ECLI:NL:RBDHA:2026:17137

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.18357 en NL26.18358
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:83 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag.

De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en stelt vast dat Nederland een verzoek tot terugname aan Duitsland heeft gedaan, dat door Duitsland is aanvaard. Eiser betoogt dat hij niet wil terugkeren naar Duitsland vanwege een eerdere afwijzing en vreest detentie, maar slaagt er niet in aannemelijk te maken dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt.

De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser onvoldoende feiten heeft aangevoerd die een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro EU aannemelijk maken. Ook bijzondere individuele omstandigheden die overdracht aan Duitsland onevenredig hard zouden maken, zijn niet aangetoond.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding tot proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter J.C.E. Krikke en griffier D.P. van Middelkoop.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.18357 (beroep) en NL26.18358 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 31 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt zijn overdracht aan Duitsland te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.3.
De rechtbank doet op grond van de artikelen 8:54, eerste lid, en 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in het geval van eiser in de Dublinverordening. [2] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 12 januari 2026 aanvaard.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 17 van Pro de Dublinverordening
5. Eiser betoogt dat hij niet wil terugkeren naar Duitsland, omdat zijn asielaanvraag daar ten onrechte is afgewezen en hij niet wil terugkeren naar zijn land van herkomst. Eiser vreest daarom in detentie te belanden in Duitsland en dat wil hij niet. De minister stelt dat de procedure in Duitsland genoeg waarborgen kent, maar eiser heeft dat niet zo ervaren.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat de minister, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, er in het algemeen van mag uitgaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat hij een reëel risico zal lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest [4] of artikel 3 van Pro het EVRM. [5]
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser hier niet in is geslaagd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat asielzoekers of Dublinterugkeerders in Duitsland worden behandeld of uitgezet in strijd met internationale verplichtingen. Evenmin heeft eiser onderbouwd dat hij als Dublinterugkeerder geen toegang kan krijgen tot opvang of andere voorzieningen in Duitsland. Verder is van belang dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat de behandeling van de asielaanvraag geschiedt met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Duitsland is ook partij bij het EVRM. Als eiser vindt dat Duitsland zich niet houdt aan de internationale verplichtingen, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat het Duitse systeem in zijn optiek niet voldoende waarborgen kent acht de rechtbank in dat verband onvoldoende. De minister heeft daarom in het bestreden besluit kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en hij heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Duitsland de internationale verplichtingen nakomt. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.
5.3.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan de minister elke asielaanvraag desondanks inhoudelijk behandelen, ongeacht of de minister hiervoor verantwoordelijk is op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria. In paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft minister beleid opgenomen voor de toepassing van deze bevoegdheid. De minister maakt onder andere gebruik van deze bevoegdheid als (1) er concrete aanwijzingen zijn dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt of (2) bijzondere, individuele omstandigheden met zich meebrengen dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
5.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover eiser een beroep doet op de situatie onder (1) is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het geval van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Voor zover eiser betoogt dat sprake is van een situatie onder (2) is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden die eiser in het gehoor en in beroep naar voren heeft gebracht onvoldoende zijn voor de conclusie dat overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft daarom in redelijkheid kunnen beslissen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan hij de asielaanvraag aan zich zou moeten trekken. Eisers beroepsgrond slaagt ook daarom niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Er bestaat ook geen aanleiding om de proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL26.18537:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.18538:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013, per 12 juni 2026 de Asiel- en migratiebeheerverordening,
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.