ECLI:NL:RBDHA:2026:17577

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.32754
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 VwArt. 31 lid 1 VwArt. 30b lid 1 sub g VwArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen afwijzing opvolgende asielaanvraag Irak wegens onvoldoende geloofwaardigheid en risico

Eiser, een Iraakse nationaliteit, diende een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij vanwege zijn kritische uitlatingen op sociale media, een vogelvrijverklaring door zijn stam en afvalligheid van de islam vervolging en ernstige schade bij terugkeer naar Irak zou lopen.

De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de problemen vanwege de buitenechtelijke relatie en de vogelvrijverklaring niet geloofwaardig waren, mede door inconsistenties en gebrek aan bewijs van bekendheid bij de familie van de ex-partner. Ook achtte de rechtbank de afvalligheid niet aannemelijk, aangezien eiser zichzelf nooit als moslim heeft beschouwd en seculier leefde.

Verder werd geoordeeld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als politiek activist wordt gezien of dat hij door milities wordt gezocht. Zijn online activiteiten bereikten een te beperkt publiek en er was geen bewijs dat de Iraakse autoriteiten hiervan op de hoogte zijn. De rechtbank concludeerde dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging of risico op ernstige schade bij terugkeer heeft.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter E.C. Harting op 9 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32754

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer 1] , eiser

mede namens zijn zoon:
[zoon eiser], V-nummer: [nummer 2]
(gemachtigde: mr. W.C. Boelens)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Izat).

Procesverloop

1. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.32755), op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
2.1.
Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1972. Hij heeft op 21 maart 2023 een opvolgende asielaanvraag ingediend.
2.2.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij laat zich op meerdere sociale media kanalen kritisch uit over de Iraakse autoriteiten en is via sociale media meermaals bedreigd vanwege zijn uitlatingen. Daarnaast heeft eiser in november 2022 een vogelvrijverklaring ontvangen van zijn stam. Hierin wordt aangegeven dat milities en de clan van eisers ex-partner hem zoeken en dat zijn stam afstand van hem neemt
.Ook is eiser afvallig van de islam.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • problemen vanwege eisers buitenechtelijke relatie;
  • afvalligheid en seculier leven;
  • politieke overtuiging en activiteiten en de problemen hierdoor.
3.1.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen vanwege eisers buitenechtelijke relatie acht verweerder niet geloofwaardig. Verweerder acht het verder niet geloofwaardig dat eiser afvallig is van de islam, maar wel dat eiser seculier leeft. Eisers politieke overtuiging en activiteiten en de problemen hierdoor acht verweerder deels geloofwaardig. Dat eiser online is bedreigd door mensen die hij niet kende vanwege zijn online berichten met kritiek op de Iraakse autoriteiten vindt verweerder wel geloofwaardig. Dat hij door milities wordt gezocht vanwege zijn politieke overtuiging niet.
3.2.
De geloofwaardig geachte (onderdelen van) elementen leveren volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet hierop en nu er sprake is van een opvolgende asielaanvraag, heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
Beoordeling van de gronden van beroep
Geloofwaardigheid problemen vanwege eisers relatie met [persoon A]
4. Volgens eiser heeft verweerder zijn problemen als gevolg van zijn buitenechtelijke relatie ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Hij voert daartoe aan dat verweerder niet duidelijk maakt waarom de vogelvrijverklaring van zijn stam niet overtuigt. Het standpunt van verweerder impliceert namelijk dat er iets niet aan deugt, terwijl Bureau Documenten vanwege het ontbreken van referentiemateriaal de authenticiteit van dit document niet kan beoordelen. Dit is een neutraal gegeven, dat niet in het voordeel, maar ook niet in het nadeel van eiser kan worden uitgelegd. Verder heeft verweerder niet gemotiveerd gereageerd op het standpunt van eiser in de zienswijze over de vrees voor eerwraak zijdens de familie van eisers ex-partner. Dat de ex-man van eisers ex-partner en de familie van eisers ex-partner en stam van eisers buitenechtelijke relatie en de zwangerschap weet hebben gekregen is meer dan een vermoeden, het is een beredeneerde aanname. Verweerder had deze informatie moeten beoordelen in het licht van de door eiser ingebrachte vogelvrijverklaring. Uit het besluit volgt niet afdoende waarom eiser niet in zijn verklaringen wordt gevolgd.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers problemen vanwege de buitenechtelijke relatie niet geloofwaardig zijn
.Verweerder stelt zich daarbij niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
4.2.
