Eiser, van Peruaanse nationaliteit, kreeg op 8 augustus 2025 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Tevens werd op 15 december 2025 een maatregel van bewaring opgelegd wegens risico op ontduiking van toezicht en belemmering van uitzetting.
Eiser voerde aan dat hij procedureel rechtmatig verblijf had in Spanje en een beschermenswaardig familieleven met zijn partner aldaar. Hij overlegde een samenlevingsovereenkomst en een lopende aanvraag voor verblijf. De rechtbank stelde vast dat procedureel rechtmatig verblijf niet gelijkstaat aan een geldige verblijfsvergunning en dat het familieleven onvoldoende onderbouwd was, mede omdat de aanvraag tot verblijf pas na het terugkeerbesluit was ingediend.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit terecht is opgelegd en dat de maatregel van bewaring gegrond is vanwege het risico op ontduiking. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.