ECLI:NL:RBDHA:2026:17357

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL25.37041 en NL25.37042
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 8:72 AwbArtikel 3 EVRMArtikel 15 KwalificatierichtlijnArtikel 30b Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing opvolgende asielaanvraag Libische nationaliteit wegens onvoldoende motivering

Eiser, een Libische nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in nadat zijn eerdere aanvraag was afgewezen. Verweerder wees de aanvraag af wegens kennelijke ongegrondheid, waarbij met name de problemen met de militie van Zuwara en de vermeende pro-Gaddafi stamafkomst van eiser niet geloofwaardig werden geacht.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de eerdere ongeloofwaardigheid van verklaringen kon betrekken, maar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het deskundigenrapport van eiser niet als zodanig kon worden erkend. Verweerder heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de kwalificaties en bronnen van de deskundige.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege ondeugdelijke motivering en onzorgvuldige voorbereiding. Verweerder wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en eiser krijgt een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.37041 (beroep) en NL25.37042 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1990 en van Libische nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. C.C. Smit),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening, die ertoe strekt dat eiser niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
2.2.
De rechtbank/ voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) heeft het beroep op 16 juni 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiser heeft eerst op 27 september 2019 asiel gevraagd, waaraan hij onder andere ten grondslag heeft gelegd dat hij bij terugkeer naar Libië vreest voor de milities. De aanvraag is op 25 augustus 2020 afgewezen als ongegrond. Het hiertegen ingestelde beroep is op 7 oktober 2020 [2] niet-ontvankelijk verklaard omdat de beroepsgronden buiten de termijn zijn ingediend.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft nog immer problemen met de militie van Zuwara en heeft documenten ter onderbouwing hiervan overgelegd. Voorts behoort hij tot de stam [naam], die wordt gezien als pro-Gaddafi. Daarnaast vreest hij bij terugkeer voor de strenge controle op de luchthaven en voor de algemene onveilige situatie in Libië.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen met de militie Zuwara;
3. dat eisers stam als pro-Gaddafi wordt gezien.
5.1
Verweerder acht het eerste asielmotief geloofwaardig, maar het tweede en derde asielmotief niet. Deze asielmotieven zijn niet volledig met objectieve documenten onderbouwd. De problemen met de militie Zuwara zijn in de vorige procedure al ongeloofwaardig geacht en dat wordt gehandhaafd onder verwijzing naar de besluitvorming in de vorige procedure. Daarbij is niet gebleken dat eiser niet over de nieuwe informatie heeft kunnen verklaren in de vorige procedure. Niet is gebleken dat eiser in de vorige procedure niet goed kon verklaren en ook is dat niet onderbouwd met medische stukken. Eiser heeft destijds uitgebreid de vragen beantwoord en is in de gelegenheid gesteld dit aan te vullen bij de correcties en aanvullingen. Daarnaast onderbouwen de overgelegde documenten niet dat eiser in de negatieve belangstelling staat. Aan het opsporingsbevel van [datum 1] van het politiekantoor [plaats] en het arrestatiebevel van afzender [persoon] , [functie] (ongedateerd) kan niet de waarde worden toegekend die eiser wilt. Over de verklaring van sociale zaken van de gemeente [plaats] van [datum 2] heeft eiser niet eerder verklaard en bovendien heeft hij nog jarenlang in Libië verbleven. Het pasje lidmaatschap van Beweging 17 februari is niet bij de vorige procedure overgelegd, terwijl het wel in het bezit van eiser was. Op het YouTube filmpje is eiser niet goed herkenbaar en daarom kan dit filmpje niet onderbouwen dat eiser in de negatieve belangstelling van de militie van Zuwara staat. Het enkele feit dat deze video inmiddels vaker is bekeken wijzigt deze conclusie niet. Verder is het derde asielmotief niet eerder aangevoerd, terwijl het wel logisch was geweest. Gaddafi-loyalisten werden tijdens de vorige procedure ook al aangemerkt als risicogroep dus niet valt in te zien dat eiser daar toen geen beroep op heeft gedaan. Ook heeft eiser meerdere malen heen en weer gereisd tussen [plaats] en Tripoli na de opstand in 2011 en heeft hij diverse malen nadien buiten Libië verbleven en is weer teruggekeerd naar Libië. Dit duidt er evenmin op dat leden van zijn stam, dan wel bewoners uit [plaats], als pro-Gaddafi worden aangemerkt en enkel daardoor problemen zouden ondervinden. Het overgelegde rapport van dr. I. [deskundige 2] onderbouwt niet dat eiser als pro-Gaddafi beschouwd wordt vanwege zijn stam dan wel vanwege zijn herkomst uit [plaats]. Het document bevat algemene informatie en hieruit blijkt niet dat alle leden van deze stam als pro-Gaddafi worden aangemerkt. Nu niet aannemelijk is dat eiser als pro-Gaddafi wordt gezien en ook in het verleden niet is beschuldigd van een dergelijke pro-Gaddafi houding, kan hij niet als vluchteling worden aangemerkt. Voorts kan in Tripoli sprake zijn van willekeurig geweld, maar er is sprake van een relatief laag niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door individuele persoonlijke omstandigheden daar slachtoffer van zal worden. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag als kennelijk ongegrond [3] kan worden afgewezen, het terugkeerbesluit gehandhaafd kan blijven en er een inreisverbod voor de duur van twee jaar kan worden opgelegd.
