ECLI:NL:RBDHA:2026:17367

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
AWB 25/19531
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbRichtlijn 2004/38/EGVerordening (EG) nr. 810/2009Art. 32 Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing faciliterend visum voor verblijf bij Nederlandse familie

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum op grond van de Richtlijn 2004/38/EG om bij zijn Nederlandse echtgenote en dochter te verblijven. De minister wees deze aanvraag af omdat eiser het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende had aangetoond en geen leges had betaald, wat vereist is voor een visum kort verblijf.

Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij een visum kort verblijf voor familiebezoek had bedoeld, niet een faciliterend visum. Hij overhandigde documenten ter onderbouwing, waaronder een ingevulde vragenlijst en verklaringen van de Algerijnse autoriteiten. De minister bleef bij zijn afwijzing omdat de aanvraag als faciliterend visum was ingediend zonder betaling van leges.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft afgewezen omdat eiser geen leges heeft betaald en de aanvraag niet als visum kort verblijf kon worden behandeld. Eiser zal een nieuwe aanvraag moeten indienen met betaling van leges. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de proceskosten toe aan de minister.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een faciliterend visum wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/19531

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. de Vaal)
en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een faciliterend visum. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum op grond van de Richtlijn 2004/38/EG [1] om te verblijven bij zijn echtgenote en dochter die in Nederland wonen. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 6 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 september 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 29 april 2024 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een faciliterend visum op grond van de Richtlijn 2004/38/EG om te verblijven bij zijn Nederlandse dochter in Nederland (volgens de minister). In zijn aanvraag heeft hij als doel van zijn verblijf aangegeven “live with my daughter and my wife.”
3.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 6 mei 2024 afgewezen op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode. [2] Volgens de minister heeft eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond. De afwijzing is op 14 mei 2025 telefonisch aan eiser doorgegeven.
3.2.
Op 3 juni 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 7 juni 2024 is de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd.
3.3.
Bij brief van 26 september 2024 zijn de gronden van bezwaar ingediend en is aangegeven dat eiser is gehuwd met een Nederlandse vrouw en dat zij samen een dochtertje hebben. Samen wonen zij in Algerije maar eisers echtgenote bezoekt regelmatig haar ouders en broers in Nederland. Sinds 28 juni 2024 verblijven de echtgenote en dochter bij haar ouders in Nederland. Eiser zou hen vergezellen maar door de weigering van zijn visum was dit niet mogelijk. Eiser verzoekt het bezwaarschrift gegrond te verklaren nu het doel van zijn voorgenomen verblijf is aangetoond en geeft aan gehoord te willen worden.
3.4.
Op 10 oktober 2024 is de in bezwaar toegezonden vragenlijst geretourneerd. Deze is ingevuld door de schoonvader van eiser. Deze wordt daarmee beschouwd als referent maar stelt zich niet garant. In deze aanvraag wordt als doel van het bezoek aangegeven “bezoek familie vrouw” en als duur van het verblijf 90 dagen.
3.5.
Op 1 augustus 2025 stuurt de minister de gemachtigde van eiser een brief waarin hij aangeeft dat hij, om een besluit te nemen over de verstrekking van een faciliterend visum op grond van het arrest Chavez-Vilchez, aanvullende informatie nodig heeft. Verzocht wordt onder meer om verduidelijking van het doel van het verzoek nu in de aanvraag is aangegeven dat eiser wil wonen bij zijn vrouw en dochter terwijl in de ingevulde vragenlijst van de schoonvader staat dat het om een bezoek van 90 dagen gaat.
3.6.
Bij brief van 14 augustus 2025 geeft gemachtigde van eiser aan dat het gaat om een visumaanvraag voor een bezoek aan de schoonfamilie en niet om vestiging in Nederland. Eiser woont met zijn echtgenote en dochter in Algerije. Ter onderbouwing legt eiser een verklaring van de Algerijnse autoriteiten over en kopieën van de paspoorten van de echtgenote en dochter waaruit blijkt dat zij in 2024 een bezoek hebben gebracht aan de schoonouders van eiser en daar sinds 28 juli 2025 weer verblijven. Eiser is werkzaam in Algerije waarvan ter onderbouwing eveneens stukken worden overgelegd.
3.7.
Met het bestreden besluit van 9 september 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag om een faciliterend visum gebleven en heeft hij het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser een faciliterend visum heeft aangevraagd, waarvoor geen leges zijn en hoeven te worden betaald, om met zijn echtgenote en Nederlandse dochter zijn in Nederland woonachtige schoonfamilie te bezoeken. Overwogen wordt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest Chavez-Vilchez heeft bepaald dat een derdelander-familielid van een Unieburger een afgeleid verblijfsrecht ontleent aan het verblijfsrecht dat een Unieburger van rechtswege heeft op grond van artikel 20 van Pro het VWEU, indien de weigering van verblijf aan de derdelander tot gevolg zou hebben dat de Unieburger gedwongen wordt het grondgebied van de Unie in het geheel te verlaten. De minister constateert dat een afgeleid verblijfsrecht zoals bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez niet aan de orde is in de situatie van eiser. Daarom kan aan eiser een faciliterend visum worden geweigerd. Ten overvloede merkt de minister op dat het in voorgestelde situatie veeleer voor de hand ligt om een visum, met betaling van leges, aan te vragen op grond van de Visumcode. Gelet op hetgeen in de procedure naar voren is gebracht, in combinatie met het bestreden besluit, is het bezwaarschrift kennelijk ongegrond en is op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb [3] van horen afgezien.
Gronden
5. In de gronden heeft eiser aangevoerd dat hij geen faciliterend visum heeft aangevraagd maar een visum kort verblijf familiebezoek voor 90 dagen om met zijn Nederlandse echtgenote en dochter zijn schoonfamilie in Nederland te bezoeken. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de in bezwaar overgelegde vragenlijst die in toeristenvisumzaken moet worden ingevuld. Ook in de reactie van 14 augustus 2025 op de brief van de minister van
1 augustus 2025 is nogmaals aangegeven dat het om een visum familiebezoek gaat nu eiser met zijn echtgenote en dochter in Algerije woont. Het is voor eiser niet duidelijk waarom op grond van de aanvraag en de in bezwaar verstrekte informatie niet tot afgifte van een visum kort verblijf is overgegaan.

De beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers aanvraag terecht heeft afgewezen. Zij stelt vast dat eiser in zijn aanvraag als doel van zijn verblijf heeft aangegeven “live with my daughter and my wife” en dat er geen leges zijn betaald. Daarmee mocht de minister ervan uitgaan dat eiser verzocht om een faciliterend visum op grond van de Richtlijn 2004/38/EG, omdat het bij een visum kort verblijf gaat om een verblijf van maximaal 90 dagen en er leges verschuldigd zijn. Vervolgens heeft eiser in bezwaar wel aangegeven dat hij had bedoeld een visum kort verblijf aan te vragen maar heeft hij verzuimd om alsnog leges te betalen. Dit maakt dat het voor de minister niet mogelijk was om de aanvraag te beschouwen als een aanvraag visum kort verblijf. Om een visum kort verblijf te verkrijgen zal eiser een nieuwe aanvraag moeten indienen. De rechtbank begrijpt eisers bezorgdheid dat hem bij een nieuwe aanvraag mogelijk de aanvraag voor het faciliterend visum zal worden tegengeworpen maar, zoals de vertegenwoordiger van de minister ter zitting heeft aangegeven, vormt een eerdere aanvraag geen criterium bij de beoordeling van een nieuwe aanvraag in het kader van de Visumcode.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 20024/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer van verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden.
2.Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.
3.Algemene wet bestuursrecht.