ECLI:NL:RBDHA:2026:17077

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
09.303368.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen ontploffing en wapenbezit met zware schade en letselgevaar

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van het tot ontploffing brengen van een improvised explosive device (IED) bij een appartementencomplex in Lisse op 9 november 2025, en voor het bezit en de voorbereiding van een dergelijk explosief op 10 november 2025. De ontploffing veroorzaakte ernstige materiële schade en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij bewoners en omliggende woningen.

Uit het bewijs, waaronder chatberichten en getuigenverklaringen, blijkt dat verdachte een wezenlijke rol speelde door het vervoeren van de medeverdachte en het explosief, het filmen van de ontploffing en het onderhouden van contact met de opdrachtgever. Verdachte onderhandelde zakelijk over de vergoeding en toonde geen inzicht in de ernst van haar handelen.

De rechtbank acht bewezen dat het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen aanwezig was, maar spreekt verdachte vrij voor het tenlastegelegde levensgevaar wegens onvoldoende bewijs. De straf bedraagt 48 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling en locatieverbod.

Daarnaast zijn schadevergoedingen toegekend aan vijf benadeelde partijen voor materiële en immateriële schade, deels met wettelijke rente, en zijn diverse voorwerpen waaronder geld, een auto en telefoons verbeurd verklaard. Teruggave van een Blackberry is gelast.

De uitspraak weerspiegelt de ernst van de feiten, de maatschappelijke onrust en het gevaar dat verdachte heeft veroorzaakt, waarbij haar financiële motieven zwaar meewegen in de strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding en verbeurdverklaring.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/303368-25
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2001 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] , [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 20 februari 2026 (pro forma) en 15 mei 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P.T. Verweijen, en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman, mr. A.A. Boersma, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
zij op of omstreeks 10 november 2025 te Lisse, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,
te weten een improvised explosive device (faciapakket),
zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door
vuur of door middel van ontploffing
voorhanden heeft gehad;
2
zij op of omstreeks 10 november 2025 te Lisse, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk stichten
van een brand en/of het teweeg brengen van een ontploffing waarbij levensgevaar
en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) en/of gemeen
gevaar voor goederen te duchten is (artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht), opzettelijk
een of meer voorwerpen en/of stoffen en/of vervoermiddelen, te weten (onder
meer)
- een improvised explosive device en/of
- een batterij en/of
- een balaclava,
kennelijk bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven
en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
3
zij op of omstreeks 9 november 2025 te Lisse, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een Improvised Explosive Device (IED)
tot ontploffing te brengen,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de gevel en/of ramen en/of deuren van de
woning gelegen aan [adres 2] en/of naastgelegen woningen, in elk
geval algemeen gevaar voor goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
de in deze woning(en) aanwezige personen,
te duchten was;

