Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is op 8 december 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat de maatregel onrechtmatig was vanwege een korte tijd tussen de opheffing van de vorige maatregel en de nieuwe ondertekening, en dat de locatie van bewaring ongeschikt was gezien zijn psychische klachten.
De rechtbank oordeelde dat het tijdstip van digitale ondertekening een administratieve handeling betreft en dat het korte tijdsbestek van enkele minuten geen schending van belangen oplevert. De minister had voldoende gemotiveerd dat er risico's waren dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en dat geen minder ingrijpende maatregel toereikend was.
Hoewel de omzetting van een eerdere maatregel te laat plaatsvond, was dit geen ernstige schending van het fundamentele recht op vrijheid, zodat de huidige maatregel niet onrechtmatig is. De rechtbank vond ook dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld in het kader van de uitzettingsprocedure.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter P. Lenstra op 6 januari 2026.