Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17580

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.39309
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf grootmoeder wegens belangenafweging gezinsleven

De zaak betreft het beroep van een referent tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn grootmoeder. De minister had de aanvraag afgewezen met een belangenafweging waarin het Nederlandse belang zwaarder woog dan het gezinsleven van de referent en zijn grootmoeder.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de sterke banden van de grootmoeder met Syrië en mogelijk Turkije in het nadeel van de referent zijn meegewogen, terwijl vaststaat dat het gezinsleven in die landen niet kan worden voortgezet. Dit is in strijd met het motiveringsbeginsel, waardoor het beroep gegrond is en het besluit wordt vernietigd.

Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de minister ook zonder deze motivering de belangenafweging in het nadeel van de referent mocht laten uitvallen. De minister heeft terecht meegewogen dat de moeder de primaire verzorger is, het gezinsleven op afstand kan worden uitgeoefend, en dat de grootmoeder waarschijnlijk een beroep zal doen op publieke voorzieningen. De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan de referent.

Uitkomst: Het beroep is gegrond wegens onvoldoende motivering, maar de afwijzing van de aanvraag mvv blijft in stand vanwege een juiste belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39309

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser/referent] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/referent

(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: H.J. Metselaar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van referent (tevens eiser) voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn grootmoeder [naam] . Referent is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Referent heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn moeder, broer, zussen en grootmoeder. De aanvraag voor de moeder, broer en zussen van referent is ingewilligd. De aanvraag voor de mvv voor grootmoeder heeft de minister met het besluit van 21 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 juli 2025 heeft de minister het bezwaar van referent ongegrond verklaard.
2.1.
Referent heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Referent en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvraag voor een mvv voor de grootmoeder van referent afgewezen. Volgens de minister heeft referent de identiteit van en de familierechtelijke relatie met zijn grootmoeder aannemelijk gemaakt. Ook het gezinsleven tussen referent en zijn grootmoeder is aannemelijk gemaakt. Volgens de minister komt echter meer gewicht toe aan het belang van de Nederlandse staat dan aan het belang van referent, zijn broertje en zusjes en zijn grootmoeder om het gezinsleven in Nederland uit te oefenen.
3.1.
De minister heeft het familie- en gezinsleven tussen referent en zijn grootmoeder in zijn voordeel gewogen. De objectieve belemmering om het familieleven uit te voeren in het land van herkomst is zwaar in zijn voordeel gewogen. De aard en intensiteit van het familieleven wordt in het voordeel gewogen, maar met weinig zwaarte. De reden daarvoor is dat niet aannemelijk is geworden dat de zorgrelatie niet door moeder ingevuld kan worden. Zij nam altijd al de belangrijkste beslissingen. In het nadeel wordt gewogen dat het gezinsleven niet in Nederland uitgevoerd hoeft te worden. Het is mogelijk om telefonisch contact met grootmoeder te hebben, zoals nu ook gebeurt. Het belang van het kind (referent, zijn broertje en zusjes) wordt niet in het voordeel gewogen, omdat de moeder de primaire verzorger en opvoeder was en de band met de moeder belangrijker en sterker is dan die met de grootmoeder. De sterke band van grootmoeder met het land van herkomst weegt vanwege de objectieve belemmering licht in het nadeel. Het ontbreken van sterke banden met Nederland weegt in het nadeel. De minister overweegt dat de grootmoeder sterkere banden heeft met Libanon en Turkije dan met Nederland, maar volgt referent in het bezwaar dat het gezinsleven niet in Turkije voortgezet kan worden.
3.2.
De minister weegt ook de belangen van de Nederlandse staat. Die wegen zwaar in het nadeel van referent. Het restrictief toelatingsbeleid weegt in het nadeel. De grote economische belangen van Nederland wegen zwaar in het nadeel. Dat referent en zijn moeder geen of onvoldoende middelen van bestaan hebben weegt minder zwaar in het nadeel, vanwege de leeftijd van referent en het korte verblijf in Nederland. In het nadeel weegt dat de grootmoeder voor langere tijd gebruik zal maken van de openbare kas en de publieke voorzieningen. Vanwege de leeftijd van de grootmoeder verwacht de minister niet dat zij nog gaat werken. Ook heeft zij zorg nodig en zal zij dus naar verwachting direct een beroep gaan doen op de medische zorg in Nederland.
Mocht de minister de belangenafweging in het nadeel van referent laten uitvallen?
