ECLI:NL:RBDHA:2026:17331

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL26.6266 en NL26.6267
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vw 2000Art. 83 Vw 2000Art. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring opvolgende asielaanvraag wegens nieuwe relevante elementen

Eiser, een Bengalese nationaliteit, diende zijn derde opvolgende asielaanvraag in op 13 januari 2026 nadat eerdere aanvragen waren afgewezen en in rechte onherroepelijk waren verklaard. De minister van Asiel en Migratie verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk omdat er geen nieuwe relevante elementen waren aangevoerd.

Eiser bracht in beroep nieuwe stukken in, waaronder een verklaring en medische documenten over een aanval op zijn vrouw op 3 januari 2026 door leden van een politieke partij. De rechtbank oordeelde dat deze nieuwe elementen relevant zijn en dat verweerder een te strenge maatstaf hanteerde bij de beoordeling van de ontvankelijkheid.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en bepaalde dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen, waarbij de nieuwe stukken inhoudelijk moeten worden betrokken. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en eiser kreeg een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring en draagt op tot een nieuw besluit binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.6266 (beroep) en NL26.6267 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Post)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn opvolgende asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Sareen als tolk in de taal Hindi en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser is geboren op [geboortedag] 1973 en heeft de Bengalese nationaliteit. Op 25 maart 2019 heeft eiser zijn eerste asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met de besluiten van 17 en 18 december 2019 afgewezen als ongegrond. Eiser is hiertegen in beroep gegaan. Bij uitspraak van 4 maart 2021 van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, is het beroep van eiser ongegrond verklaard. [1] De Afdeling [2] heeft bij uitspraak van 31 maart 2021 [3] dit oordeel bevestigd en eisers hoger beroep ongegrond verklaard. De besluiten staan zodoende in rechte vast.
5.1.
Eiser heeft vervolgens een tweede, opvolgende asielaanvraag ingediend op 10 februari 2023. Deze aanvraag is bij besluit van 21 mei 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is hiertegen in beroep gegaan. Bij uitspraak van 11 december 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, het beroep van eiser ongegrond verklaard. [4] De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 december 2025 dit oordeel bevestigd en eisers hoger beroep ongegrond verklaard. [5] Het besluit staat zodoende in rechte vast.
5.2.
Op 13 januari 2026 heeft eiser de huidige, derde opvolgende asielaanvraag ingediend. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het nu bestreden besluit. Eiser heeft zijn asielrelaas van de vorige procedure gehandhaafd. Verder heeft hij aangevoerd dat op 3 januari 2026 [de persoon 1] van de [naam 1] partij met enkele anderen bij hem thuis is geweest. Zij hebben naar eiser gevraagd en daarbij zijn vrouw aangevallen. Eiser heeft verklaard dat zijn vrouw hiervan aangifte heeft gedaan en dat de aangifte in behandeling is genomen.
5.3.
Verweerder heeft in de eerste procedure de politieke overtuiging geloofwaardig geacht. Verweerder heeft niet geloofwaardig geacht dat eiser naar aanleiding van zijn politieke activiteiten problemen heeft ondervonden.
5.4.
In beroep heeft eiser de volgende documenten ingebracht:
  • General diary;
  • Medische stukken echtgenote.
Het bestreden besluit
6. Verweerder heeft bij besluit van 28 januari 2026 de derde opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 [6] . Volgens verweerder heeft eiser in deze procedure geen nieuwe relevante elementen en bevindingen aangevoerd.
6.1.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen eiser heeft aangedragen wel nieuw, maar niet relevant is omdat het voortborduurt op de problemen die al eerder ongeloofwaardig zijn geacht.
6.2.
Verweerder heeft verder het opgelegde terugkeerbesluit en het inreisverbod voor de duur van twee jaar gehandhaafd in het bestreden besluit.
Toetsingskader
Nieuwe relevante elementen en bevindingen
7. Bij de beoordeling van een opvolgende aanvraag moet verweerder eerst beoordelen of er nieuwe elementen of bevindingen zijn. Daarna moet verweerder beoordelen of de nieuwe elementen of bevindingen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Dit houdt in dat zij de kans aanzienlijk groter maken dat eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming. [7]
