Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17618

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL24.50205
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 VisumcodeArt. 32 Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende economische en sociale binding met land van herkomst

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een visum voor kort verblijf, maar de minister van Buitenlandse Zaken wees dit verzoek af wegens twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze afwijzing.

De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende objectief bewijs leverde van een economische binding met Marokko. Hoewel eiser aangaf als koerier te werken en contant betaald te worden, ontbraken schriftelijke arbeidsovereenkomsten en betrouwbare loonstroken. Overgelegde documenten waren deels niet op naam van eiser of boden onvoldoende bewijs van inkomen. Ook de sociale binding met Marokko werd onvoldoende onderbouwd; de zorg voor zijn vader was niet aannemelijk gemaakt en er was geen bewijs dat niemand anders deze zorg kon overnemen.

De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht oordeelde dat er geen voldoende aanwijzingen zijn dat eiser een zodanige economische en sociale binding met Marokko heeft dat tijdige terugkeer gewaarborgd is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende economische en sociale binding met het land van herkomst.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.50205
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1988, van Marokkaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S. Petkovic),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Post).

Inleiding

1. Met het primaire besluit van 24 juli 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser om de afgifte van een visum kort verblijf afgewezen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 5 februari 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld voor de zitting.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. In het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen op de gronden dat (i) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en (ii) er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten.
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder enkel de afwijzingsgrond dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten gehandhaafd. Omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is, heeft verweerder afgezien van het horen van eiser.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag voor een visum kort verblijf op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Toetsingskader
5. Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. [1] Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. [2] Verweerder kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en/of sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.
6. Het is aan de aanvrager om de documenten over te leggen die verweerder nodig heeft om een aanvraag te kunnen beoordelen. Dit volgt uit artikel 14, eerste lid en artikel 32, eerste lid, van de Visumcode. Voor aanvragen van een visum voor kort verblijf hanteert verweerder een checklist. Op die checklist staat vermeld welke documenten een aanvrager moet overleggen.
Economische binding met Marokko
7. Eiser en stelt dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van economische binding met Marokko. Eiser heeft immers duidelijkheid verschaft over zijn werk en inkomen. Eiser werkt momenteel als koerier bij [bedrijf 1] en verdient hij een maandelijks salaris van 2.000 Marokkaanse dirham. Eiser beschikt niet over een schriftelijke arbeidsovereenkomst en ontvangt zijn salaris contant, waardoor hij geen loonstroken kan overleggen. Dit is in Marokko, met name in de transportbranche, een gangbare praktijk. In dit opzicht verkeert eiser tot op zekere hoogte in bewijsnood. Desondanks heeft eiser met de overgelegde stukken op zijn minst een begin van bewijs geleverd om zijn economische binding met Marokko aan te tonen.
7.1.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser de economische binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Eiser heeft niet met objectief verifieerbare stukken aangetoond dat hij daadwerkelijk inkomen uit arbeid ontvangt. Ter onderbouwing van het salaris heeft eiser een ‘Attestation de déclaration des salaires’ met nummer [nummer] van [bedrijf 2] overgelegd. De naam en de geboortedatum op het overgelegde stuk komen, zoals verweerder op de zitting heeft aangevoerd, echter niet overeen met die van eiser. Verder heeft eiser een leverbon van gebak en koekjes gedateerd van 13 september 2024 overgelegd, maar hieruit blijkt niet of eiser degene is die geleverd heeft en welke inkomsten hij hiervoor heeft ontvangen. Eiser heeft meerdere stukken ten aanzien van de autoverzekering overgelegd, waarop staat dat de auto voor het hele jaar 2025 verzekerd is en dat deze auto wordt gebruikt voor het transport van goederen. Met de overgelegde stukken maakt eiser weliswaar aannemelijk dat hij weleens goederen transporteert, maar hiermee is niet aangetoond dat eiser het gestelde salaris ook daadwerkelijk ontvangt. Eiser stelt dat hij betalingen contant ontvangt, maar hij heeft niet toegelicht waarom er geen andere stukken kunnen worden overgelegd waarmee de economische binding kan worden onderbouwd, zoals een verklaring van zijn werkgever. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van een economische binding met Marokko omdat niet is gebleken dat eiser over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt om zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien.
Sociale binding met Marokko
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat wel degelijk sprake is van een sterke sociale binding met zijn gezinsleden en daarmee met Marokko. Eisers moeder is recent overleden, waardoor hij nu alleen met zijn vader woont. Eisers vader is 71 jaar oud en kampt met diverse medische klachten. Hij heeft veel hulp en ondersteuning nodig bij zijn dagelijkse bezigheden, en eiser, als inwonende zoon, biedt hem die ondersteuning. Verder is van belang dat eiser deel uitmaakt van een hecht gezin, bestaande uit zijn vader, drie zussen en twee broers, die allen in Marokko wonen en niet met hem meereizen naar Nederland. Ook is eiser in Marokko geboren en getogen en heeft hij daar een sociaal leven opgebouwd. Eiser en referent hebben bewust gekozen voor een latrelatie. Indien eiser en referent in de toekomst besluiten te gaan samenwonen, is het de bedoeling dat referent naar Marokko emigreert en bij eiser en zijn vader gaat wonen. Eiser heeft nog geen kennis kunnen maken met zijn schoonfamilie in Nederland.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn sociale binding met Marokko onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De gestelde zorgtaken die eiser voor zijn vader uitvoert zijn niet onderbouwd en niet is aangetoond dat niemand anders (zoals één van de broers en zussen van eiser in Marokko) deze zorgtaken kan overnemen. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zodanige sociale binding met Marokko vanwege de zorg voor zijn vader, dat hij op basis daarvan gehouden zou zijn tijdig terug te keren naar Marokko. De gemachtigde van eiser en referent zijn ook niet op de zitting verschenen om de sociale binding van eiser met Marokko verder toe te lichten.
9. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat er geen aanwijzing is dat eiser dusdanige economische en sociale binding heeft met zijn land van herkomst dat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode.
2.Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.