4. Referent en de minister zijn het erover eens dat er een familierechtelijke relatie bestaat tussen referent en grootmoeder, en dat er sprake is van gezinsleven tussen beide. Ter discussie staat de vraag of de minister de belangenafweging in het nadeel van referent mocht laten uitvallen. De gronden van beroep richten zich tegen onderdelen van die belangenafweging.
4.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiser moet toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Als dat het geval is, toetst de rechtbank of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met die afweging een ‘fair balance’ is gevonden tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van de vreemdeling en het Nederlandse algemeen belang. De bestuursrechter moet zonder terughoudendheid toetsen of de minister alle feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. De uitkomst van de door de minister gemaakte belangenafweging moet de bestuursrechter enigszins terughoudend toetsen. [1]
Uitoefenen gezinsleven in het land van herkomst en in een derde land
4.2.
Referent stelt dat de minister ten onrechte de banden van grootmoeder met Syrië tegenwerpt. Er is immers sprake van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen. De banden van grootmoeder met Syrië kunnen daarom niet negatief meewegen.
4.3.
Uit Werkinstructie (WI) 2020/16 volgt dat de minister tegenover belemmeringen gelegen in het land van herkomst die het uitoefenen van het gezinsleven aldaar bemoeilijken, de binding met het land van herkomst betrekt die het uitoefenen van het familie- of gezinsleven daar vergemakkelijkt. [2] De minister heeft in het bestreden besluit vastgesteld dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen. Dat betekent dat het uitoefenen van het gezinsleven in Syrië door referent en zijn grootmoeder niet alleen wordt bemoeilijkt, maar onmogelijk is. De rechtbank vindt het dan ook niet begrijpelijk dat de minister desondanks in het nadeel van referent weegt dat grootmoeder sterke banden met Syrië heeft. Het blijft voor referent immers onmogelijk om het gezinsleven met zijn grootmoeder in Syrië uit te oefenen. De minister heeft niet uitgelegd waarom factoren die het uitoefenen van het familie- of gezinsleven in Syrië zouden vergemakkelijken dan nog (licht) in het nadeel gewogen worden, terwijl het voor de hand ligt dat die factoren vanwege de objectieve belemmering in dit geval geen verschil kunnen maken. Ook op de zitting heeft de minister niet duidelijk gemaakt waarom de banden van grootmoeder met Syrië desondanks in het nadeel van referent wegen. De minister heeft aangegeven dat het in de algehele belangenafweging meegenomen wordt, maar heeft niet duidelijk gemaakt wat dan maakt dat het in het nadeel gewogen wordt.
4.4.
Referent stelt daarnaast dat de minister ten onrechte de banden van grootmoeder met Turkije tegenwerpt. De minister erkent namelijk dat het gezinsleven niet in Turkije voortgezet kan worden en dat er dus sprake is van een objectieve belemmering. De minister mocht de banden met Turkije dan ook niet in het nadeel van referent wegen.
4.5.
Uit WI 2020/16 volgt dat de binding met een derde land wordt betrokken in het kader van de vraag of het gezinsleven in een ander land dan het land van herkomst kan worden uitgeoefend. Daarbij moet de minister ook beoordelen of er ten aanzien van dit derde land belemmeringen zijn die het uitoefenen van het familie- of gezinsleven aldaar onmogelijk maken of bemoeilijken. [3] De minister stelt in het bestreden besluit vast dat het gezinsleven niet in Turkije kan worden uitgeoefend. De minister neemt de band van grootmoeder met Turkije wel mee in zijn afweging. In het primaire besluit heeft de minister dit in het nadeel van referent gewogen. In het bestreden besluit geeft de minister niet expliciet aan of dit nog steeds in het nadeel weegt. Voor zover dat nog steeds in het nadeel is gewogen, vindt de rechtbank de gegeven motivering niet begrijpelijk. Zoals de rechtbank hierboven immers heeft vastgesteld, worden conform de Werkinstructie de banden met een derde land betrokken om te beoordelen of het gezinsleven daar kan worden uitgeoefend. Daarvan heeft de minister vastgesteld dat dat niet mogelijk is in Turkije. De minister heeft niet uitgelegd waarom de banden met Turkije buiten dat aspect om in het nadeel zouden wegen.
4.6.
Gelet op het bovenstaande heeft de minister het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Het beroep slaagt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Op de zitting heeft de minister echter gesteld dat de belangenafweging ook zonder dit deel van de motivering in het nadeel van referent uitvalt. De rechtbank onderzoekt daarom of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Uitoefenen gezinsleven op afstand
4.7.
Referent stelt dat de minister onterecht tegenwerpt dat hij op afstand contact kan blijven houden met grootmoeder. De minister stelt contact op afstand ten onrechte gelijk aan het uitoefenen van gezinsleden.
4.8.
