Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17165

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL25.7821
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.86 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8 EVRMArt. 40a Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring wegens cocaïnehandel

Eiser, van Franse nationaliteit, werd op 22 februari 2024 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden (waarvan 2 voorwaardelijk) wegens cocaïnehandel. Naar aanleiding hiervan heeft de minister van Asiel en Migratie op 5 juni 2024 het verblijfsrecht van eiser beëindigd en hem ongewenst verklaard, waarna eiser bezwaar maakte dat ongegrond werd verklaard.

De rechtbank heeft op 13 mei 2025 de zaak behandeld en beoordeelde dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De rechtbank weegt mee dat het misdrijf recent is gepleegd, de ernst van cocaïnehandel en het ontbreken van objectief bewijs dat eiser zijn gedrag heeft veranderd.

Eiser voerde aan dat hij geschrokken is en geen recidiverisico meer bestaat, en dat hij bindingen heeft met Nederland via zijn partner. De rechtbank oordeelt echter dat deze persoonlijke omstandigheden onvoldoende zijn om het besluit te wijzigen, mede omdat eiser in België woonde en werkte voor zijn detentie en zijn relatie zich daar ook afspeelde.

De rechtbank concludeert dat het besluit van de minister deugdelijk is gemotiveerd en verklaart het beroep ongegrond. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten en kan bij terugkeer de detentie hervatten.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van zijn verblijfsrecht en ongewenstverklaring blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7821
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1999, van Franse nationaliteit, eiser.
(gemachtigde: mr. Š. Petković),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Inleiding

1.1.
Bij besluit van 5 juni 2024 heeft verweerder eisers verblijfsrecht ontzegd dan wel beëindigd en hem op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ongewenst verklaard. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Op 24 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard en is verweerder bij de ontzegging van het verblijfsrecht en de ongewenstverklaring gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft de zaak op 13 mei 2025 met partijen op zitting besproken. Hierbij hebben partijen zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Achtergrond en besluitvorming
2. Eiser is op 22 februari 2024 onherroepelijk veroordeeld door de politierechter tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden (waarvan twee maanden voorwaardelijk) wegens, kort gezegd, cocaïnehandel/smokkel. Eiser is daaraan voorafgaand op 10 februari 2024 in verzekering gesteld en op 12 februari 2024 door de Koninklijke Marechaussee gehoord. Vervolgens heeft de Koninklijke Marechaussee op 9 maart 2024 aan verweerder voorgesteld om eiser ongewenst te verklaren.
3. Met het primaire besluit, in stand gelaten in bezwaar, heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser beëindigd, bepaald dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten en eiser ongewenst verklaard. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verder heeft eiser niet aangetoond dat hij gebonden is aan Nederland en dat het voor hem van groot belang is om hier te blijven. Evenmin staat artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) of artikel 8 EVRM Pro [1] aan het besluit in de weg, aldus verweerder.
4. Bij beslissing van 25 juni 2024 is aan eiser een strafonderbreking verleend voor onbepaalde duur op grond van artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting. Die strafonderbreking is ingegaan toen eiser daadwerkelijk Nederland heeft verlaten. Aan de strafonderbreking is de voorwaarde verbonden dat eiser niet naar Nederland terugkeert. Indien eiser deze voorwaarde niet naleeft, wordt de tenuitvoerlegging van de detentie hervat. Eiser op 28 juni 2024 uitgezet naar België, waar eiser voorafgaand aan de detentie ook woonde met zijn moeder.

