Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17358

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
706776
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 WkkgzArt. 2 lid 1 WkkgzArt. 3 lid 1 WkkgzArt. 29 WkkgzArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cliëntenraad niet-ontvankelijk in vordering tegen Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd inzake sluiting zorgvilla’s

De cliëntenraad (CR) van Villa Expertcare vorderde in kort geding dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) schriftelijke aanwijzingen zou geven aan Villa Expertcare (VEC) om de sluiting van twee zorgvilla’s op te schorten totdat voor alle cliënten passende alternatieve zorg beschikbaar is. VEC biedt intensieve zorg aan ernstig zieke en meervoudig beperkte kinderen en had besloten de zorg op vier locaties te beëindigen, met clustering van zorg op twee locaties.

De IGJ had een onderzoek uitgevoerd en concludeerde dat de kwaliteit van zorg kwetsbaar is en dat verbetermaatregelen noodzakelijk zijn. De CR verzocht de IGJ handhavend op te treden, maar de IGJ stelde dat de CR niet als rechtstreeks belanghebbende kon worden aangemerkt en dat het verzoek een bestuursrechtelijke procedure betrof.

De rechtbank oordeelde dat de CR niet-ontvankelijk is omdat hij zijn vorderingen in een bestuursrechtelijke procedure bij de bestuursrechter kan voorleggen, die voldoende waarborgen en een snelle rechtsgang biedt. De IGJ had nog niet op het verzoek beslist, maar het niet tijdig beslissen kan ook bestuursrechtelijk worden aangevochten. De civiele rechter heeft in dit geval geen taak. De rechtbank bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.

Uitkomst: De cliëntenraad wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat voor beoordeling van het geschil.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/706776 / KG ZA 26/624
Vonnis in kort geding van 26 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
Cliëntenraad Villa Expertcare B.V.te Nieuwegein, optredend namens zichzelf en als gemachtigde van de volmachtgevers van wie de volmachten als producties 27 en 30 in het geding zijn gebracht,
eiser,
advocaten mrs. R.C. de Mol en K.F. Liew te Amsterdam,
tegen:
de Staat der Nederlanden (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd)te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. M. Batting te Den Haag,
waarin is tussengekomen:
Villa Expertcare B.V.te Nieuwegein,
advocaten mrs. B.A. van Schelven en B. Wallage te Utrecht.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de CR’, ‘de IGJ’ en ‘VEC’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 23;
- de door de IGJ overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie tot interventie ex art. 217 Rv Pro;
- de aktes overlegging aanvullende producties van de CR, met producties 24 tot en met 30;
- de op 23 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de CR en de IGJ pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op 2 juli 2026. Dit vonnis wordt bij vervroeging gewezen.