De rechtbank volgt het standpunt van referent niet. Anders dan referent aanvoert, stelt de minister in het bestreden besluit niet dat het hebben van contact op afstand hetzelfde is als het uitoefenen van gezinsleven in Nederland. De minister heeft op zitting ook toegelicht dat dit niet hetzelfde is. De mogelijkheid van het hebben van telefonisch contact is wel een alternatief dat de minister in het kader van zijn belangenafweging mocht meewegen. Die motivering is naar het oordeel van de rechtbank niet onjuist of onvolledig.
Belangen van het kind
4.9.
Referent stelt dat de minister de belangen van de kinderen onvoldoende bij het besluit heeft betrokken. Als minderjarigen hebben zij belang bij de uitoefening van het gezinsleven zoals zij dat gewend waren. Hun belang om bij moeder te verblijven doet niet af aan hun belang bij het verblijf met grootmoeder.
4.10.
De rechtbank volgt het standpunt van referent niet. De minister heeft kenbaar betrokken dat referent, zijn broertje en zijn zusjes ten tijde van het besluit minderjarig waren, dat zij enkele jaren met hun grootmoeder hebben samengewoond en dat grootmoeder hen voor een deel heeft verzorgd en opgevoed. De minister heeft echter ook betrokken dat moeder de primaire verzorgster is van referent en zijn broertje en zusjes, en dat zij samen het kerngezin vormen. De minister heeft daarom minder gewicht toegekend aan het belang van referent en zijn broertje en zusjes om met hun grootmoeder te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is die motivering niet onjuist of onvolledig.
Economische belangen van de staat
4.11.
Referent stelt dat de minister ten onrechte de kansen van referent op de arbeidsmarkt diskwalificeert. Referent heeft al snel Nederlands geleerd en (bijna) een opleiding in de zorg afgerond. Het is algemeen bekend dat in de zorg een groot tekort aan werknemers bestaat. Referent maakt dan ook een goede kans om een baan te vinden en inkomen te genereren. De minister had deze omstandigheid daarom anders moeten wegen.
4.12.
De rechtbank volgt het standpunt van referent niet. Referent voldoet nu niet aan het normbedrag. Hij studeert en heeft een bijbaantje, en zijn moeder ontvangt een uitkering. De minister mocht daarom concluderen dat referent en zijn moeder onvoldoende middelen van bestaan hebben om in de kosten van levensonderhoud voor grootmoeder te voorzien. De stelling van referent dat hij goede kansen op de arbeidsmarkt heeft omdat hij bijna een opleiding heeft afgerond en er veel vraag naar werknemers in de zorg is, maakt dat oordeel niet anders. De minister stelt terecht dat het verkrijgen van werk door referent een toekomstige onzekere gebeurtenis is. Referent heeft niet aan de hand van concrete feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij op korte termijn inkomen uit loondienst heeft, en dat dat inkomen voldoende is om in het levensonderhoud van grootmoeder te voorzien. De minister heeft daarnaast in zijn afweging betrokken dat referent nog jong is en studeert, en dat moeder nog maar kort in Nederland verblijft. De minister heeft daarom minder gewicht toegekend aan de omstandigheid dat referent en zijn moeder onvoldoende middelen van bestaan hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is die motivering niet onjuist of onvolledig.
Conclusie
4.13.
De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de band van grootmoeder met Syrië (en mogelijk ook Turkije) in het nadeel van referent weegt. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om de afwijzing van de aanvraag voor een mvv in stand te laten. De minister heeft op de zitting gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt, óók als geen waarde toekomt aan de banden van grootmoeder met Syrië en Turkije. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister tot die afweging komen. De minister heeft namelijk in het nadeel van referent mogen wegen dat moeder de voornaamste verzorger van referent en zijn broertje en zusjes is, dat de band tussen referent en zijn grootmoeder niet heel sterk is, en dat het gezinsleven op afstand kan worden uitgeoefend. Ook heeft de minister mogen meewegen dat referent onvoldoende middelen van bestaan heeft en dat de kans groot is dat grootmoeder gebruik zal maken van publieke voorzieningen. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met de gemaakte afweging (minus de negatieve weging van de banden met Syrië en eventueel Turkije) een ‘fair balance’ is gevonden tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van de vreemdeling en het Nederlandse algemeen belang.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat de minister de belangenafweging in het nadeel van referent mocht laten uitvallen. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag voor een mvv in stand blijft.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 juli 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. T.G. Bijvank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187.
2.Werkinstructie 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro, p. 23.
3.Werkinstructie 2020/16, p. 23.