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiser betwist dat sprake is van een actuele dreiging en doet een beroep op zijn persoonlijke omstandigheden. Eiser is een
first offender, hij is heel erg geschrokken en de afschrikwekkende werking van de straf maakt dan ook dat er geen recidiverisico meer is. Door de politierechter is ook niet de hoogste straf opgelegd, want er is bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat eiser geen strafblad heeft. Zijn partner woont verder in Nederland met haar kinderen. Hij wil graag de vrijheid hebben om haar te bezoeken, zich te vestigen in Nederland en te werken in Nederland.
6. Bij de beoordeling van het besluit is het volgende van belang. Op grond van artikel 67, eerste lid, van de Vw kan verweerder een Unieburger – voor zover hier relevant – ongewenst verklaren als (onder b) hij is veroordeeld voor een misdrijf waarvoor de maximale gevangenisstraf 3 jaren of meer is bedreigd en (onder c) omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde en hij geen rechtmatig verblijf heeft. Verweerder moet hierbij toetsen of het persoonlijke gedrag van de Unieburger een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. [2] Verweerder moet bij zijn beoordeling of hiervan sprake is alle feitelijke en juridische omstandigheden betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie tot het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Daarbij moet verweerder in het bijzonder rekening houden met de duur van het verblijf van de betrokkene in Nederland, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie en sociale en culturele integratie in Nederland en met de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt en overweegt als volgt. Eiser is door de strafrechter veroordeeld tot een gevangenisstraf voor het plegen van een ernstig misdrijf. Hij is bij het inreizen op Schiphol gepakt met bijna een kilo aan ingeslikte bolletjes cocaïne. Gezien de verwoestende effecten van drugs op de samenleving heeft het smokkelen van cocaïne een bijzonder ernstig karakter.
8. De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de omstandigheden waarin eiser tot zijn daden komt en/of zijn normbesef nu zodanig ten positieve zijn gewijzigd dat niet meer voor nieuwe misdrijven hoeft te worden gevreesd. Dat betekent dat de bedreiging nog actueel is. Eiser heeft het misdrijf recent gepleegd en een gedeelte van de periode sinds het misdrijf in detentie gezeten. Dat eiser nu niet nogmaals de fout in is gegaan zegt daarom niet zo veel. Eiser heeft geen objectief verifieerbare stukken overgelegd waaruit zou moeten blijken dat eiser zijn persoonlijke omstandigheden zijn gewijzigd of dat hij een positieve gedragsverandering zou hebben doorgemaakt waardoor de dreiging niet meer actueel is. De bewijslast hiervoor ligt bij eiser. De enkele stelling dat hij geschrokken is en spijt heeft is onvoldoende om aan te nemen dat er geen recidiverisico meer is, temeer gezien de ernst en aard van het gepleegde misdrijf. Dat eiser naar eigen zeggen meteen weer aan het werk is gegaan en begonnen is aan een opleiding, maakt het oordeel niet anders. Eiser werkte immers ook ten tijde van het gepleegde misdrijf.
9. Tot slot overweegt de rechtbank dat verweerder heeft kunnen oordelen dat eisers persoonlijke omstandigheden geen reden zijn om zijn verblijfsrecht niet te beëindigen. Van eiser mag gelet op zijn leeftijd worden verwacht dat hij in België, waar hij nu woont, weer een leven kan opbouwen. Eiser woonde en werkte ook in België voorafgaand aan zijn detentie. Datzelfde geldt voor de relatie met mevrouw Lantveld. Eiser heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat zijn aanwezigheid in Nederland noodzakelijk is. Integendeel, uit het dossier blijkt dat de relatie zich voorheen voornamelijk in België afspeelde. Dat eiser graag de mogelijkheid wil hebben om zich vrij naar Nederland te kunnen bewegen is begrijpelijk, maar dat hij dit niet meer kan komt voor zijn eigen rekening en risico. Daarbij wijst de rechtbank ook op de voorwaarde verbonden aan de strafonderbreking. Als eiser naar Nederland terugkeert, wordt de openstaande gevangenisstraf hervat.
10. Alles in samenhang bezien heeft verweerder kunnen concluderen dat in het bestreden besluit op de juiste gronden is geoordeeld dat eisers gedrag een actuele, werkelijk en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Gelet hierop heeft verweerder eisers verblijfsrecht kunnen ontzeggen dan wel beëindigen en eiser ongewenst kunnen verklaren.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen recht heeft op vergoeding van eventuele kosten in deze procedure.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. van Egmond, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
2.Zie arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2025 in de zaak Z.Zh. en I.O. ECLI:EU:C:2015:377.