2.Het incident tot tussenkomst

2.1.
VEC heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen de CR en de IGJ dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de IGJ. Ter zitting hebben de CR en de IGJ verklaard geen bezwaar te hebben tegen tussenkomst of voeging. VEC is vervolgens overeenkomstig haar primaire vordering toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
De CR is een cliëntenraad conform de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (Wmcz). De CR fungeert als cliëntenraad voor VEC.
3.2.
VEC biedt hoog specialistische intensieve 24-uurs kinderverpleging aan ernstig zieke en/of meervoudig beperkte kinderen van 0-18 jaar. Deze zorg bestaat onder meer uit logeerzorg (ook wel: respijtzorg) en uit woonzorg, waarbij ernstig zieke en/of meervoudig beperkte kinderen bij VEC kunnen komen wonen. Ook biedt VEC verpleegkundige kinderdagopvang aan. Deze zorg biedt VEC aan in vier villa’s: in Waalre, Rijswijk, Vleuten en Wezep.
3.3.
VEC heeft begin 2026 het besluit genomen om de zorg die zij biedt op de vier villa’s volledig te beëindigen. In de communicatie nadien heeft VEC het volgende bericht:
"Aan een definitieve sluitingsdatum stellen we de randvoorwaarde dat de zorg van Villa ExpertCare niet stopt zolang voor een kind geen vervolgzorg is gerealiseerd. De villa's blijven open totdat voor ieder kind een alternatieve zorgplek is gevonden, dat uitgangspunt is en blijft leidend."
3.4.
Naar aanleiding van het besluit tot sluiting van de vier zorgvilla’s en signalen over de kwaliteit, veiligheid en continuïteit van zorg is de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) een onderzoek gestart. In haar in mei 2026 gepubliceerde onderzoekrapport concludeert de IGJ onder meer dat (i) de kwaliteit van zorg grotendeels voldoende is, maar kwetsbaar, (ii) er nu voldoende professionals zijn, maar de bezetting onzeker is en (iii) er acties nodig zijn op toekomstige risico’s en passend zorgalternatief. De inspectie concludeert ook:
“De bestuurder lijkt (…) onvoldoende passend te handelen op de signalen van de professionals en cliëntvertegenwoordigers met zorgen over de continuïteit en kwaliteit van zorg. De organisatie geeft namelijk aan de locaties open te houden zolang er geen passende zorgalternatieven zijn gevonden voor de cliënten. De inspectie concludeert dat deze toezegging onvoldoende realistisch is als VEC op korte termijn geen verbetermaatregelen treft om de risico’s te minimaliseren. (...)
De inspectie heeft hierdoor beperkt vertrouwen in de verbeterkracht van de organisatie en het urgentiebesef van de bestuurder. De inspectie constateert dat verbeteringen op korte termijn noodzakelijk zijn. De inspectie wil deze verbetermaatregelen blijven volgen.”
VEC is vervolgens door de IGJ gevraagd om verbetermaatregelen te nemen en zo alsnog aan de normen te voldoen. In reactie hierop heeft VEC een plan van aanpak opgesteld en rapporteert zij de IGJ tweewekelijks over de voortgang daarvan.
3.5.
Op 22 mei 2026 heeft VEC de CR bericht dat zij voornemens is om per 1 juli 2026 de zorg op de vier villa’s te clusteren in die zin dat de zorg na die datum uitsluitend wordt gecontinueerd op de locaties Rijswijk en Wezep. Voortzetting van zorg op de locaties Waalre en Vleuten is volgens VEC niet langer reëel en verantwoord, omdat een aanzienlijk deel van het personeel per 1 juli 2026 stopt en het aantal cliënten op die locaties aanzienlijk is afgenomen.
3.5.1.
De CR heeft negatief geadviseerd over de voorgenomen clustering van zorg. Volgens de CR is er (i) geen aantoonbaar veilige personeelsbezetting op de ontvangende locaties, (ii) geen sluitend plan voor individuele cliënten voor wie clustering niet mogelijk is en (iii) geen onderbouwing van de noodzaak.
3.6.
Op 3 juni 2026 heeft de CR de IGJ verzocht om gebruik te maken van haar bevoegdheden op grond van artikel 27 Wet Pro kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) door VEC een schriftelijke aanwijzing of bevel te geven, inhoudende dat VEC de voorgenomen sluiting van de locaties Vleuten en Waalre opschort totdat voor iedere cliënt aldaar een concrete en verantwoorde alternatieve zorglocatie is gerealiseerd, en indien nodig handhavend op te treden. Ook heeft de CR in zijn brief erop gewezen dat het ingaan van een noodscenario – waarbij de zorginstelling een beroep doet op steun van buitenaf, zoals zorgverzekeraars – onvermijdelijk wordt als VEC wordt gedwongen zorg te blijven verlenen. De CR meent dat dit vereist dat het IGJ op bestuursniveau ingrijpt bij VEC. De CR heeft de IGJ gevraagd hem uiterlijk voor 5 juni 2026 om 12:00 uur te bevestigen dat zij per direct tot interventie overgaat.
3.7.
De IGJ heeft op 5 juni 2025 gereageerd op het verzoek van de CR. In haar brief schrijft de IGJ dat zij het verzoek beschouwt als een verzoek als bedoeld in artikel 1:3 Awb Pro, waarvoor een wettelijke reactie termijn geld van acht weken. De IGJ benadrukt dat zij de geuite zorgen over de voorgenomen clustering van zorg serieus neemt en zich er maximaal voor inspant om de CR op korte termijn van een antwoord te voorzien.
3.8.
Bij brief van 11 juni 2026 heeft de IGJ de CR medegedeeld dat zij het verzoek voor zover dat ziet op de beschikbaarheid en continuïteit van zorg en op de vraag of passende alternatieve zorg voor cliënten beschikbaar is, heeft doorgestuurd naar de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), als zijnde de instantie die toeziet op de zorgplicht van zorgverzekeraars. Daarnaast heeft de IGJ zich op het standpunt gesteld dat de CR niet als rechtstreeks betrokken belanghebbende kan worden aangemerkt bij handhaving door de IGJ jegens VEC. De CR is verzocht aan te geven namens welke cliënten hij het verzoek indient en daarbij ondertekende volmachten aan te leveren. Daarop heeft de CR laten weten dat hij het standpunt van de IGJ dat hij geen belanghebbende is niet deelt en louter subsidiair volmachten zal overleggen.
3.9.
De situatie bij VEC heeft ook de aandacht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Er hebben verschillende gesprekken plaatsgevonden met VEC, waaraan ook de CR, de IGJ, zorgverzekeraars en de NZa hebben deelgenomen. Dit heeft onder meer geleid tot initiatieven gericht op het verbeteren en versnellen van de zorgbemiddeling. VEC heeft tijdens een gesprek op 10 juni 2026 met de minister van Langdurige Zorg toegezegd de datum van sluiting van de locaties Vleuten en Waalre van 1 juli 2026 los te laten indien blijkt dat op die datum geen passende vervolgzorg beschikbaar is, mits de kwaliteit en veiligheid van de zorg in de villa’s in Vleuten en Waalre geborgd zijn.

