Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17127

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL25.753
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.22 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 66a, zevende lid, Vreemdelingenwet 2000Paragraaf B10/2 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging EU-verblijfsrecht en oplegging tienjarig inreisverbod wegens ernstige bedreiging openbare orde

Eiser, van Turkse nationaliteit, kreeg op grond van het arrest Chavez-Vilchez afgeleid verblijfsrecht in Nederland vanwege zijn dochter met de Nederlandse nationaliteit. Verweerder beëindigde dit verblijfsrecht en legde een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een tienjarig inreisverbod op, omdat eiser recentelijk onherroepelijk is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf voor ontucht met een minderjarige.

Eiser voerde aan dat het inreisverbod disproportioneel is, dat hij geen actuele bedreiging vormt en dat hij betrokken moet blijven bij de opvoeding van zijn dochter. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser een actuele en ernstige bedreiging vormt, mede gelet op de recente veroordeling, het ontbreken van verantwoordelijkheid en duurzaam verbeterd gedrag, en de instabiliteit in zijn leefgebieden.

De rechtbank weegt het algemeen belang bij bescherming van de openbare orde zwaarder dan het belang van eiser bij familie- en gezinsleven. De relatie met de moeder van zijn dochter is beëindigd, hij heeft geen ouderlijk gezag, geen financiële bijdrage geleverd en slechts sporadisch telefonisch contact met zijn dochter. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het beëindigen van zijn EU-verblijfsrecht en het opleggen van een tienjarig inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.753
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1985, van Turkse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S. Petkovic)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Deniz).

Procesverloop

1. Met het besluit van 27 februari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder onder meer eisers EU-verblijfsrecht beëindigd, een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn aan hem uitgevaardigd en aan hem een zwaar inreisverbod opgelegd voor de duur van 10 jaar. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Achtergrond
3. Aan eiser is bij besluit van 18 december 2020 een verblijfsdocument EU/EER verleend, omdat hij op grond van het arrest Chavez-Vilchez [1] een afgeleid verblijfsrecht in Nederland had bij zijn dochter [persoon] , die de Nederlandse nationaliteit heeft.
Besluitvorming
4. Verweerder heeft met het primaire besluit het verblijfsrecht van eiser beëindigd, omdat zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. [2] Daarnaast is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar, omdat eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde. [3] Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser kortgeleden onherroepelijk is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf voor het plegen van ontucht met een minderjarige. Met het bestreden besluit is verweerder bij het primaire besluit gebleven.
Standpunt eiser
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het inreisverbod, de duur daarvan en het beëindigen van het verblijfsrecht disproportioneel zijn. Eiser stelt geen actuele bedreiging te vormen voor de openbare orde. Een groot deel van de opgelegde gevangenisstraf is namelijk voorwaardelijk opgelegd en hij heeft zijn straf al uitgezeten. Verweerder heeft ten onrechte niet alle relevante omstandigheden meegewogen bij de duur van het inreisverbod. Eisers dochter heeft de Nederlandse nationaliteit, zij is nog erg jong en het is van belang dat hij betrokken blijft bij haar opvoeding.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat van eiser een ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Verweerder heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat het gerechtshof eiser bij arrest van 6 februari 2024 heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, voor het plegen van een ernstig zedendelict met een minderjarige met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast is hij veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan het slachtoffer tot een bedrag van € 5.000,-.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de bedreiging die van eiser uitgaat nog actueel is. Daarbij is van belang dat de veroordeling tot een langdurige gevangenisstraf kortgeleden is. Eiser heeft bovendien tijdens de strafzaak geen verantwoordelijkheid genomen en geen inzicht getoond in het ontoelaatbare van zijn handelen. Verder heeft hij niet als vrij persoon laten zien dat hij zijn leven duurzaam heeft verbeterd. Voorts heeft verweerder er terecht op gewezen dat veel zogeheten leefgebieden volgens de reclassering instabiel zijn. Zo geven onder meer het middelengebruik van eiser en zijn psychosociaal functioneren en zijn aanleiding tot zorg.
8. Verweerder heeft aan het algemeen belang bij de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van misdrijven een zwaarder gewicht mogen toekennen dan aan het belang van eiser om familie- en gezinsleven uit te oefenen. Verweerder heeft in het nadeel van eiser het volgende mogen meewogen. Van eiser gaat een actuele en ernstige dreiging van de openbare orde uit. Eiser verbleef sinds eind 2020 in Nederland en heeft minder dan een half jaar later een ernstig zedendelict gepleegd. Hij heeft langer dan een jaar in detentie verbleven. Eiser heeft niet laten zien dat hij zijn leven duurzaam heeft verbeterd. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen meewegen dat de relatie van eiser met de moeder van zijn dochter in de maanden na haar geboorte is beëindigd. Eiser heeft geen ouderlijk gezag over zijn dochter. Anders dan eiser stelt, was eiser volgens de moeder niet of nauwelijks betrokken bij haar opvoeding en verzorging. Financieel heeft hij geen bijdrage geleverd. Eiser heeft geen omgangsregeling, maar slechts af en toe telefonisch contact met zijn dochter. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat op geen enkele manier duidelijk is geworden dat de dochter schade zal leiden, omdat eiser een langdurig inreisverbod is opgelegd.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
2.Op grond van artikel 8.22 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en paragraaf B10/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
3.Op grond van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.