Eiser heeft een verklaring overgelegd van [clan] van 25 oktober 2022. Daarin staat dat de clan [eiser] vogelvrij verklaart, “omdat hij door de milities wordt gezocht en met de dood wordt bedreigd. Tevens wordt hij gezocht door clans, de clan van [persoon A] , op beschuldiging van schending van eer, omdat jij een [buitenechtelijke]relatie met haar hebt en een onwettig kind van haar hebt. Wij, [eiser] clan, doen afstand van je, ten overstaan van de milities en alle clans.” De vogelvrijverklaring is door Bureau Documenten onderzocht, maar er konden geen uitspraken worden gedaan over de echtheid, opmaak, afgifte en inhoud ervan. Verweerder stelt terecht dat aan de vogelvrijverklaring, vanwege het ontbreken van een conclusie over de echtheid ervan, niet de waarde kan worden gehecht die eiser eraan wenst te hechten. Er kon niet worden vastgesteld of het document een authentiek document is. Dat dit niet in eisers nadeel kan worden uitgelegd, kan de rechtbank op zich volgen, maar dit heeft verweerder ook niet gedaan. Verweerder heeft namelijk vervolgens aan de hand van de inhoud ervan in combinatie met eisers verklaringen het standpunt ingenomen dat deze niet kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van zijn problemen.
4.3.
Eiser heeft verklaard dat het incident waarbij mannen bij zijn neef langskwamen twee jaar daarvoor was – dus aan het begin van 2022. De neef is volgens eiser naar de stam gegaan om over het bezoek te vertellen en eiser vermoedt dat op basis daarvan de vogelvrijverklaring is opgesteld. Verweerder stelt niet ten onrechte dat niet valt in te zien dat de stam pas een half jaar later zou besluiten om eiser vogelvrij te verklaren
.Ook volgt uit de akte van erkenning van 12 september 2023 dat de zoon, [minderjarige] , is geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats] . Dit is na de datum van de vogelvrijverklaring, terwijl daarin staat dat hij op dat moment al een onwettig kind zou hebben.
4.4.
Verweerder stelt zich, als het gaat om eisers problemen als gevolg van zijn buitenechtelijke relatie, niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de familie van zijn ex-partner op de hoogte was van het bestaan van eisers relatie en/of zijn kind. De verklaringen van eiser over de problemen met de familie van zijn ex-partner en haar stam zijn slechts vermoedens. Eiser heeft eerst verklaard dat hij niet weet of de familie van zijn ex-partner op de hoogte is van zijn relatie en ook niet of de ex-man op de hoogte was van de zwangerschap van eisers ex-partner (p. 15 van het aanvullend gehoor). Daarna heeft eiser mogelijkheden genoemd hoe de familie van zijn ex-partner op de hoogte zou kunnen zijn geraakt van eisers relatie en zijn kind. Over de ex-man van eisers ex-partner zei eiser eerst dat hij het niet weet en daarna dat de ex-man het via zijn kinderen heeft gehoord (p. 20). Ook de ter zitting gegeven verklaring dat eiser geen direct bewijs heeft van de bedreiging van de familie van zijn ex-partner, maar dat hij heeft geprobeerd contact op te nemen met de familie en zij toen hebben opgehangen, is onvoldoende. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat sprake is van een beredeneerde aanname. Eiser heeft – gelet op het voorgaande – niet kunnen verklaren hoe de familie van zijn ex-partner erachter is gekomen en ook is het onduidelijk gebleven hoe de informatie vervolgens in de vogelvrijverklaring van zijn stam is gekomen. Uit het bestreden besluit volgt naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende waarom eisers verklaringen niet worden gevolgd.
