Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17323

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
09/332456-22 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 36e SrArt. 6:6:25 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit verkoop cocaïne

De rechtbank Den Haag heeft op 26 juni 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Het onderzoek vond plaats op 12 juni 2026, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten naar voren brachten.

De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €250.000, gebaseerd op een rapport van mei 2024. De verdediging betwistte de vordering en stelde onder meer dat het voordeel niet aannemelijk was of lager moest worden geschat. De rechtbank nam de bewijsvoering uit de strafzaak over en concludeerde dat de verkoop van twintig blokken cocaïne à €25.000 per stuk een opbrengst van €500.000 opleverde.

De rechtbank oordeelde dat inkoopkosten en kosten voor uithalers niet in mindering mogen worden gebracht omdat deze kosten verband houden met strafbaar handelen. Het voordeel werd pondspondsgewijs toegerekend aan de veroordeelde en medeveroordeelde, waardoor het voordeel voor de veroordeelde op €250.000 werd vastgesteld.

De rechtbank stelde de betalingsverplichting op dit bedrag vast en wees de verdediging af om de zaak aan te houden. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1080 dagen, gebaseerd op één dag per €100 ontnomen voordeel. De uitspraak is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: De veroordeelde wordt verplicht tot betaling van €250.000 aan de Staat en de gijzelingstermijn wordt vastgesteld op 1080 dagen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/332456-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 26 juni 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 12 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. E.J. van Drongelen op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsman mr. Y. Moszkowicz op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2.De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 250.000,- en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

3.De grondslag voor ontneming

De veroordeelde is bij vonnis van heden door deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld wegens het volgende strafbare feit:
- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit bewezenverklaarde strafbare feit. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

4.De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij de vordering gepersisteerd. De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsrapport), opgemaakt op 23 mei 2024. De conclusie van het ontnemingsrapport is dat het door de veroordeelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel € 250.000,- bedraagt.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de veroordeelde heeft op de terechtzitting van 12 juni 2026 afwijzing van de vordering bepleit, omdat de veroordeelde zich niet schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, dan wel aanhouding van de ontnemingszaak tot het vonnis in de strafzaak is gewezen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Meest subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat, omdat de uitgangspunten voor de berekening niet juist zijn.
4.3.
Bewijsmiddelen
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen.
1. De gebruikte bewijsvoering in het vandaag gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde. Deze bewijsvoering neemt de rechtbank hier over en is (voor de leesbaarheid) als bijlage aan dit vonnis gehecht. De voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden ontleent de rechtbank rechtstreeks aan de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen. In de ontnemingszaak verbindt de rechtbank op grond van dezelfde overwegingen dezelfde gevolgtrekkingen aan die bewijsmiddelen als in de strafzaak;
2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat op 23 mei 2024 is opgemaakt.
Op enig moment waren twintig blokken cocaïne in het bezit van ‘ [account 1] ’. Deze bood hij aan voor € 25.000,- per stuk aan de gebruiker ‘ [account 2] ’. Als die nog geen twee uur later interesse toont zijn de twintig blokken al weg. Het is aannemelijk dat ‘ [account 1] ’ de blokken voor dezelfde prijs heeft verkocht aan een andere afnemer. De verkoopopbrengst: € 500.000,-. [1]
4.4.
Oordeel van de rechtbank
Het verzoek van de verdediging om de zaak aan te houden wordt afgewezen, nu de rechtbank in de strafzaak vonnis heeft gewezen.
De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening. De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen. De rechtbank overweegt in aanvulling daarop nog het volgende.
De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde voor het medeplegen van – onder andere – de verkoop van twintig blokken, ongeveer twintig kilogram, cocaïne is veroordeeld bij vonnis van heden. De rechtbank heeft in de strafzaak geoordeeld dat de veroordeelde dit samen met zijn vader, medeveroordeelde [medeveroordeelde] , heeft gedaan. De betrokkenheid van de veroordeelde en de medeveroordeelde staat daarmee in de ontnemingszaak ook vast.
Opbrengst
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de cocaïne werd verkocht voor € 25.000,- per blok/kilogram. De totale opbrengst van deze transactie bedraagt daarom 20 x € 25.000,- = € 500.000,-.
Kosten
In de ontnemingsrapportage is geconcludeerd dat geen zicht is gekregen op welke (directe) kosten zijn gemaakt bij de verkoop van de twintig blokken/ kilogram cocaïne, onder meer omdat de veroordeelde daarover geen verklaring heeft afgelegd.
Door de verdediging is aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met kosten, namelijk de inkoopprijs van de cocaïne en de kosten voor uithalers.
Op grond van artikel 36e, achtste lid, Sr kunnen kosten die rechtstreeks in verband staan met het begaan van de strafbare feiten waarvoor de ontnemingsmaatregel wordt opgelegd en die redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering worden gebracht. De wetgever heeft de rechter daarbij grote vrijheid gelaten of en zo ja, in welke mate, hij rekening wil houden met zodanige kosten. De aftrek van kosten dient zich te beperken tot bijzondere gevallen waarin de redelijkheid dit gebiedt. Met de introductie van het redelijkheidscriterium heeft de wetgever onder meer als doel gehad dat kosten voor handelen dat op zichzelf al een strafbaar feit inhoudt, niet langer voor aftrek in aanmerking komen.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn inkoopkosten voor cocaïne en kosten voor uithalers, kosten voor handelen dat op zichzelf een strafbaar feit inhoudt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voornoemde kosten voor rekening van de veroordeelde dienen te blijven.
4.5.
Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het totale door de veroordeelde en de medeveroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 500.000,-.
4.6.
Toerekening van het voordeel
De veroordeelde heeft met de medeveroordeelde geprofiteerd van een strafbaar feit. Aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt echter geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst. De veroordeelde heeft geen inzicht gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel. Ook overigens bieden de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten voor een andere toerekening dan een pondspondsgewijze toerekening van het voordeel aan veroordeelde. Dit zou slechts anders zijn als de veroordeelde aannemelijk zou hebben gemaakt dat feitelijk van een andere verdeling moet worden uitgegaan. De rechtbank zal daarom het totale wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toerekenen aan de veroordeelde en de medeveroordeelde.
De rechtbank schat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel daarom op een bedrag van € 250.000,-.

