Eiser, van Franse nationaliteit, werd op 22 februari 2024 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden (waarvan 2 voorwaardelijk) wegens cocaïnehandel. Naar aanleiding hiervan heeft de minister van Asiel en Migratie op 5 juni 2024 het verblijfsrecht van eiser beëindigd en hem ongewenst verklaard, waarna eiser bezwaar maakte dat ongegrond werd verklaard.
De rechtbank heeft op 13 mei 2025 de zaak behandeld en beoordeelde dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De rechtbank weegt mee dat het misdrijf recent is gepleegd, de ernst van cocaïnehandel en het ontbreken van objectief bewijs dat eiser zijn gedrag heeft veranderd.
Eiser voerde aan dat hij geschrokken is en geen recidiverisico meer bestaat, en dat hij bindingen heeft met Nederland via zijn partner. De rechtbank oordeelt echter dat deze persoonlijke omstandigheden onvoldoende zijn om het besluit te wijzigen, mede omdat eiser in België woonde en werkte voor zijn detentie en zijn relatie zich daar ook afspeelde.
De rechtbank concludeert dat het besluit van de minister deugdelijk is gemotiveerd en verklaart het beroep ongegrond. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten en kan bij terugkeer de detentie hervatten.