4.5.
Gelet op het voorgaande stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser (en de vogelvrijverklaring) niet overtuigen. De beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheid afvalligheid, seculier leven en atheïsme
5. Volgens eiser had verweerder ook geloofwaardig moeten achten dat hij afvallig is. Eiser verwijst hiervoor naar de definitie van (toegedichte) afvalligheid in WI 2022/3 en naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94. Eiser heeft ook gesteld dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten zijn atheïsme op geloofwaardigheid te beoordelen, nu hij in het aanvullend nader gehoor heeft verklaard atheïst te zijn, maar omdat eiser tijdens de zitting heeft verklaard dat hij geen atheïst is (maar dat hij gelooft in een god en niet in een religie), ziet de rechtbank geen aanleiding hier verder op in te gaan.
5.1.
Verweerder beschouwt eiser niet als afvallig. Daartoe heeft verweerder in het voornemen onder verwijzing naar eisers verklaringen gesteld dat eiser zichzelf nooit als moslim heeft beschouwd en nooit de islam heeft gepraktiseerd. Er is dus geen verandering opgetreden in de uiting van zijn geloofsovertuiging, aldus verweerder. De rechtbank vindt dat verweerder hiermee voldoende duidelijk is over zijn standpunt ten aanzien van eisers afvalligheid. Ter zitting heeft verweerder verder aangevuld dat eiser heeft verklaard dat hij sinds zijn zevende jaar alcohol drinkt en verschillende relaties met meisjes heeft gehad en het geloof niet heeft aangehangen. Wel vindt verweerder geloofwaardig dat eiser seculier leeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op eisers verklaringen, niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat hij afvallig is. Eiser heeft ook geen inhoudelijke argumenten tegen deze beoordeling van verweerder gericht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers afvalligheid dan ook niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht.
5.2.
Eiser stelt terecht onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 19 januari 2022 dat ook moet worden gekeken naar de vraag of eiser in Irak afvalligheid zal worden toegedicht. Verweerder heeft dit ook gedaan, in het kader van de vrees voor vervolging bij terugkeer en een mogelijke schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer. De rechtbank zal de vraag ook in dat kader beoordelen en verwijst naar overwegingen 8 tot en met 8.4 van deze uitspraak.
Geloofwaardigheid politieke overtuiging en activiteiten en de problemen daardoor
6. Volgens eiser heeft verweerder eisers problemen met milities vanwege zijn online kritiek op de Iraakse autoriteiten ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Hij heeft ook kritiek geuit op de milities. Zelfs als de milities niet op dit moment al van die uitingen op de hoogte zijn, is het zeer wel mogelijk dat dit in de toekomst alsnog gebeurt. Verweerder heeft onvoldoende oog voor de context van de online discussie en de overige verklaringen van [persoon B] . [persoon B] beschouwt eiser als een verrader die ter dood moet worden gebracht. Op basis van zijn online uitlatingen is voldoende aannemelijk dat hij inderdaad bij een militie is aangesloten.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wordt gezocht door milities. Aan de door eiser overgelegde vogelvrijverklaring kan niet de waarde worden gehecht die hij eraan gehecht wenst te zien (zie hiervoor onder 4.2). Uit de verklaringen van eiser is ook niet gebleken dat zijn neef is benaderd door iemand van een militie of dat milities eiser zoeken. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het een vermoeden van eiser is dat het om milities zou gaan. Voor zover eiser aanvoert dat met name van belang is dat hij kritiek uitoefent op de Iraakse overheid en de milities, heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat eiser het verband tussen de berichten dat hij wordt gezocht door milities en zijn politieke overtuiging en activiteiten onvoldoende heeft aangetoond. Verweerder stelt zich daarbij niet ten onrechte op het standpunt dat uit eisers verklaringen niet is gebleken dat het bezoek bij zijn neef en de vogelvrijverklaring het gevolg zijn van eisers politieke overtuiging en activiteiten. Verweerder stelt zich ook niet ten onrechte op het standpunt dat uit het online gesprek met [persoon B] , meer specifiek de zin “Wij zijn de heilige militie van God” onvoldoende blijkt dat hij daadwerkelijk tot een militie behoort. