Eiser, een Somalische nationaliteit dragende man, verzocht om een verblijfsvergunning asiel na te zijn gevlucht vanwege vermeende bedreigingen door Al Shabaab. Hij stelde dat hij vanwege financiële eisen, dreigementen en een handgranaataanval niet veilig was in Somalië en vreest voor zijn leven bij terugkeer.
Verweerder wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van het asielmotief, aanvankelijk ook de identiteit van eiser. Na onderzoek van het originele paspoort door Bureau Documenten werd de identiteit alsnog geloofwaardig geacht, maar het asielmotief bleef onvoldoende onderbouwd. De rechtbank oordeelt dat verweerder een integrale geloofwaardigheidstoets heeft uitgevoerd en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft gegeven dat Al Shabaab het specifiek op hem gemunt had.
Het terugkeerbesluit blijft gehandhaafd, waarbij eiser een vertrektermijn van vier weken is gegeven. De rechtbank wijst het beroep af en ziet geen aanleiding voor een voorlopige voorziening of proceskostenvergoeding. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.