Bespreking van de beroepsgronden
6. Eiser heeft aangevoerd dat zijn problemen met de militie Zuwara worden onderbouwd door de overgelegde documenten, met name het arrestatiebevel en opsporingsbevel. Bureau Documenten kan geen uitspraak doen over de echtheid hiervan. Verweerder had daarom deze documenten inhoudelijk moeten beoordelen en kan er niet zonder meer geen waarde aan toekennen. Eiser heeft toegelicht op welke wijze hij het opsporings- en het arrestatiebevel heeft verkregen. Deze wijze van verkrijging is aannemelijk geacht door de deskundige [deskundige 2] . Eisers verklaringen en de overgelegde documenten dienen inhoudelijk bij de beoordeling te worden betrokken en kunnen niet terzijde worden geschoven enkel omdat hij daarover niet in de eerste procedure heeft verklaard.
6.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de verklaringen van eiser ongeloofwaardig heeft geacht en daarvoor naar het afwijzende besluit in de eerste procedure kon verwijzen. Dat eiser in de eerste procedure niet volledig heeft kunnen verklaren is niet met (medische) stukken onderbouwd, waardoor niet kan worden ingezien dat hij al zijn problemen niet in de eerste procedure naar voren kon brengen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de overgelegde documenten niet onderbouwen dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de militie Zuwara. De verklaringen van onderzoek van Bureau Documenten zijn deskundigenrapporten, die inzichtelijk en concludent zijn. Verweerder mocht dan ook de daarin genoemde conclusies aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen. De conclusies van Bureau Documenten dat het opsporings- en arrestatiebevel zeer wel mogelijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, zijn niet weerlegd door een contra-expertise. Het rapport van [deskundige 2] kan in dit kader niet worden aangemerkt als een contra-expertise, omdat [deskundige 2] niet het originele opsporingsbevel en arrestatiebevel heeft onderzocht en heeft aangegeven een second opinion te willen vragen over de bevelen. Verder heeft verweerder de bevelen inhoudelijk beoordeeld en betrokken in de besluitvorming. Zo heeft verweerder ten aanzien van het opsporingsbevel overwogen dat eiser niet weet waarom hij ineens in 2023 weer vervolgd zal worden voor feiten uit 2011/2012 en weet hij niet te vertellen wat voor feiten het betreffen. Ook kan eiser niet verklaren over de zaken die horen bij de genoemde zaaknummers. Ten aanzien van het arrestatiebevel heeft verweerder overwogen dat uit dit arrestatiebevel volgt dat eiser zou worden gezocht vanwege de verdenking van verraad van de principes van de revolutie van 17 februari en dat eiser verklaard heeft dat de militie van Zuwara achter dit arrestatiebevel zit vanwege eisers activiteiten aan het begin van de revolutie. Deze verklaringen zijn in de eerste procedure ongeloofwaardig geacht, omdat eiser op geen enkele wijze heeft verklaard dat hij op enige wijze een actieve rol had als lid van de Beweging 17 februari. Verweerder heeft ook terecht de conclusies van Bureau Documenten betrokken dat het zeer bevreemdend is dat eiser een origineel opsporingsbevel en arrestatiebevel in zijn bezit heeft, omdat dit soort bevelen in principe enkel in het bezit van autoriteiten horen te zijn. Daarbij heeft eiser niet kunnen verklaren over de inhoud van de bevelen en wijze van verkrijging. Eiser heeft verklaard dat hij deze bevelen via een hooggeplaatst persoon bij de politie heeft verkregen. Het had op de weg van eiser gelegen om navraag te doen naar de wijze van verkrijging en de inhoud, in ieder geval nadat hij het afwijzend besluit had ontvangen. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij behoort tot een groep die moet worden aangemerkt als een risicoprofiel. Eiser heeft hierbij verwezen naar het deskundigenrapport van [deskundige 2] . In het deskundigenrapport wordt onderbouwd dat zijn stam als pro-Gaddafi wordt beschouwd in Libië. Gelet hierop is het aannemelijk dat eiser bij controleposten van milities zal worden ondervraagd, waarbij vaak sprake is van marteling en dat het zeer aannemelijk is dat milities zullen aannemen dat eiser Libië is ontvlucht omdat hij een Gaddafi-loyalist is. Verweerder mag niet zonder meer voorbij gaan aan het overgelegde deskundigenrapport en de conclusies die daaruit volgen zonder zelf een contra-expertise in te brengen. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij een hoger risico zal lopen om slachtoffer te worden van (willekeurig) geweld gelet op de zeer fragiele veiligheidssituatie, waarin burgers, zoals in het ambtsbericht expliciet staat vermeld, met veiligheidsrisico’s te maken krijgen als zij zich op het verkeerde moment op de verkeerde plek bevinden. Niet alleen heeft eiser als gevolg van zijn verwondingen een opvallend uiterlijk, waarmee hij volgens het ambtsbericht een groter risico loopt op een strengere controle bij controleposten. Bovendien zal een mogelijke confrontatie tijdens een controle met het filmpje waarop eiser te zien is met zijn verwondingen als gevolg van het offensief bij Ragdalin, aanleiding kunnen zijn voor arrestatie.
