Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring die op 18 december 2025 door verweerder is opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogt onder meer dat de verlenging van de ophouding onrechtmatig was, de maatregel op een onjuiste grondslag berust en dat er geen zicht is op overdracht naar Frankrijk.
De rechtbank overweegt dat de verlenging van de ophouding rechtmatig was omdat nog onderzoek nodig was naar de verblijfsstatus van eiser, mede vanwege een asielaanvraag in Frankrijk. De maatregel van bewaring is gebaseerd op een concreet aanknopingspunt voor overdracht, namelijk de registratie van eiser in het Eurodac-register, wat volgens vaste jurisprudentie voldoende is.
Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat er sprake is van zware en lichte gronden die een significant risico op onttrekking aan toezicht rechtvaardigen. Het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan ondersteunen dit risico. Ook is er zicht op overdracht, aangezien een Dublingehoor gepland staat en een terugnameverzoek bij de Franse autoriteiten is ingediend.
De rechtbank oordeelt dat geen lichter middel dan bewaring toereikend is, omdat het adres van eiser niet als vaste verblijfplaats kan worden aangemerkt. Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel leidt eveneens tot het oordeel dat de maatregel niet onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.