ECLI:NL:RBDHA:2026:17354

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
SGR 24/7263
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:1 AwbWet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt besluit zorgkantoor over niet-accreditatie zorgovereenkomst

Eiseres, een zorgverlener, maakte bezwaar tegen het besluit van het zorgkantoor DSW waarin werd medegedeeld dat een eventuele zorgovereenkomst met haar niet zou worden geaccordeerd. Dit besluit was een aanvulling op de toekenning van een persoonsgebonden budget (pgb) aan de erven van een overleden budgethouder met dementie.

De rechtbank oordeelde dat eiseres niet als belanghebbende kon worden aangemerkt omdat haar belang uitsluitend voortvloeit uit de contractuele relatie met de budgethouder en niet los daarvan een eigen, persoonlijk belang bestaat. Hierdoor was zij niet ontvankelijk in haar bezwaar en beroep.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtbank zag geen aanleiding om de inhoudelijke beroepsgronden te behandelen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit en verklaart het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk wegens gebrek aan eigen belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7263

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.G. Pherai),
en

Zorgkantoor DSW, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van der Meer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de mededeling aan de erven van [erflater] van verweerder bij het besluit van 12 december 2023, dat een eventuele zorgovereenkomst met eiseres als zorgverlener niet door verweerder zal worden geaccordeerd. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.1.
De rechtbank verklaart in deze uitspraak het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In een aanvulling op het besluit van 12 december 2023 (addendum) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat een eventuele zorgovereenkomst met eiseres als zorgverlener niet door verweerder zal worden geaccordeerd. In het bestreden besluit van 24 juli 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het addendum ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde en een tolk, H. Ibnolfayir, en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] .

Beoordeling door de rechtbank

3. Budgethouder [erflater] , geboren in 1940, had in de laatste periode van zijn leven alzheimer en was daardoor ernstig beperkt. In verband daarmee heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hem het zorgprofiel 5VV (Beschermd wonen met intensieve dementiezorg) toegekend, op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Verweerder heeft hem voor de realisering van die zorg voor verschillende opvolgende jaren een persoonsgebonden budget (pgb) verleend.
3.1.
De bewindvoerder van budgethouder, [bewindvoerder] , heeft bij verweerder een op 20 oktober 2023 ondertekende aanvraag ingediend om een pgb. De bewindvoerder heeft het pgb aangevraagd met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2023.
3.2.
In de brief van 12 december 2023 heeft verweerder het aangevraagde pgb toegekend. Het pgb wordt toegekend over de periode van 1 januari 2023 tot en met 18 november 2023, aangezien budgethouder op 18 november 2023 is overleden.
3.3.
In het addendum heeft verweerder het toekenningsbesluit aangevuld met de mededeling dat een eventuele zorgovereenkomst met eiseres als zorgverlener niet door verweerder zal worden geaccordeerd. Verweerder heeft in dat verband opgemerkt dat de adviserend verpleegkundige van verweerder tijdens een fysiek huisbezoek eind 2022 de conclusie heeft getrokken dat de door eiseres geleverde zorg ondermaats is, niet passend is, en geen zorg in de zin van de Wlz betreft.
3.4.
In het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres tegen het addendum ongegrond verklaard.
Beroepsgronden
4. Eiseres bestrijdt dat de door haar verleende zorg niet adequaat of passend zou zijn.
Is eiseres belanghebbende?
5. In deze zaak moet eerst de vraag worden beantwoord of eiseres is aan te merken als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb kan alleen een belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter.
5.1.
In artikel 1:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
5.2.
De wetgever heeft de eis dat sprake moet zijn van een belang dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken mede gesteld om te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang, als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen aanwenden. Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, moet sprake zijn van een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang dat de betrokkene in voldoende mate onderscheidt van anderen. Dat belang moet rechtstreeks bij het desbetreffende besluit zijn betrokken. Bij een uitsluitend van een andere betrokkene afgeleid belang is niet aan deze eis voldaan.
5.3.
Het enkele feit dat sprake is van een contractuele relatie tussen degene tot wie een besluit is gericht en een derde, betekent niet dat het belang van die derde bij dat besluit reeds daarom als een afgeleid belang moet worden aangemerkt. Onderzocht moet worden of die derde, los van die contractuele relatie, ook een zelfstandig, eigen belang heeft bij dat besluit, bijvoorbeeld in een andere hoedanigheid dan die van contractspartner. Een eigen, niet afgeleid belang kan ook bestaan vanwege de reële mogelijkheid dat de derde in een aan een zakelijk of fundamenteel recht ontleend eigen belang wordt geschaad. [1]
5.4.
Het besluit van 12 december 2023, inclusief het addendum, is gericht tot de erven van de budgethouder. Eiseres heeft op eigen titel, dus niet als erfgenaam van budgethouder, bezwaar gemaakt tegen dit besluit en op eigen titel beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank is – met verweerder ter zitting - van oordeel dat eiseres niet is aan te merken als belanghebbende bij het besluit. De rechtstreekse financiële gevolgen van het besluit doen zich uitsluitend voor in de relatie tussen (de erven van) de budgethouder en het zorgkantoor. Voor zover eiseres in eigen persoon van dat besluit financiële gevolgen ondervindt, vloeien deze uitsluitend voort uit de contractuele relatie die zij met budgethouder had. Gelet daarop kan eiseres hieraan niet een rechtstreeks belang ontlenen. Niet gebleken is van een eigen belang, dat los staat van het contractuele belang. [2]
5.5.
Aangezien niet is gebleken van een eigen belang, had het bezwaar van eiseres niet inhoudelijk behandeld kunnen worden en kan ook haar beroep niet inhoudelijk behandeld worden. Gelet daarop komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de beroepsgronden van eiseres.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande had verweerder het bezwaar van eiseres tegen het addendum in het besluit van 12 december 2023 niet ongegrond maar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bezwaar van eiseres tegen het addendum van 12 december 2023 alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht vergoeden en krijgt eiseres vergoeding van haar proceskosten. De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1). Verder heeft eiseres op het door haar ter zitting ingeleverde proceskostenformulier ingevuld dat zij reiskosten heeft gemaakt van € 7,- en heeft zij onder het kopje “verschotten” een bedrag van € 51,- ingevuld zonder deze te specificeren. De rechtbank vergoedt de reiskosten voor de reis naar de zitting van € 7,-. De rechtbank ziet geen aanleiding tot vergoeding van verschotten. Niet te beoordelen is of deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, aangezien ze niet onderbouwd en gespecifieerd zijn. Het totale bedrag aan te vergoeden proceskosten is daarmee (€ 1.868 + € 7 =) 1.875,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar tegen het addendum bij het besluit van 12 december 2023 niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) van 3 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:918.
2.Zie de uitspraak van de CRVB van 15 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2172.