Standpunten en beoordeling door de rechtbank
Overgelegde nieuwe stukken in beroep
8. Eiser voert aan dat hij wel relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd. Eiser heeft verklaard dat hij nog steeds problemen ondervindt vanwege zijn lidmaatschap. Hij heeft hierbij gewezen op het incident van 3 januari 2026. Eiser heeft in beroep stukken overgelegd die dit onderbouwen. Zo heeft eiser de
General diaryovergelegd, gedateerd van 23 januari 2026, die hij heeft benoemd tijdens het gehoor opvolgende aanvraag, waaruit blijkt dat zijn vrouw een schriftelijke aanvraag heeft ingediend bij de politie wat betreft de aanval door de leden van de politieke partij [naam 1] . Verder heeft eiser medische stukken overgelegd waaruit volgt dat zijn vrouw op 3 januari 2026, de dag van de aanval, medische hulp heeft gezocht. Omdat deze omstandigheden moeten worden gezien als nieuwe relevante elementen en bevindingen, en eiser de stukken heeft ingediend na het bestreden besluit, zal verweerder volgens eiser deze stukken alsnog inhoudelijk dienen te beoordelen, omdat deze stukken de reeds eerder door eiser aangevoerde omstandigheden kunnen sterken en staven en daarmee geloofwaardig maken.
9. Verweerder heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat de overgelegde stukken nieuwe elementen en bevindingen betreffen, maar dat deze echter niet relevant zijn. Zo stelt verweerder dat in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 4 maart 2021, in het kader van eisers eerste procedure, reeds is geoordeeld dat verweerder niet ten onrechte heeft betrokken dat eisers ervaren bedreiging met de dood niet te verenigen is met zijn marginale rol bij de BNP. Vanwege eisers marginale rol wordt volgens verweerder niet geloofwaardig geacht dat eisers vrouw nu wel problemen heeft ondervonden. Verder stelt verweerder dat de
General diaryook inhoudelijk tegenstrijdigheden bevat. Zo heeft eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag verklaard dat tijdens de aanval fysiek geweld is gebruikt en dat zijn vrouw gewond zou zijn geraakt. Volgens verweerder is dit echter niet te vinden in de
General diary, daar staat namelijk in dat verbaal geweld is gebruikt. In de
General diarystaat ook niet dat sprake was van seksueel geweld, terwijl eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag wel heeft verklaard dat zijn vrouw dit heeft ervaren. Verweerder stelt verder dat verschillende namen anders zijn gespeld in de
General diary. Zo heeft eiser tijdens het eerste gehoor van 1 april 2019, in het kader van zijn eerste asielprocedure, verklaard dat zijn broer [de persoon 2] en zijn vader [de persoon 3] heet, terwijl in de
General diaryde namen zijn gespeld als ‘ [de persoon 4] ’ en ‘ [de persoon 5] ’. Wat betreft de bewijswaarde van de
General diarystelt verweerder zich op het standpunt dat het document is opgesteld naar aanleiding van de verklaringen van eisers vrouw, en dat het zodoende geen objectief verifieerbaar document betreft. Dit maakt volgens verweerder dat er een geringe bewijswaarde aan het document moet worden gehecht.
10. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank wijst allereerst op artikel 83 van Pro de Vw 2000, waaruit volgt dat er in asielzaken sprake is van een ex nunc-toetsing. De rechtbank betrekt bij haar beoordeling daarom alle door eiser overgelegde stukken van na het bestreden besluit.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de gebeurtenissen van 3 januari 2026 nieuw zijn. De rechtbank stelt verder vast dat eiser in beroep stukken heeft overgelegd die zijn asielrelaas onderbouwen. In geschil is de vraag ofde gebeurtenissen van 3 januari 2026 en de onderbouwende stukken relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag.
10.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van nieuwe elementen en bevindingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. De rechtbank stelt daarbij voorop dat ook documenten waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld, dan wel waarvan de bron niet objectief verifieerbaar is — zoals verweerder ten aanzien van de
General diarystelt — dienen te worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van relevante nieuwe elementen en bevindingen.