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er geen onafhankelijke en verifieerbare informatie is overgelegd waaruit blijkt dat [persoon B] deel uitmaakt van een militie. Dat [persoon B] op zijn pagina foto’s heeft staan van [persoon C] en ayatollah Ali Khameini heeft verweerder daarvoor onvoldoende mogen achten.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de problemen met de milities als gevolg van eisers politieke overtuiging en acties niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Vrees voor vervolging bij terugkeer vanwege politieke overtuiging en activiteiten
7. Volgens eiser stelt verweerder ten onrechte dat hij geen vrees voor vervolging heeft bij terugkeer. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft uitgelegd wat hij onder een politiek activist verstaat, en waarom eiser dit volgens verweerder niet is. Verweerder heeft de sterkte van de politieke overtuiging van eiser onvoldoende onderzocht (tijdens het aanvullend gehoor zijn hem hierover slechts twee vragen gesteld), neemt onverenigbare standpunten in over de mate van zijn online activiteit en negeert zijn gehackte Facebookpagina en de online bedreigingen die hij al heeft ontvangen. Bovendien moet verweerder beoordelen of het aannemelijk is dat eiser zijn politieke opvattingen in Irak ook buiten het online domein zal willen uitdragen. Hiervoor is niet alleen bepalend hoe hij zich in Nederland online gedraagt. Eiser verwijst in dit kader naar het interne informatiebericht van verweerder, IB 2024/10 Werkwijze politieke overtuiging.
7.1.
Niet in geschil is dat eiser een politieke overtuiging heeft en dat hij actief is op sociale media en daar berichten plaatst. De vraag is of dit leidt tot een gegronde vrees voor vervolging of een risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer.
7.2.
In het asielbeleid voor Irak, neergelegd in paragraaf C7/16.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), is bepaald dat verweerder ‘politiek activisten’ aanmerkt als risicoprofiel voor vervolging. In die paragraaf is niet uitgelegd wanneer iemand wordt aangemerkt als politiek activist. Onder verwijzing naar randnummers 3. en 4. van de nota Overstap naar Risicoprofielen van 20 april 2024 (nota) gaat de rechtbank er echter vanuit dat het moet gaan om politiek activisten die significante kritiek leveren op de autoriteiten. Deze politiek activisten werden namelijk in het eerdere beleid als risicogroep aangemerkt, en uit de nota blijkt dat de omklap een vertaling van het oude groepenbeleid naar het nieuwe profielenbeleid is en geen herziening van de positie van de betreffende groep in het land van herkomst.
7.3.
Verweerder stelt dat eiser geen politiek activist is in de zin van de Vc en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van zijn politieke overtuiging en activiteiten bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder verwijst naar het oordeel van de rechtbank terecht naar het feit dat eiser al twee jaar in Nederland was voordat hij, in 2017, een Facebookpagina heeft aangemaakt om de Iraakse staat en milities te bekritiseren (genaamd Organisatie van bevrijding van het Irakese volk). Op die pagina had eiser naar eigen zeggen tussen de 2.300 en 2.500 volgers, maar dit betrof een anoniem account volgens eiser zelf (p. 11 van het aanvullend gehoor). Hierop plaatste eiser meestal opnames van YouTube waarin werd gepraat over het regime, de staat of milities. Deze maakte eiser niet zelf, maar hij repostte en deelde filmpjes. Deze Facebookpagina is inmiddels gehackt. Over eisers nieuwe Facebookpagina heeft hij verklaard dat hij niet meer zo actief is.
7.4.