4.Het geschil

4.1.
De CR vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de IGJ gebiedt om gebruik te maken van haar bevoegdheden op grond van artikel 27 Wkkgz Pro door VEC de volgende schriftelijke aanwijzingen te geven:
I. VEC schort de voorgenomen sluiting van de locaties Vleuten en Waalre op totdat voor iedere client aldaar een concrete en verantwoorde alternatieve zorglocatie is gerealiseerd;
II. VEC wendt zich tot de zorgverzekeraars om het noodscenario in te roepen, om zodoende de continuïteit van de zorgverlening in Vleuten en Waalre te waarborgen;
althans een andere passende voorziening treft, met veroordeling van de IGJ in de proceskosten.
4.2.
Daartoe voert de CR – samengevat – het volgende aan. Het voornemen van VEC om de locaties in Vleuten en Waalre per 1 juli 2026 te sluiten noopt tot ingrijpen van de IGJ. Zolang de noodzakelijke zorg voor de aldaar verblijvende cliënten niet afdoende is gewaarborgd, is sluiting in strijd met de op VEC rustende verplichtingen uit de Wkkgz. De CR heeft daarom de IGJ gesommeerd om te interveniëren bij VEC. Dit heeft zij tot op heden niet gedaan, terwijl het belang van de cliënten van VEC vereist dat de IGJ per direct handhavend optreedt.
4.3.
De IGJ en VEC voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

5.De beoordeling van het geschil

5.1.
In dit kort geding beoogt de CR te bewerkstelligen dat de IGJ wordt geboden om, met gebruikmaking van haar wettelijke bevoegdheden, VEC de schriftelijke aanwijzingen te geven zoals hiervoor bij de weergave van de vorderingen vermeld.
5.2.
De IGJ en VEC voeren in de eerste plaats als verweer dat de CR in deze kortgedingprocedure niet in zijn vorderingen kan worden ontvangen, omdat hij zijn vorderingen in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang aan de bestuursrechter ter beoordeling kan voorleggen. Dit verweer slaagt. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.3.
De vraag of voor de civiele rechter een taak is weggelegd bij de beoordeling van een geschil waarin het gaat om bestuursrechtelijk handelen van een overheidsorgaan is afhankelijk van de vraag of een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat, waarin de rechtmatigheid van dat handelen kan worden getoetst. Is een dergelijke procedure die voldoende rechtsbescherming biedt bij de bestuursrechter voorhanden, dan moet daarvan ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen van de civiele rechter en de bestuursrechter over eenzelfde kwestie gebruik gemaakt worden en is voor de civiele rechter geen taak weggelegd. Het bewaken van de taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter wordt ook ingegeven door het belang dat het zo veel mogelijk de gespecialiseerde (bestuurs)rechter moet zijn die de specialistische zaken behandelt en beoordeelt.
5.4.
De CR heeft op 3 juni 2026 aan de IGJ verzocht handhavend op te treden tegen VEC op grond van overtredingen van artikel 2 lid 1 Wkkgz Pro, artikel 3 lid 1 Wkkgz Pro en artikel 29 Wkggz Pro. Tussen partijen is niet in geschil dat als IGJ een besluit neemt op dit verzoek, dat een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Tegen een dergelijk besluit kan CR opkomen bij de bestuursrechter.
5.5.
De IGJ heeft nog niet beslist op het verzoek van 3 juni 2026, zodat er op dit moment geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro voorhanden is. De stelling van de CR dat er om die reden voor hem geen (snelle) rechtsingang is bij de bestuursrechter, is onjuist. In artikel 6:2 Awb Pro wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek kan de CR blijkens artikel 6:12 Awb Pro in beroep gaan bij de bestuursrechter. Hangende het beroep kan de CR op grond van artikel 8:81 Awb Pro de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter verzoeken om één of meerdere voorlopige voorzieningen te treffen. In die procedure kan de CR dezelfde verzoeken indienen als hij in dit kort geding heeft gedaan. Ook bij de bestuursrechter kan, in spoedeisende gevallen, op zeer korte termijn een voorlopige voorziening worden gevraagd. De CR kan dus bij de bestuursrechter hetzelfde resultaat bereiken als het resultaat dat hij met deze procedure beoogt te bereiken. Daarmee staat vast dat voor de CR een met voldoende waarborgen omklede en snelle rechtsgang bij de bestuursrechter open staat.
5.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de CR niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen. Dit brengt mee dat aan de bespreking van de overige verweren niet wordt toegekomen.
5.7.
De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van dit geval aanleiding om te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
verklaart de CR niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;
6.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.
EI