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich over feiten 2 en 3 namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Over feit 1 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende
Op 9 november 2025 vond een ontploffing plaats bij een woning aan [adres 2] in Lisse. De verdachte was daarbij aanwezig en heeft de medeverdachte, [medeverdachte] , en het gebruikte explosief naar de locatie gereden en de medeverdachte vervolgens weggebracht. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 9 november 2025 te horen kreeg dat het explosief bij de verkeerde woning was geplaatst en dat zij daarom, samen met de medeverdachte, terug moest gaan naar Lisse. Op 10 november is de verdachte samen met de medeverdachte aangehouden met een explosief in haar auto.
Reeds op 8 november 2025 was de verdachte aan het onderhandelen was met de opdrachtgever over de prijs waarvoor zij de medeverdachte zou vervoeren naar Lisse. Uit deze onderhandelingen is gebleken dat zij invloed heeft kunnen uitoefenen over het verloop van zaken. Niet alleen heeft zij het bedrag dat zij ter vergoeding zou krijgen aanzienlijk kunnen verhogen, maar ook heeft zij afspraken gemaakt om de vergoeding vooraf te ontvangen.
Daarnaast is zij door de opdrachtgever is geïnstrueerd om gedurende het handelsverloop op 9 november 2025 de opdrachtgever op de hoogte te houden over de gang van zaken en de uiteindelijke ontploffing op camera vast te leggen. Uit het berichtenverkeer tussen de verdachte en ‘ [gebruikersnaam] ’, alsook het berichtenverkeer tussen de medeverdachte en de opdrachtgever volgt dat de verdachte ervan op de hoogte was dat de medeverdachte een explosief tot ontploffing wilde brengen. Na het sturen van een filmpje van de ontploffing vertelt zij aan de opdrachtgever bovendien dat zij altijd klaar staat.
Voorts heeft de verdachte na het delict ervoor gezorgd dat de medeverdachte weg kan komen en heeft de verdachte aan de opdrachtgever laten weten dat hun taak is voltooid.
Ten slotte blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte en de medeverdachte op 10 november 2025 op soortgelijke wijze een nieuwe ontploffing wilden veroorzaken, omdat volgens de opdrachtgever het verkeerde huis doelwit was geworden op 9 november 2025. Wederom is de verdachte in onderhandeling getreden hierover.
De bijdrage van de verdachte bestond dus zowel uit het vervoeren van de medeverdachte én het explosief, als het filmen van de explosie en het op de hoogte houden van de opdrachtgever. Daarmee heeft zij naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijke, significante bijdrage geleverd aan het tenlastegelegde feit. Haar bijdrage overschrijdt dan ook de grenzen van de medeplichtigheid.
Gevaarzetting
De rechtbank betrekt in haar oordeel de gevaren van een faciapakket van circa 500 gram, zoals uiteengezet door het NFI, in gevallen dat het explosief bij een deur is geplaatst. Het grootste gevaar voor personen in het pand is direct achter de voordeur, vanwege de schokgolf en de weggeslagen deurfragmenten. Tot op enkele meters afstand in een vrije baan achter de voordeur is ernstig tot dodelijk lichamelijk letsel een gegeven, maar ook verder weg in het pand bestaat (in een vrije baan tot de voordeur) een kans om door een scherf of brokstuk geraakt te worden.
De rechtbank acht bewezen dat het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat met rondvliegend glas en vallend puin van de explosie gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij de bewoners van [adres 2] te duchten was. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten voor het bewijs dat ook sprake was van levensgevaar. Van de bewoners is immers onbekend wat de afstand tussen hen en de ontploffing is geweest. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank de verdachte partieel zal vrijspreken, voor zover het tenlastegelegde onder 3 ziet op levensgevaar.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:
1
zij op 10 november 2025 te Lisse,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,
te weten een improvised explosive device (faciapakket),
zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door
vuur of door middel van ontploffingvoorhanden heeft gehad;
2
zij op 10 november 2025 te Lisse,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweeg brengen van een ontploffing waarbij gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten is, opzettelijk
een of meer voorwerpen en stoffen, te weten (onder meer)
- een improvised explosive device en
- een batterij en
- een balaclava,
kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;
3
zij op 9 november 2025 te Lisse,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een Improvised Explosive Device (IED)
tot ontploffing te brengen,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de gevel en ramen en deuren van de
woning gelegen aan [adres 2] en naastgelegen woningen, in elk
geval algemeen gevaar voor goederen, en
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
de in deze woningen aanwezige personen,
te duchten was;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om een lagere straf op te leggen dan de eis van officier van justitie, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en haar proceshouding.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van tot ontploffing brengen van een explosief, in de nachtelijke uren terwijl hij het explosief, een zogenaamd faciapakket, bij de voordeur van een flatwoning tot ontploffing werd gebracht. Daarmee heeft de verdachte grote gevaren veroorzaakt voor de personen in die woning en in de naastgelegen woningen. De bewoners hebben hun huis en spullen moeten achterlaten. Daarnaast hebben zij kosten moeten maken om tijdelijk ergens anders te kunnen verblijven.
Verder is zeer ernstige schade veroorzaakt aan meerdere woningen en heeft de ontploffing gevoelens van angst, onzekerheid en intimidatie ingeboezemd bij vele buurtbewoners.