Verweerder heeft ook onderzoek gedaan naar eisers activiteiten op sociale media. Daaruit is gebleken dat eiser op een aantal platforms politieke berichten plaatst die kritisch zijn naar de Iraakse autoriteiten. Op Facebook heeft eisers politieke account 3.100 volgers en op TikTok heeft zijn account ongeveer 2.500 volgers en meer dan 4.000 vind-ik-leuks. Verweerder heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat eiser op sociale media berichten plaatst, onvoldoende is om hem als politiek activist aan te merken. Onder verwijzing naar het EUAA rapport ‘Country Guidance: Iraq’ 2022 (p. 96) stelt verweerder dat de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging voor politieke activisten afhankelijk is van een aantal factoren, zoals de aard van de activiteiten, de achtergrond van de activist, de zichtbaarheid van de activiteiten en de vraag of de autoriteiten op de hoogte zijn van de activiteiten. Verweerder stelt terecht dat uit eisers verklaringen niet is gebleken dat zijn berichten op sociale media een groot bereik hebben – een account met enkele duizenden volgers kan (relatief bezien) niet worden gezien als een platform met een groot bereik. Irak is een land met bijna 40 miljoen inwoners. Eisers bijdragen op sociale media zijn dus niet bij een groot publiek in Irak bekend. Ook heeft eiser verklaard dat hij op zijn pagina vooral berichten deelt van andere mensen (p. 5, 9, 11 en 12 van het aanvullend gehoor).
7.5.
Terwijl eiser stelt dat verweerder te weinig onderzoek heeft gedaan naar eisers politieke overtuiging, heeft hij ook in beroep weinig tegenover deze motivering van verweerder gesteld. Zo heeft hij niet concreet gemaakt wat verweerder nog had moeten vragen en heeft hij de gelegenheid gehad in beroep aanvullingen te doen. Verweerder heeft dan ook naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als politiek activist moet worden aangemerkt in de zin van paragraaf C7/16.3.2.
7.6.
De rechtbank vindt dat verweerder zich ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment in de negatieve belangstelling staat van de Iraakse autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bedreigingen die hij online heeft gekregen afkomstig zijn van milities (zie hiervoor onder 6.1) of dat de autoriteiten of milities in Irak op de hoogte zijn van zijn berichten op sociale media. Hiervoor heeft hij geen concrete aanwijzingen aangedragen. Verweerder heeft hierbij ook terecht betrokken dat het bereik van eisers berichten op sociale media te beperkt is om zonder meer aan te nemen dat de Iraakse autoriteiten of milities kennis hebben van deze activiteiten van eiser.
7.7.
Verder heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Irak in de negatieve belangstelling van de Iraakse autoriteiten terecht zal komen te staan vanwege zijn activiteiten op sociale media. Verweerder heeft hierbij betrokken dat eisers verklaring dat hij zich misschien ‘nog erger’ zou uiten toen hem werd gevraagd wat voor politieke activiteiten hij bij terugkeer in Irak zou willen uitvoeren (p. 21 aanvullend gehoor), onvoldoende concreet is. Op de vraag hoe eiser zich ‘nog erger zou uiten’ heeft hij immers alleen verklaard “Dat weet ik niet, misschien dat ik bij aankomst op het vliegveld word
aangehouden”. Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat eiser bij terugkeer dezelfde activiteiten zal verrichten als hij nu in Nederland doet, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser actief is op sociale media maar geen groot bereik heeft en niet is gebleken dat de autoriteiten in Irak hiervan op de hoogte zijn of zullen raken. Verder heeft eiser ook niet met stukken of verwijzing naar landeninformatie of andere openbare bronnen aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn politieke activiteiten bij terugkeer wel in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zal komen te staan. Dat eiser door onbekende personen online is bedreigd, betekent niet zonder meer dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging. Anders dan eiser stelt heeft verweerder hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende invulling gegeven aan de interne Werkwijze politieke overtuiging (IB 2024/10).