10.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder een te strenge maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van relevante elementen of bevindingen. Volgens verweerder kunnen nieuwe gebeurtenissen en/of stukken niet af doen aan het eerdere besluit omdat daarin is vastgesteld dat eiser een marginale rol speelde binnen de BNP. Door die marginale rol is het onaannemelijk dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege zijn politieke overtuiging. Ook eventuele latere problemen zijn volgens verweerder dan ook niet relevant. Het door verweerder gehanteerde toetsingskader maakt de opvolgende aanvraag illusoir en zou ertoe leiden dat nooit succesvol een opvolgende asielaanvraag kan worden ingediend. Dat in rechte vaststaat dat eiser slechts een marginale rol binnen de BNP heeft gehad en dat de gestelde doodsbedreiging om die reden ongeloofwaardig is geacht, betekent niet dat latere gebeurtenissen reeds daarom eveneens ongeloofwaardig moeten worden geacht. Eiser kan immers, zoals hij heeft gedaan, met nieuwe stukken onderbouwen dat hij ondanks zijn marginale rol alsnog problemen ondervind. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat eiser met nieuwe stukken over de door hem gestelde problemen alsnog afbreuk kan doen aan de eerdere vaststelling dat hij slechts een marginale rol binnen de BNP had. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit in zijn standpunt onvoldoende onderkend. Verweerder heeft dan ook een verkeerder toets gehanteerd en niet draagkrachtig gemotiveerd waarom geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen.
10.4.
Wat betreft de inhoud van de
General diaryis de rechtbank van oordeel dat deze over het algemeen geen tegenstrijdigheden of ongerijmdheden bevat zoals verweerder die daarin heeft gelezen. Zo blijkt dat eisers vrouw heeft verklaard dat zij, naast verbaal geweld, wel degelijk ook fysiek geweld heeft ervaren. Zie de volgende zinsneden van de Engelse vertaling:
‘’When my son [kind] asked the opposing party to stop
abusing us, the opposing party and his 2-3 unidentified associates rushed towards me and my sonto assault us. At that moment, witnesses (1) [de persoon 4] , son of [de persoon 5] , and (2) [de persoon 6] , son of [de persoon 4] […], along with other nearby people, came forward and rescued us from the clutches of the opposing parties.’’
Het Engelse woord ‘
assault’ vertaalt zich naar ‘aanvallen’ of ‘aanranden’. Het is daarom ook goed mogelijk dat eisers vrouw hiermee heeft bedoeld dat zij seksueel is aangeraakt, zoals eiser heeft verklaard. De rechtbank betrekt in dit kader dat eiser over het incident heeft gehoord van zijn vrouw en hier zelf niet bij aanwezig was. Dat maakt het aannemelijk dat eiser op bepaalde punten anders heeft verklaard, zonder dat daarmee direct afbreuk wordt gedaan aan het feit dat de verklaring van eiser en hetgeen in de
General diarystaat in essentie overeenkomt met elkaar.
10.5.
Ten aanzien van het verschil in de spelling van de namen van eisers broer en vader in de
General diaryis de rechtbank van oordeel dat dit verschil niet afdoet aan de vaststelling dat het om dezelfde personen gaat. Daarbij volgt de rechtbank het standpunt van eiser ter zitting, namelijk dat de verschillende spellingen gebruikelijke varianten van dezelfde naam betreffen en dat namen afhankelijk van de taal verschillend kunnen worden gespeld. Eiser heeft in dit verband verklaard dat de naam van zijn vader in het Bengaals als ‘ [de persoon 5] ’ wordt gespeld, terwijl deze in het Engels wordt weergegeven als ‘ [de persoon 3] ’.
10.6.
De beroepsgrond slaagt. De overige beroepsgronden behoeven geen verdere bespreking.

Conclusie en gevolgen

11. Verweerder heeft de aanvraag van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent alleen dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom verweerder niet inhoudelijk naar de aanvraag heeft gekeken. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (en zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van de aanvraag. De rechtbank geeft verweerder mee dat hij bij de nieuw te maken beoordeling de
General diaryin samenhang met de overgelegde medische documenten zal moeten beoordelen, aangezien daaruit blijkt dat eisers vrouw op de dag van de gestelde aanval medisch is behandeld.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.
13. Nu de rechtbank al heeft beslist op het beroep, zal de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.
14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in zaaknummer NL26.6266:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in zaaknummer NL26.6267:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank, in beide zaken:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zaaknummer: NL20.745.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zaaknummers: 202101826/1/V2 en 202101826/2/V2.
4.Zaaknummer: NL25.23550.
5.Zaaknummers: BRS.25.002494 en BRS.25.002564.
6.Vreemdelingenwet 2000.
7.Zie het arrest L.H. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 september 2021, ECLI:NL:EC:C:2021:478 en de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208.