Nadat bleek dat ze het faciapakket bij de verkeerde woning hadden laten ontploffen zijn ze de avond erna teruggekeerd om alsnog de eerder bedoelde woning te treffen. Het is uitsluitend aan het ingrijpen van oplettende politieagenten te danken dat het herhaalde plan van de verdachten niet tot uitvoering is gekomen.
Deze incidenten hebben naast de gevolgen voor bewoners en buurt geleid tot grote maatschappelijke onrust en een toename van gevoelens van onveiligheid in de samenleving als geheel.
Verdachte heeft zich bij dat alles enkel laten door haar geldelijk gewin, getuige ook de uitlating in de chat “voor minder dan paars beweeg ik niet” – waarbij paars € 500,- betekent. Ze heeft bewust en zakelijke onderhandeld, zonder dat blijkt van enige afweging over de aard of gevolgen van het plan. Zowel bij de eerste aanslag als de tweede keer was betaling aan de orde. Dat ze ter zitting aanvoerde dat ze zich die tweede keer zo bedreigd voelde dat ze wel mee moest werken, is daarmee niet te rijmen – nog daargelaten dat haar dan andere opties ten dienste stonden, zoals een melding maken bij de politie. Haar keuze was echter een andere. Ook de gevolgen bij betrapping, zoals in een van de chats besproken, hebben haar niet weerhouden.
Dat enkele oog voor eigen financieel weegt des te zwaarder omdat het, anders dan bijvoorbeeld bij plofkraken, in dit geval gaat om een bewuste keuze voor ontploffingen die direct gericht zijn tegen personen. Angst aanjagen en verwonden van het beoogde slachtoffer en iedereen in de directe omgeving zijn geen bij-risico – hoe kwalijk ook –, maar het bewuste doel.
De rechtbank rekent dit de verdachte bijzonder zwaar aan.
Niet is gebleken dat de verdachte daadwerkelijk inzicht heeft in de laakbaarheid van haar handelen.
Strafblad
De rechtbank heeft ervan kennisgenomen dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van reclasseringsadviezen over de verdachte van 29 november 2025 en 28 april 2026, waaruit volgt dat het recidiverisico niet goed kan worden ingeschat. Enerzijds lijkt de verdachte pro-sociale doelen na te streven en werd zij niet eerder veroordeeld, anderzijds ziet de reclassering risico’s in haar psychosociale functioneren, sociale netwerk en mogelijk financiën. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte haar op te leggen:
- meldplicht bij de reclassering;
- ambulante behandeling;
- contactverbod (met de medeverdachte);
- locatieverbod (gemeente Lisse);
- aflossen schulden.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank acht na te melden straf passend en geboden.
De rechtbank acht daarbij een voorwaardelijke strafdeel passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 7.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 5.000,00 aan immateriële schade en € 2.500,00 aan nader te onderbouwen schade.
[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 7.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 5.000,00 aan immateriële schade en € 2.500,00 aan nader te onderbouwen schade.
[benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 10.221,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.721,00 aan materiële schade, € 6.000,00 aan immateriële schade en € 2.500,00 aan nader te onderbouwen schade.
[benadeelde 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 8.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 6.000,00 aan immateriële schade en € 2.500,00 aan nader te onderbouwen schade.
[benadeelde 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 11.391,70, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde bedragen en niet-ontvankelijkverklaring van de nader te onderbouwen schadeposten.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de alle vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard door de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de verdediging om de gevorderde immateriële schade te matigen en de nader te onderbouwen posten niet-ontvankelijk te verklaren. Met betrekking tot de gevorderde materiële schade door [benadeelde 3] refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de gevorderde materiële schade door [benadeelde 5] verzoekt de verdediging een afwijzing dan wel een matiging van het bedrag.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank acht de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 5] onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade derhalve geheel toewijzen.
De rechtbank zal de door [benadeelde 3] gevorderde materiële schade eveneens toewijzen zoals gevorderd, nu die niet is betwist.
Immateriële schade
De bewoners werden opgeschrikt door een enorme explosie, die grote schade heeft aangericht. Dit gebeurde middenin de nacht, toen de bewoners in hun eigen huis lagen te slapen. Op hun gevoel voor veiligheid en hun woonomgeving is een ernstige inbreuk gemaakt. De rechtbank oordeelt daarmee dat sprake is van een situatie waarbij de aard en ernst van de normschending en de gevolgen hiervan zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank stelt per benadeelde partij de schade vast op de volgende bedragen:
- [benadeelde 3] : € 6.000,-
- [benadeelde 4] : € 6.000,-
- [benadeelde 1] : € 3.000,-
- [benadeelde 2] : € 3.000,-.
en zal die vorderingen tot die bedragen toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2025.
De vorderingen zullen, voor zover het gaat om toekomstige schade, niet-ontvankelijk worden verklaard. Die delen kunnen bij slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Voor het overige worden de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] afgewezen.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het onder 3 bewezenverklaarde feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededaders een bedrag aan de benadeelde partijen heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregelen
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partijen hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om voor iedere benadeelde partij aan de Staat te betalen het bedrag waarvoor de schadevergoeding voor de betreffende benadeelde partij is toegewezen, met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2025.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van het beslag de volgende standpunten ingenomen:
- verbeurdverklaring van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen;
- verbeurdverklaring van het niet op de beslaglijst genoemde, maar wel inbeslaggenomen voorwerp te weten: Apple iPhone 14 Pro met goednummer 3414828;
- verbeurdverklaring van het niet op de beslaglijst genoemde, maar wel inbeslaggenomen voorwerp te weten: Apple iPhone 15 Pro Max met goednummer 3414861;
- teruggave aan de rechthebbende van het niet op de beslaglijst genoemde, maar wel inbeslaggenomen voorwerp te weten: Blackberry Bold Zwart met goednummer 3415046.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen en de inbeslaggenomen BlackBerry dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het op de beslaglijst onder 3 genoemde voorwerp en de inbeslaggenomen iPhones.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de inbeslaggenomen Blackberry Bold Zwart met goednummer 3415046.
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, geldbedragen van € 1.000,- en € 395,- verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van de onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen. De bedragen sluiten aan bij het geld dat de verdachte blijkens de chats zou ontvangen, minus een mogelijk reeds besteed deel.
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 3 genoemde voorwerp, een personenauto, de inbeslaggenomen Apple iPhone 14 Pro met goednummer 3414828 en de inbeslaggenomen Apple iPhone 15 Pro Max met goednummer 3414861 verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en met betrekking tot deze voorwerpen de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten zijn begaan.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 46, 47, 55, 57, en 157 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 en feit 2:
eendaadse samenloop van:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7º;
en
medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is;
ten aanzien van feit 3:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
48 (ACHTENVEERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
12 (TWAALF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een door de reclassering te bepalen behandelinstelling. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met haar medeverdachte [medeverdachte] (geboren op [geboortedatum 2] 2007), zolang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de gemeente Lisse;
- meewerkt aan het aflossen van haar schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt dat zij meewerkt aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in haar financiën en schulden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 3] (feit 3);
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 7.721,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3] ;
bepaalt dat de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.721,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [benadeelde 3] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 63 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 4] (feit 3);
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 6.000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 4] ;
bepaalt dat de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [benadeelde 4] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 55 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 1] (feit 3);
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, voor zover deze betrekking heeft op de post “immateriële schade”, deels toe tot een bedrag van € 3.000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 1] ;
bepaalt dat de vordering voor zover deze betrekking heeft op de post ‘nader te onderbouwen schade’ ter hoogte van € 2.500,- niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [benadeelde 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 2] (feit 3);
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, voor zover deze betrekking heeft op de post “immateriële schade”, deels toe tot een bedrag van € 3.000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 2] ;
bepaalt dat de vordering voor zover deze betrekking heeft op de post ‘nader te onderbouwen schade’ ter hoogte van € 2.500,- niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [benadeelde 2] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 5] (feit 3);
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 11.391,70 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 5] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 11.391,70, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [benadeelde 5] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 81 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
de inbeslaggenomen goederen;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten: 1.000,00 EUR Geld Euro, 395,00 EUR Geld Euro en 1 STK Personenauto [kenteken] ;
verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp met goednummer 3414828, te weten: Apple iPhone 14 Pro en het inbeslaggenomen voorwerp met goednummer 3414861, te weten: Apple iPhone 15 Pro Max;
gelast de teruggave aan de rechthebbende van het inbeslaggenomen voorwerp met goednummer 3415046, te weten: Blackberry Bold Zwart.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Anemaet, voorzitter,
mr. G.H.M. Smelt, rechter,
mr. S. Pereth, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A. Dorrani & R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 mei 2026.