Vrees voor vervolging bij terugkeer vanwege toegedichte afvalligheid
8. Eiser stelt dat hij bij terugkeer ook risico loopt omdat hem afvalligheid zal worden toegedicht. Uit de EUAA Country Guidance: Irak van november 2024 volgt dat personen die publiekelijk blijk geven van atheïstische, blasfemische en/of anti-islamitische opvattingen of gedragingen in Irak een bijzonder risico lopen. Het in het voornemen verwoorde en in het besluit niet teruggenomen standpunt dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich in Irak “schikt naar de geldende regels” is volgens hem in strijd met het verbod op terughoudendheid (zie het arrest Y en Z van het Hof van Justitie van 5 december 2012, ECLI:EU:C:2012:518).
8.1.
Omdat niet in geschil is dat eiser seculier leeft, heeft verweerder ook beoordeeld of eiser bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade omdat aan hem afvalligheid wordt toegedicht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt.
8.2.
Uit de werkinstructie WI 2022/3 volgt dat de beoordeling van toegedichte afvalligheid met name ziet op de gedragingen en uitingen van de vreemdeling en de perceptie van de omgeving hiervan. Het gaat om de vraag welke risico’s bepaalde uitingen opleveren en waarom deze uitingen in verband worden gebracht met afvalligheid. Hierbij is van belang of de vreemdeling altijd op deze manier uiting heeft gegeven aan zijn religie of dat er sprake is van verandering. Als een vreemdeling heeft aangegeven afvallig of bekeerd te zijn, maar de bekering of afvalligheid niet geloofwaardig is geacht, kunnen de verklaringen over de uitingen betrokken worden bij de beoordeling van de toegedichte afvalligheid.
8.3.
Verweerder heeft in de besluitvorming betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij nooit in de islam heeft geloofd, in Irak seculier leefde en dat er geen verandering is opgetreden in de uiting van zijn geloofsovertuiging. Eiser heeft ook niet gesteld dat hij zich bij terugkeer naar Irak anders zou willen opstellen dan hoe hij leefde toen hij in Irak woonde. Verder heeft eiser verklaard dat hij vanwege het feit dat hij seculier leefde alleen een keer ruzie heeft gehad met zijn buren, omdat hij had gezegd dat ze nu christenen moeten laten proberen te regeren. Verweerder heeft terecht gesteld dat een enkele ruzie vanwege een opmerking in het verleden onvoldoende is voor de conclusie dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer vanwege toegedichte afvalligheid.
8.4.
Tegen deze achtergrond heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat ook uit landeninformatie niet blijkt dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege toegedichte afvalligheid. Volgens verweerder blijkt uit algemeen beschikbare informatie dat moslims in Irak die de islam niet praktiseren over het algemeen geen veiligheidsrisico’s lopen. De blasfemiewetten van Irak worden volgens openbare informatie niet gehandhaafd en ook was het mogelijk om zonder gevolgen kritiek te uiten op de islam. Hier speelt volgens verweerder echter wel mee dat zodra iemand het grote publiek bereikte met de kritiek, het risico groter werd, maar dit is in het geval van eiser niet gebleken. Wel is het volgens verweerder zo dat de controle op de naleving van het geloof in Bagdad, waar eiser vandaan komt, minder is. Uit de door eiser geciteerde passages uit de EUAA Country Guidance: Irak van november 2024 volgt onvoldoende dat dit anders is. Daarin staat namelijk ook dat blasfemie weliswaar verboden is maar dat er nauwelijks wordt gehandhaafd en dat er een individuele beoordeling moet worden gemaakt van het risico op vervolging. Het publiekelijk uiten van afvalligheid kan tot een bijzonder risico leiden. Dit heeft verweerder echter meegenomen in de beoordeling.
Terugkeerbesluit
9. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit waarnaar verweerder heeft verwezen niet in stand kan blijven, onder meer omdat eiser de juridische vader is van [minderjarige] .
10. Eiser kan in de onderhavige zaak niet opkomen tegen het terugkeerbesluit van 31 mei 2017. Dat besluit staat in rechte vast. In wat eiser heeft aangevoerd heeft verweerder geen reden hoeven zien dit terugkeerbesluit (ambtshalve) te herzien.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.