ECLI:NL:RBDHA:2026:17359

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL25.422
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 VwArt. 31 VwArt. 31 lid 6 onder b VwArt. 31 lid 6 onder c Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige betrokkenheid bij Gülen-beweging

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende man, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege vermeende vervolging door Turkse autoriteiten vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging en zijn Koerdische afkomst. Hij stelde dat hij in Turkije was opgepakt, veroordeeld en een celstraf van bijna zes jaar had gekregen, en dat hij vreest opnieuw te worden opgepakt bij terugkeer.

Verweerder erkende de geloofwaardigheid van zijn identiteit en de problemen vanwege zijn Koerdische achtergrond, maar achtte de beweringen over de Gülen-beweging ongeloofwaardig. Dit omdat eiser geen onderbouwende documenten had overgelegd en zijn verklaringen inconsistent waren, onder meer over detentie en vrijlating.

De rechtbank toetste het asielrelaas volledig en concludeerde dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormden. De getoonde strafbeschikkingen op zijn telefoon werden niet overlegd in originele of vertaalde vorm, waardoor deze niet konden worden onderzocht op echtheid. De rechtbank vond het argument van de afwezigheid van de advocaat onvoldoende om het ontbreken van documenten te rechtvaardigen.

Daarom oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht de problemen vanwege de Gülen-beweging ongeloofwaardig heeft geacht en dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging of ernstig risico op schade bij terugkeer heeft aangetoond. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid en onderbouwing van de betrokkenheid bij de Gülen-beweging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.422

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren [geboortedag] 1983, van Turkse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. van der Lei).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser.
1.1.
Bij besluit van 9 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden eisers asielaanvraag heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
3. Eiser heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser stelt niet terug te kunnen keren naar Turkije. Eiser heeft verklaard dat hij problemen heeft gehad met de Turkse autoriteiten vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Eiser had sympathie voor de organisatie, hij vervoerde goederen voor de beweging als chauffeur, nam deel aan sohbet-bijeenkomsten en las hun tijdschriften. Eiser is in 2016 opgepakt door de politie en vijf dagen vastgehouden. In afwachting van zijn proces is hij weer vrijgelaten. In 2019 is hij veroordeeld, waartegen hij in beroep gegaan. Eiser heeft in 2019 al negen maanden van zijn straf moeten uitzitten, maar is vanwege coronamaatregelen in de gevangenissen tijdelijk weer vrijgelaten. In 2023 is hij veroordeeld tot een celstraf van bijna zes jaar. Bij terugkeer naar Turkije, vreest eiser opgepakt te worden en in de gevangenis te belanden. Tot slot voelde eiser zich ook gediscrimineerd omdat hij Koerdisch is en de politie regelmatig goederen van hem in beslag nam.
Besluitvorming
4. Verweerder heeft de volgende asielmotieven onderscheiden:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. De problemen vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging;
3. De problemen vanwege het zijn van Koerd.
4.1.
Verweerder acht eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook de problemen vanwege het zijn van een Koerd acht verweerder geloofwaardig. De problemen vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging worden door verweerder niet geloofwaardig geacht.
4.2.
Verweerder beoordeelt de problemen vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging als volgt. Allereerst stelt verweerder dat eiser onvoldoende documenten gegeven heeft en daarvoor geen goede verklaring heeft. [1] Tot op heden heeft eiser immers geen documenten overgelegd die zijn gestelde betrokkenheid bij de Gülen-beweging en zijn strafrechtelijke vervolging aantonen. Verder stelt verweerder dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [2] De gestelde gevangenneming in 2019 en de vrijlating vanwege coronamaatregelen zijn namelijk in strijd met beschikbare landeninformatie. Ook vertelt eiser wisselend over wanneer hij precies is teruggekeerd naar Turkije vanuit Oekraïne. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft en is het feit dat hij uit Turkije komt op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. [3] Hoewel zijn problemen vanwege zijn Koerdische etniciteit geloofwaardig zijn geacht, blijkt uit zijn verklaringen niet dat hij op zodanige wijze is beperkt in zijn bestaansmogelijkheid dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren. Tot slot is het feit dat eiser uit Turkije komt op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. [4]
Heeft verweerder de problemen door betrokkenheid bij de Gülen-beweging terecht ongeloofwaardig geacht?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat uit zijn verklaringen wel degelijk blijkt dat hij problemen heeft door zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Eiser kan verder niet volgen dat verweerder niet heeft willen meegaan in het feit dat het om technische redenen nog niet gelukt is stukken te overleggen die het relaas onderbouwen. De noodzaak om toch tot besluitvorming te komen zonder het aanbod van eiser af te wachten ontgaat eiser en is volgens eiser onzorgvuldig.
5.1.
Naar aanleiding van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van
4 juni 2026 [5] , zal de rechtbank het asielrelaas van eiser vol toetsen.
5.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. Allereerst vormen verklaringen van eiser over zijn problemen door betrokkenheid bij de Gülen-beweging geen samenhangend en aannemelijk geheel. Dat de verklaringen van eiser overeen zouden komen met algemene landeninformatie is onvoldoende om deze onsamenhangendheid weg te nemen. Deze informatie is immers algemeen bekend en biedt geen ondersteuning voor de individuele omstandigheden van eiser zijn asielrelaas. Verder heeft eiser zijn asielrelaas niet onderbouwd met objectieve documenten en heeft hij hier geen goede verklaring voor gegeven. Eiser heeft tijdens zijn nader gehoor vanuit zijn e-mailbox op zijn telefoon drie strafbeschikkingen laten zien die (deels) door de tolk zijn vertaald. Volgens eiser is hem in totaal een gevangenisstraf van vijf en een half of zes jaar opgelegd wegens betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Tijdens het nader gehoor is aan eiser meerdere keren duidelijk gemaakt dat het van belang is dat hij deze op zijn telefoon getoonde beschikkingen overlegt. [6] Desondanks heeft eiser tot op de dag van vandaag deze stukken niet - ook niet, zoals tijdens het nader gehoor besproken, geprint - overgelegd terwijl hem daar meerdere mogelijkheden toe zijn geboden. Deze niet vertaalde en alleen tijdens het nader gehoor op een telefoonscherm getoonde stukken konden daarom ook niet onderzocht worden op echtheid. Aan hetgeen omtrent deze stukken is gezegd in het nader gehoor kan de rechtbank dan ook niet de door eiser gewenste bewijswaarde hechten. Dat de advocaat van eiser op vakantie was, vindt de rechtbank geen verschoonbare reden om de gevraagde stukken niet te overleggen. De aanvraag is inmiddels meer dan twee jaar geleden gedaan, waardoor dit argument niet langer houdbaar is. Nu de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en eiser deze verklaringen niet heeft kunnen onderbouwen met de strafbeschikkingen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank dus terecht geoordeeld dat de problemen door betrokkenheid bij de Gülen-beweging ongeloofwaardig zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
3.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
5.ECLI:EU:C:2026:447 (Quotal) en ECLI:EU:C:2026:448 (Ebilum).
6.Zie pagina 17, 18 en 20.