ECLI:NL:RBDHA:2026:17174
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure met toewijzing proceskosten
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 19 januari 2026 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens zijn een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd. Verzoeker stelde beroep in tegen deze besluiten en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 21 april 2026 in zitting, waarbij beide gemachtigden aanwezig waren. Op 25 juni 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het samenhangende bodemberoep, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig is.
De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af. Omdat het bodemberoep gegrond is verklaard, wordt verzoeker wel in de proceskosten van de voorlopige voorziening tegemoetgekomen. De proceskosten worden vastgesteld op € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A. Dijkstra en griffier K.E. Mulder, en is openbaar gemaakt op 25 juni 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar verzoeker krijgt proceskostenvergoeding omdat het bodemberoep gegrond is verklaard.