ECLI:NL:RBDHA:2026:17362

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL24.50892 en NL25.11429
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArtikel 12 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding wegens onrechtmatig terugkeerbesluit en inreisverbod

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 december 2024 waarin een terugkeerbesluit, een inreisverbod en een signalering werden opgelegd. Dit beroep en het verzoek om voorlopige voorziening werden ingetrokken nadat in een latere procedure het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de signalering werden opgeheven vanwege de overdracht van verzoeker aan Spanje op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank overweegt dat de Spaanse autoriteiten al op 16 augustus 2024 een Dublin-claim hadden geaccepteerd en verzoeker sinds 1 maart 2023 een verblijfsvergunning in Spanje heeft. Desondanks legde verweerder op 12 december 2024 het terugkeerbesluit en het inreisverbod op, met de mededeling dat een raadplegingsprocedure zou worden gestart. Uit het dossier blijkt echter dat deze procedure niet daadwerkelijk en zo snel mogelijk is gestart, wat wel vereist is.

De rechtbank oordeelt dat het besluit van 12 december 2024 onrechtmatig is genomen en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van € 1.868,- voor de ingediende beroeps- en verzoekschriften. Vergoeding van reiskosten en overnachtingskosten wordt afgewezen omdat deze niet onder het Besluit proceskosten bestuursrecht vallen.

De uitspraak is gedaan door rechter V.F.J. Bernt en griffier I.G.A. Karregat, zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt op 24 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten wegens onrechtmatig genomen terugkeerbesluit en inreisverbod.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.50892 (beroep) en NL25.11429 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoeker] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) het verzoek van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep en zijn verzoek om een voorlopige voorziening op 17 januari 2026. Dit beroep en verzoek om een voorlopige voorziening waren gericht tegen het besluit van verweerder van 12 december 2024.
1.2.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft de rechtbank op
21 januari 2026 meegedeeld dat hij zich verzet tegen een proceskostenveroordeling en heeft verwezen naar zijn motivering daarover in het verweerschrift van 9 januari 2026.
1.3.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2.1.
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2.2.
Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
2.3.
De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
2.4.
Met het besluit van 12 december 2024 heeft verweerder verzoeker een terugkeerbesluit, een inreisverbod en een besluit tot signalering opgelegd. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. Daarin heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoeker geen belang meer heeft bij de behandeling van de procedure. In een andere procedure, namelijk met het besluit van
25 april 2025, is het terugkeerbesluit, het inreisverbod en het besluit tot signalering opgeheven. Aanleiding daarvoor was dat de Spaanse autoriteiten akkoord zijn gegaan met het verzoek van de Nederlandse autoriteiten om verzoeker over te nemen op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening. Verzoeker is op 19 mei 2025 overgedragen aan Spanje.
2.5.
Verzoeker heeft zijn beroep en zijn verzoek om een voorlopige voorziening vervolgens ingetrokken en verzocht om een proceskostenvergoeding. Verzoeker voert daartoe aan dat hij sinds 1 maart 2023 een verblijfsvergunning heeft in Spanje. De Spaanse autoriteiten hebben al in augustus 2024 zijn toegang tot Spanje geaccepteerd. Verzoeker wijst erop dat uit het dossier niet volgt dat er een overlegprocedure is gevolgd. Volgens verzoeker is het bestreden besluit van 12 december 2024 van meet af aan onrechtmatig en beseft verweerder dat pas in het besluit van 25 april 2025.
2.6.
De rechtbank volgt verzoeker hierin. Uit het dossier volgt inderdaad dat de Spaanse autoriteiten al op 16 augustus 2024 een Dublin-claim hebben geaccepteerd. [3] In het besluit van 12 december 2024 staat verder dat verzoeker een verblijfsrecht in Spanje heeft. Verweerder heeft echter aanleiding gezien om verzoeker toch een terugkeerbesluit, een zwaar inreisverbod en SIS-signalering op te leggen. Dit omdat verzoeker een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Verder staat in het besluit dat een raadplegingsprocedure wordt gestart bij de Spaanse autoriteiten en dat als verzoeker het verblijfsrecht in Spanje behoudt, het inreisverbod dan ambtshalve wordt opgeheven. Uit het dossier blijkt niet dat verweerder die raadplegingsprocedure daadwerkelijk en zo snel als mogelijk heeft gestart. Dat is echter wel vereist. [4] Verweerder lijkt dat pas te hebben gedaan enkele maanden later, namelijk toen verzoeker een dag voor zijn geplande uitzetting naar Marokko op 27 maart 2025 asiel heeft aangevraagd. In het asielbesluit van 25 april 2025 staat dat uit informatie van de Spaanse autoriteiten blijkt dat Spanje een verblijfstitel op reguliere gronden aan verzoeker heeft verleend, die geldig is van 23 januari 2023 tot en met
22 januari 2028. In het asielbesluit staat verder dat Nederland daarom de Spaanse autoriteiten heeft verzocht om verzoeker over te nemen, waar de Spaanse autoriteiten (wederom) mee akkoord gegaan zijn op 14 april 2025.
2.7.
Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 12 december 2024 onrechtmatig is genomen. De rechtbank wijst het verzoek daarom als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend. De gemachtigde van verzoeker heeft verder verzocht om vergoeding van een bedrag van
€ 337,68 aan reiskosten voor bezoeken aan verzoeker en een bedrag van € 117,50 aan kosten voor overnachtingen. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder op te dragen deze kosten te vergoeden. Dit zijn namelijk geen kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het geen reiskosten voor een reis naar de zitting zijn en het ook geen verletkosten zijn.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Verzonden aan de autoriteiten op 19 augustus 2024.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3581.