De rechtbank Den Haag heeft op 26 juni 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Het onderzoek vond plaats op 12 juni 2026, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten naar voren brachten.
De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €250.000, gebaseerd op een rapport van mei 2024. De verdediging betwistte de vordering en stelde onder meer dat het voordeel niet aannemelijk was of lager moest worden geschat. De rechtbank nam de bewijsvoering uit de strafzaak over en concludeerde dat de verkoop van twintig blokken cocaïne à €25.000 per stuk een opbrengst van €500.000 opleverde.
De rechtbank oordeelde dat inkoopkosten en kosten voor uithalers niet in mindering mogen worden gebracht omdat deze kosten verband houden met strafbaar handelen. Het voordeel werd pondspondsgewijs toegerekend aan de veroordeelde en medeveroordeelde, waardoor het voordeel voor de veroordeelde op €250.000 werd vastgesteld.
De rechtbank stelde de betalingsverplichting op dit bedrag vast en wees de verdediging af om de zaak aan te houden. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1080 dagen, gebaseerd op één dag per €100 ontnomen voordeel. De uitspraak is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.