7.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet voldoende heeft uitgelegd waarom [deskundige 2] niet als deskundige over de algemene situatie in Libië kan worden beschouwd en zijn rapport niet als een deskundigenrapport kan worden aangemerkt. Verweerder heeft zich eerst ter zitting op het standpunt gesteld dat het rapport van [deskundige 2] niet als een deskundigenrapport kan worden aangemerkt, omdat uit het rapport niet blijkt wie de bronnen zijn waar [deskundige 2] zich op baseert en waar de deskundigheid van die bronnen uit blijkt. De rechtbank acht dit onvoldoende weerlegging van de deskundigheid van [deskundige 2] . Op de eerste drie pagina’s van zijn rapport van 5 juni 2025 heeft hij namelijk zijn kwalificaties opgesomd waaruit zijn deskundigheid over de situatie in Libië zou blijken. Verweerder heeft geen onderzoek gedaan naar deze kwalificaties om te weerleggen dat [deskundige 2] niet deskundig zou zijn op dit gebied. De enkele stelling dat [deskundige 2] zijn bevindingen baseert op vertrouwelijke bronnen is op zichzelf onvoldoende om te kunnen stellen dat niet van de conclusies van [deskundige 2] kan worden uitgegaan. Indien verweerder twijfelt aan de bronnen van [deskundige 2] , had het op de weg van verweerder gelegen om in het kader van de samenwerkingsverplichting nader onderzoek of navraag te doen naar de bronnen waar [deskundige 2] zich op baseert. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling [4] van 22 april 2024. [5] De beroepsgrond slaagt en de rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. Gelet op het door verweerder nieuw te nemen besluit en het nader te verrichten onderzoek ligt het niet voor de hand dat de rechtbank nu al oordeelt over de grond ten aanzien van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. [6] Immers, indien eiser vanwege zijn stamafkomst als pro-Gaddafi wordt gezien, kan het zijn dat de 15c-beoordeling anders uitvalt.
8. Nu het beroep gegrond gaat om de bovengenoemde reden en het besluit zal worden vernietigd geeft de rechtbank in het kader van de finale geschillenbeslechting aan verweerder het volgende mee ten aanzien van de beoordeling van het artikel 3 van Pro het EVRM [7] -risico, onder verwijzing naar onder meer de door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 januari 2026 en de aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 31 maart 2026 [8] . Verweerder heeft zich ter zitting beroepen op Afdelingsuitspraken [9] dat geen sprake is van een risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Libië. Deze uitspraken zijn gedaan voor het nieuwe ambtsbericht van 2025. Uit het nieuwe ambtsbericht volgt dat het lijkt dat personen die terugkeren naar Libië kunnen worden blootgesteld aan langdurige ondervraging en daarbij risico lopen op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie. Ook blijkt niet uit het ambtsbericht, zoals in de hiervoor genoemde rechtbankuitspraken ook is overwogen, dat terugkeerders aan een bepaald profiel moeten voldoen om voor deze risico’s in aanmerking te komen. [10] Daar komt in het geval van eiser nog bij dat hij bij terugkeer, mogelijk extra risico loopt als hij vanwege zijn stamafkomst als pro-Gaddafi wordt gezien. De rechtbank stelt voorts vast dat de UNHCR [11] erop aandringt dat alle staten gedwongen terugkeer naar Libië opschorten totdat de veiligheids- en mensenrechtensituatie aanzienlijk is verbeterd. Deze overwegingen in hun samenhang bezien, brengt met zich dat het aan verweerder is alle twijfels over een risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM weg te nemen [12] bij een eventueel nieuw te nemen besluit op dit punt. Dat de Afdeling de voorlopige voorziening in de hoger beroepszaak tegen de rechtbankuitspraak van 31 maart 2026 heeft toegewezen maakt dit niet anders, omdat deze beslissing ongemotiveerd is.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden zelf in de zaak te voorzien. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat te verwachten is dat het onderzoek dat nodig is om de gebreken te herstellen langer zal duren.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor twaalf weken.
9.2.
Nu er uitspraak is gedaan in het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
9.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 1 augustus 2025;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zaaknummer NL20.16041 (niet gepubliceerd).
3.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.ECLI:NL:RVSL2024:1674.
6.Richtlijn 2011/95/EU.
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
9.Afdelingsuitspraken van 21 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:182) en 3 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:822).
10.Zie rechtsoverweging 19 in zaaknummer: NL25.36951 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
11.Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (Engels: United Nations High Commissioner for Refugees).
12.‘to dispel any doubts’, Europees Hof voor de Rechten van de Mens in o.a. de zaak R.C. tegen Zweden nr. 41827/07 en 20 juli 2010 in de zaak M.A. tegen Zwitserland, nr. 23505/09.