5.De vaststelling van de betalingsverplichting

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op hetzelfde bedrag als het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk € 250.000,-.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over omstandigheden die van invloed zouden zijn op de vaststelling van de betalingsverplichting.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de redelijke termijn aanvangt op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Als aanvangsdatum neemt de rechtbank 14 september 2023. Dit is de datum waarop een machtiging is verleend voor conservatoir beslag.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De duur van de redelijke termijn in een zaak is echter altijd afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Specifiek voor ontnemingszaken geldende omstandigheden kunnen meebrengen dat meer dan twee jaar kunnen zijn verlopen zonder dat van een overschrijding van de redelijke termijn kan worden gesproken. Zo is de afdoening van een ontnemingszaak mede afhankelijk van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid. De rechtbank is van oordeel dat deze ontnemingszaak voldoende voortvarend (gelijktijdig met de strafzaak) is berecht en de redelijke termijn niet is overschreden, mede gelet op de omvang en complexiteit van het onderzoek in de strafzaak. De rechtbank ziet daarin daarom geen aanleiding om de betalingsverplichting te matigen.
Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding om de betalingsverplichting te matigen.
5.4.
Conclusie vaststelling betalingsverplichting
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 250.000,-.
De rechtbank zal toepassing geven aan artikel 36e, elfde lid, Sr. Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen, die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt. De rechtbank zal die maximale duur bepalen op basis van één dag per te ontnemen € 100,-.
Gelet op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van € 250.000,-, zal de rechtbank de duur van de gijzeling vaststellen op 1080 dagen, nu dat het maximum vast te stellen aantal dagen gijzeling betreft.

6.Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7.De beslissing

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 250.000,- (zegge: tweehonderdvijftigduizend euro);
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van
€ 250.000,- (zegge: tweehonderdvijftigduizend euro)aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,
mr. F. Bouman, rechter,
mr. T.A.B. Mentink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2026.

Voetnoten

1.Aanvraag machtiging conservatoir beslag [veroordeelde] .