ECLI:NL:RBDHA:2026:17204

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
AWB 25/14954 en AWB 25/14955
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 12 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging verblijfsvergunning op grond van Verblijfsregeling Mensenhandel

Eiser, een Braziliaanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden vanwege een aangifte van mensenhandel. Deze vergunning werd ingetrokken omdat het Openbaar Ministerie geen vervolging instelde. Eiser vroeg om verlenging van zijn verblijfsvergunning, maar dit werd afgewezen omdat er geen strafrechtelijke vervolging liep en het onderzoek niet was heropend.

Eiser voerde aan dat hij wel degelijk slachtoffer was en een privéleven in Nederland had opgebouwd met zijn gezin en bedrijf. Ook stelde hij dat hij gehoord had moeten worden in de bezwaarfase. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar zich alleen richtte op de verlengingsaanvraag en niet op het intrekkingsbesluit, dat rechtsgeldig was.

De rechtbank vond dat verweerder de aanvraag terecht had afgewezen omdat er geen strafrechtelijke vervolging was en eiser onvoldoende had onderbouwd wat zijn privéleven in Nederland inhoudt. Ook was er geen schending van de hoorplicht, omdat eiser zijn bezwaar niet had aangevuld en verweerder geen aanleiding had om hem te horen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/14954 en AWB 25/14955
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 8 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning op grond van de Verblijfsregeling Mensenhandel en beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van eiser heeft ook voor hem getolkt in het Portugees. Namens verweerder is met voorafgaand bericht geen gemachtigde verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Braziliaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1976. Eiser had een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden omdat hij aangifte heeft gedaan van mensenhandel. Verweerder heeft die verblijfsvergunning op 21 juni 2024 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 22 januari 2024, omdat het Openbaar Ministerie op laatstgenoemde datum heeft besloten geen vervolging in te stellen op basis van de aangifte van eiser.
3. Eiser heeft op 22 november 2024 een aanvraag ingediend tot verlenging van zijn verblijfsvergunning. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen omdat de verblijfsvergunning al was ingetrokken. Omdat ook in de bezwaarfase niet is gebleken dat het strafrechtelijk onderzoek is heropend of dat er een nieuw onderzoek is gestart, is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven met het bestreden besluit van 27 juni 2025. Dat besluit ligt in deze zaak voor.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Anders dan het Openbaar Ministerie heeft geconcludeerd, heeft eiser wel vastgezeten in de macht van de mensenhandelaar. Daarnaast heeft eiser familieleven in Nederland opgebouwd. Zijn kinderen zitten hier op school, spreken Nederlands en hebben hier hun sociale leven. Eiser heeft daarnaast een eigen bedrijf in de bouw, waarmee hij een bijdrage levert aan de Nederlandse economie. Verweerder moest eiser in de bezwaarfase horen, omdat tijdens een hoorzitting meer informatie naar voren had kunnen komen over de mensenhandel en eisers gezin. Verweerder heeft nu nagelaten de belangen van de kinderen mee te nemen in het bestreden besluit.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
6. Anders dan eiser heeft betoogd, hoefde verweerder het bezwaar in deze procedure niet op te vatten als een bezwaar tegen het intrekkingsbesluit. Het intrekkingsbesluit is namelijk op de juiste manier bekendgemaakt aan de vorige gemachtigde van eiser en eiser heeft toen de gelegenheid gehad om in bezwaar te gaan tegen de intrekking. Dit heeft hij niet gedaan. Daarom ligt in deze zaak alleen de vraag voor of verweerder de verlengingsaanvraag terecht heeft afgewezen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning op goede gronden afgewezen. Allereerst vindt de rechtbank van belang dat de intrekking van de verblijfsvergunning in rechte vast is komen te staan. Omdat er geen vervolging of strafzaak loopt, voldoet eiser ook in deze procedure niet aan de eisen voor dit type verblijfsvergunning [1] . Er is ten eerste geen sprake van een strafrechtelijke vervolging in de zaak waarin eiser aangifte heeft gedaan, nu het Openbaar Ministerie op 22 januari 2024 heeft besloten de zaak te seponeren. Eiser heeft ook niet naar aanleiding van die beslissing verzocht om alsnog vervolging in te stellen op grond van artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank kan in deze procedure niet beoordelen of het Openbaar Ministerie terecht is gestopt met het onderzoek naar aanleiding van de aangifte van eiser. Er is ook niet gebleken dat het eerdere strafrechtelijke onderzoek is heropend of dat er een nieuw onderzoek is begonnen. Dat eiser een nieuwe aangifte heeft ingediend, is hiervoor niet voldoende, omdat niet is gebleken dat naar aanleiding van die aangifte een nieuw onderzoek is begonnen. Het stuk dat eiser na afloop van de zitting heeft ingediend over zijn aangifte, kan de rechtbank niet betrekken bij de beoordeling van het beroep omdat het onderzoek al is gesloten.
8. Hoewel te prijzen is dat eiser na wat hij heeft meegemaakt, in staat is geweest een leven op te bouwen in Nederland, hard te werken en voor zijn gezin te zorgen, kan dat niet leiden tot voortzetting van zijn verblijfsvergunning op basis van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser heeft namelijk bij de aanvraag en in de bezwaarfase niet onderbouwd waar zijn privéleven in Nederland uit bestaat. Verweerder hoefde daarom geen aanleiding te zien dit nader te onderzoeken.
9. Tot slot volgt de rechtbank het standpunt van eiser niet dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Van het horen in bezwaar mag pas worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Verweerder heeft in het primaire besluit al gemotiveerd waarom de aanvraag is afgewezen en eiser heeft zijn bezwaargronden, ondanks het verzoek van verweerder, niet aangevuld. Verweerder hoefde daarom geen aanknopingspunten te zien om eiser te horen. Voor een verstrekkende ambtshalve toetsing van de punten die pas in de beroepsfase naar voren zijn gekomen – namelijk eisers privéleven en het belang van het kind – ziet de rechtbank in deze zaak geen ruimte. Dit geldt te meer omdat ook in beroep geen stukken zijn ingebracht ter onderbouwing van de situatie van eiser en zijn gezin in Nederland.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
10.1.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [2] .
10.2.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie paragraaf B9/12 van de Vreemdelingencirculaire.
2.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.