De rechtbank Den Haag heeft op 26 juni 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op €500.000,-, maar wordt pondspondsgewijs toegerekend aan de veroordeelde en medeveroordeelde, waardoor het bedrag voor de veroordeelde €250.000,- bedraagt.
De officier van justitie baseerde de vordering op een ontnemingsrapport van mei 2024, terwijl de verdediging betoogde dat niet vaststaat dat de veroordeelde daadwerkelijk betaald heeft gekregen, omdat cocaïne vaak op rekening wordt verkocht. De rechtbank achtte dit niet aannemelijk en ging uit van een verkoopprijs van €25.000 per kilogram, wat resulteert in een totale opbrengst van €500.000.
De rechtbank weigerde aftrek van inkoopkosten, omdat deze kosten verband houden met strafbaar handelen en derhalve voor rekening van de veroordeelde blijven. De betalingsverplichting wordt vastgesteld op €250.000,-, met een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen om verhaal te kunnen halen indien betaling uitblijft. De redelijke termijn is niet overschreden, mede gezien de complexiteit en gelijktijdige behandeling van de strafzaak.