzoeken of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven.
De parkeerbehoefte en de gehanteerde berekening
6. Eiseres betoogt dat de parkeerberekening onjuist is en berust op een doelredenering. Zij voert aan dat de CROW-kencijfers zijn onderschat en dat een objectief onderzoek naar de parkeerdruk in de openbare ruimte ontbreekt.
6.1.
Ter plaatse geldt het “Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard” (Parapluplan). In artikel 3.1.1 daarvan is bepaald dat moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig de toepasselijke CROW-publicaties. Artikel 3.1.2 bevat een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor situaties waarin niet op eigen terrein in de parkeerbehoefte kan worden voorzien. Aan deze bevoegdheid is onder c de voorwaarde gekoppeld dat uit parkeeronderzoek moet blijken dat de parkeerdruk in het openbaar gebied niet toeneemt.
6.2.
De rechtbank overweegt dat het college voor de vaststelling van de parkeerbehoefte niet verplicht is om de parkeerkencijfers van het CROW over te nemen. Het heeft de vrijheid om in afwijking van deze cijfers eigen, op de plaatselijke situatie afgestemde, parkeerkencijfers vast te stellen. [3] Het college heeft vastgesteld dat op het eigen terrein van vergunninghouder op basis van saldering 10 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Onder verwijzing naar veldwerkonderzoek van het CROW en verkeerskundig advies van Goudappel van 12 juni 2023 naar de bezettingsgraad van auto’s bij fitnesscentra, heeft het college overwogen dat voor de situatie ter plaatse de landelijke ‘modal split’ (die voor stedelijke gebieden uitgaat van 40% autogebruik) voor de specifieke lokale situatie in de plattelandsgemeente [plaats] moet worden gecorrigeerd naar een verhouding van 60% autogebruik en 40% overig vervoer. Hiervan uitgaande en van een objectieve autobezettingsgraad van 1,2 personen per auto, genereert de aanwezigheid van maximaal 20 personen een feitelijke parkeerbehoefte van exact 10 parkeerplaatsen (20 × 60% / 1,2 = 10).
6.3.
De rechtbank stelt vast dat er voor fitnesscentra geen specifieke parkeerkencijfers zijn. De bepaling van de parkeerbehoefte op de door het college gekozen basis komt de rechtbank niet onredelijk voor. Dat betekent dat het college heeft mogen uitgaan van een parkeerbehoefte van 10 parkeerplaatsen bij een aanwezigheid van maximaal 20 personen in de sportfaciliteit. Om deze maximale aanwezigheid te borgen heeft het college het volgende voorschrift aan de vergunning verbonden: “Er mogen maximaal 20 personen gelijktijdig in het pand gelegen aan de [adres] te [plaats] aanwezig zijn.” Gelet daarop is er geen sprake van een (binnenplanse) afwijking van het Parapluplan. De afwijkingsbevoegd-heid van artikel 3.1.2 komt immers pas aan bod wanneer niet op eigen terrein in de parkeerbehoefte kan worden voorzien. Aan de grond met betrekking tot de afwijkingsbevoegdheid van artikel 3.1.2 komt de rechtbank daarom niet toe. Eiseres heeft geen eigen verkeerskundig tegenadvies ingebracht dat grond biedt voor een ander oordeel.
6.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
De handhaafbaarheid van het vergunningvoorschrift
7. Eiseres voert aan dat het vergunningvoorschrift dat de aanwezigheid van personen tot 20 beperkt niet handhaafbaar is, omdat controle alleen mogelijk is als er continu een toezichthouder voor de deur staat.
7.1.
De rechtbank overweegt dat een voorschrift vanuit het oogpunt van rechtszekerheid voldoende duidelijk en concreet moet zijn geformuleerd. Het vergunningvoorschrift voldoet aan dit vereiste.
7.2.
De omstandigheid dat naleving van dit voorschrift in de praktijk alleen kan worden gecontroleerd door fysieke controles en tellingen door een toezichthouder, maakt niet dat het voorschrift niet handhaafbaar is. Dat eiseres verwacht dat dit in de praktijk niet zal gebeuren, is een aanname die niet afdoet aan de handhaafbaarheid van het voorschrift.
7.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Strijd met het gelijkheidsbeginsel
8. Eiseres voert aan dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Daartoe stelt zij dat zij bij haar eigen vergunningverlening in 2019 onder hetzelfde toetsingskader en Parapluplan strikt is gehouden aan de verplichting om op eigen of gehuurde grond parkeerplaatsen te realiseren, terwijl het college de parkeereis voor vergunninghouder soepeler heeft gehanteerd.
8.1.
Het gelijkheidsbeginsel verplicht het college om gelijke gevallen gelijk te behandelen, en ongelijke gevallen ongelijk naar de mate waarin zij van elkaar verschillen.
8.2.
Uit de dossierstukken en wat ter zitting is besproken blijkt dat de sportschool van eiseres en die van vergunninghouder van elkaar verschillen qua omvang en bruto vloeroppervlakte. Nu de ruimtelijke omvang van de faciliteiten ongelijk is, is geen sprake van gelijke gevallen. Daar komt nog bij dat niet gebleken is dat ook in het geval van eiseres de mogelijkheid bestond het aantal aanwezigen zodanig te beperken dat aan de parkeereis kon worden voldaan. Dat het college bij het vaststellen van de parkeereis voor de sportschool van eiseres destijds tot een andere uitkomst is gekomen dan in de onderhavige zaak, levert dan ook geen schending van het gelijkheidsbeginsel op.
8.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9.1.
Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.3 is overwogen, had het college het primaire besluit moeten herroepen en de proceskosten van eiseres in bezwaar moeten vergoeden. In zoverre kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Het beroep is dan ook gegrond. Gelet op hetgeen onder 6 tot en met 8.3 is overwogen, kunnen de rechtsgevolgen in stand blijven.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.
8.2.
De rechtbank veroordeelt het college in de door eiseres in bezwaar en in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 3.200,- (1 punt voor het indienen van bezwaar en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,-. Voorts 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • doende wat het college had moeten doen: herroept het primaire besluit;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de weigering de proceskosten in bezwaar te vergoeden;
  • laat de rechtsgevolgen voor het overige in stand;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT4739.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR7993
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:492.