De rechtbank Den Haag behandelde het verzet van opposant tegen de uitspraak van 30 januari 2026, waarin het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de ingebrekestelling van 2 september 2025 niet geldig zou zijn verstuurd. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de elektronische verzending niet was toegestaan zonder expliciete opening door het bestuursorgaan.
Opposant stelde dat de ingebrekestelling via veilig mailen (ZIVVER) was verzonden en verwees naar een ontvangstbevestiging van de minister waarin dit werd erkend. De rechtbank concludeerde dat de ingebrekestelling rechtsgeldig was verstuurd en dat het eerdere oordeel daarom onjuist was. Het verzet werd gegrond verklaard, waardoor de eerdere uitspraak verviel en het onderzoek werd hervat.
Vervolgens behandelde de rechtbank het beroep over het niet tijdig beslissen op een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De minister had alsnog een besluit genomen, waarna opposant het beroep introk en proceskosten maakte. De rechtbank kende een proceskostenvergoeding van €700,50 toe aan opposant, die door de minister moet worden betaald. Tegen deze uitspraak staat geen verzet of hoger beroep open.