ECLI:NL:RBDHA:2026:17618
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende economische en sociale binding met land van herkomst
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een visum voor kort verblijf, maar de minister van Buitenlandse Zaken wees dit verzoek af wegens twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze afwijzing.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende objectief bewijs leverde van een economische binding met Marokko. Hoewel eiser aangaf als koerier te werken en contant betaald te worden, ontbraken schriftelijke arbeidsovereenkomsten en betrouwbare loonstroken. Overgelegde documenten waren deels niet op naam van eiser of boden onvoldoende bewijs van inkomen. Ook de sociale binding met Marokko werd onvoldoende onderbouwd; de zorg voor zijn vader was niet aannemelijk gemaakt en er was geen bewijs dat niemand anders deze zorg kon overnemen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht oordeelde dat er geen voldoende aanwijzingen zijn dat eiser een zodanige economische en sociale binding met Marokko heeft dat tijdige terugkeer gewaarborgd is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende economische en sociale binding met het land van herkomst.