ECLI:NL:RBDHA:2026:1753

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/09/692684 / KG RK 25-1365
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 985 RvOvereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot erkenning Surinaams vonnis wegens onvoldoende belang

Verzoekers hebben bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend tot erkenning van een Surinaams vonnis en het daaropvolgende hoger beroep, waarin verweerster werd veroordeeld in de kosten en het gebruik van de naam “Intervast Nederland” werd betwist.

De procedure betreft een kort geding in Suriname waarbij verweerster een verbod wilde afdwingen tegen het gebruik van de naam “Intervast Nederland” door verzoekers, maar dit werd afgewezen door zowel de kantonrechter als het Hof van Justitie van Suriname. Verzoekers willen dit Surinaamse vonnis in Nederland erkend krijgen om het in een toekomstige Nederlandse verbodsprocedure te kunnen gebruiken.

De voorzieningenrechter oordeelt dat erkenning van het afwijzende vonnis niet noodzakelijk is omdat het vonnis ook zonder erkenning in de Nederlandse procedure ingebracht kan worden. Er is onvoldoende belang bij erkenning omdat deze geen extra juridische waarde toevoegt en de inhoudelijke beoordeling van het Surinaamse vonnis niet opnieuw kan plaatsvinden.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek af en veroordeelt verzoekers in de kosten, die nihil zijn begroot. Verweerster heeft geen verweer gevoerd in deze procedure.

Uitkomst: Verzoek tot erkenning van het Surinaamse vonnis wordt afgewezen wegens onvoldoende belang.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/692684 / KG RK 25-1365
Beschikking van de voorzieningenrechter van 15 januari 2026
in de zaak van

1.[verzoeker 1] , te [woonplaats 1] ,2. DE ERVEN VAN [verzoeker 2] , te [woonplaats 2] ,3. PROJECTGROEP SURINAME 2003 N.V., te Paramaribo, Suriname,

verzoekers,
advocaat: mr. M.D. Winter,
tegen
INTERVAST SURINAME N.V., te Paramaribo, Suriname,
verweerster,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met drie producties, ingekomen op 7 oktober 2025;
  • de e-mail van de voorzieningenrechter van 17 oktober 2025;
  • de e-mail van mr. Winter met één productie van 16 december 2025.
1.2.
Op 18 december 2025 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling. Hierbij was namens verzoekers aanwezig de heer [erfgenaam] , in zijn hoedanigheid van erfgenaam van [verzoeker 2] en als gevolmachtigde van [verzoeker 1] , bijgestaan door mr. Winter. De volmacht van de heer [verzoeker 1] aan de heer [erfgenaam] is tijdens de mondelinge behandeling overgelegd.

2.De feiten

2.1.
Verweerster heeft in een kortgedingprocedure met zaaknummer A. R. No. 10-0200 bij de kantonrechter van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo gevorderd dat verzoekers wordt verboden de naam “Intervast Nederland” te voeren in Suriname, aangezien verweerster al tien jaar het intellectueel eigendom van de handelsnaam “Intervast Suriname N.V.” zou bezitten. De kantonrechter heeft bij vonnis in kort geding van 28 april 2011, voortbouwend op het tussenvonnis van 5 augustus 2010, het gevorderde afgewezen en verweerster veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoekers begroot op nihil (hierna: het vonnis van de kantonrechter).
2.2.
Verweerster heeft tegen het vonnis van de kantonrechter hoger beroep ingesteld bij het Hof van Justitie van Suriname. Het Hof van Justitie van Suriname heeft bij vonnis van 20 april 2018 het vonnis van de kantonrechter bevestigd en verweerster veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan de uitspraak aan de zijde van verzoekers begroot op nihil (hierna: het vonnis in hoger beroep). Tegen het vonnis in hoger beroep staat geen rechtsmiddel open.

3.Het verzoek

3.1.
Het verzoek strekt tot het, uitvoerbaar bij voorraad, verlenen van verlof voor erkenning in Nederland van het vonnis van de kantonrechter dat is bekrachtigd door het vonnis in hoger beroep, met veroordeling van verweerster in de kosten van het geding.
3.2.
Aan het verzoek hebben verzoekers het volgende ten grondslag gelegd. Verzoekers merken dat verweerster, zelfs na het vonnis van de kantonrechter en het vonnis in hoger beroep, verwarring creëert bij het publiek door de naam Intervast te blijven gebruiken. Verzoekers zijn voornemens bij de Nederlandse rechter een gerechtelijk verbod op het gebruik in Nederland van de naam Intervast door verweerster te vorderen. Verzoekers stellen er recht en belang bij te hebben dat de vonnissen met het oog op de voorgenomen procedure omgezet worden in een Nederlandse uitspraak. Om die reden verzoeken zij erkenning van het vonnis van de kantonrechter dat is bekrachtigd bij het vonnis in hoger beroep.
3.3.
Verweerster is in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren, maar heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 985 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beslissing gegeven door de rechter van een vreemde Staat, welke beslissing op basis van een verdrag of de wet in Nederland uitvoerbaar is, enkel ten uitvoer worden gelegd nadat daartoe rechterlijk verlof is verkregen. Aangezien het in deze kwestie gaat om de erkenning van Surinaamse vonnissen is de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke zaken (hierna: de overeenkomst) van toepassing. De overeenkomst ziet ook op de erkenning van vonnissen. In deze procedure wordt tenslotte enkel erkenning verzocht nu tenuitvoerlegging, gelet op de omstandigheid dat het afwijzende vonnissen betreft, niet mogelijk is. Hoewel artikel 985 Rv Pro en de overeenkomst bepalen dat de zaak zelf niet aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen, laat dit onverlet dat een verzoekende partij voldoende belang moet hebben bij het verzoek. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers onvoldoende belang bij dit verzoek. Hierna wordt uitgelegd waarom.
4.2.
Verzoekers stellen dat het belang van de erkenning van het afwijzende vonnis is gelegen in het feit dat verzoekers alhier een verbodsprocedure betreffende het gebruik van de naam Intervast in Nederland willen entameren waarin na erkenning kan worden meegenomen dat er niet alleen in Suriname is geprocedeerd, maar dat de vonnissen inmiddels ook zijn erkend. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat enkel het inbrengen van deze vonnissen in de te entameren verbodsprocedure minder waarde heeft.
4.3.
Het is de voorzieningenrechter onvoldoende duidelijk geworden waarom niet kan worden volstaan met het indienen van de vonnissen in de te entameren verbodsprocedure en waarom de erkenning van toegevoegde waarde zou kunnen zijn voor verzoekers. De procedure die heeft geleid tot het vonnis van de kantonrechter en het vonnis in hoger beroep ziet tenslotte op een (afgewezen) verbod van het gebruik van de naam Intervast in Suriname door verzoekers en de te entameren verbodsprocedure op het gebruik van Intervast door verweerster in Nederland. Belangrijker is dat de voorzieningenrechter in zijn beoordeling geen inhoudelijke beoordeling van de Surinaamse vonnissen zal (mogen) geven. De toegevoegde waarde van de erkenning ten opzichte van het enkel in geding brengen van de Surinaamse vonnissen is er dus niet. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verzoekers onvoldoende belang hebben bij de erkenning en zal het verzoek om die reden afwijzen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst het verzochte af;
5.2.
veroordeelt verzoekers in de kosten van dit geding aan de zijde van verweerster gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.
type: 3384