Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De bewijsbeslissing
De rechtbank zal de verdachte daarom zonder nadere motivering vrijspreken.
Rechtbank Den Haag
De strafzaak tegen de verdachte, geboren in 2007, betrof medeplichtigheid aan afpersing op 12 maart 2025 in Delft. De verdachte zou medeverdachte hebben geholpen door te wijzen op een bestelling op naam van de benadeelde, medeverdachte naar het adres van de benadeelde te laten rijden en hem te vergezellen bij diens woning.
Tijdens de terechtzitting op 4 juni 2026 pleitte zowel de officier van justitie als de raadsman van de verdachte voor vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om de verdachte strafbaar te achten en sprak hem daarom vrij zonder nadere motivering.
De benadeelde partij had een schadevergoeding gevorderd van ruim €19.000, bestaande uit materiële en immateriële schade. De rechtbank verklaarde deze vordering niet-ontvankelijk omdat de verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Tevens werden de kosten die de verdachte tot dan toe had gemaakt voor zijn verdediging begroot op nihil en werd de benadeelde partij veroordeeld in deze kosten.
Tot slot werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Het vonnis werd uitgesproken door drie kinderrechters op 18 juni 2026 in de rechtbank Den Haag.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplichtigheid aan afpersing wegens onvoldoende bewijs.