Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17058

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
09.219761-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen diefstal met geweld en vuurwapenbezit in Den Haag

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld en bedreiging, gepleegd op 17 juli 2025, waarbij een horloge en telefoon van het slachtoffer zijn weggenomen. Verdachte speelde een centrale rol in de voorbereiding, aansturing en uitvoering van de beroving, hoewel hij niet fysiek aanwezig was. Daarnaast is hij veroordeeld voor het bezit van een gaspistool en knalpatronen.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastelegging van criminele uitbuiting van een minderjarige, omdat hiervoor onvoldoende bewijs was. De strafmaat is vastgesteld op 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, inclusief reclasseringsvoorwaarden zoals meldplicht en ambulante begeleiding.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €21.450, waarvan de rechtbank €600 toewijst wegens onvoldoende onderbouwing van het overige bedrag. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding en de proceskosten. Tevens is de inbeslaggenomen mobiele telefoon verbeurd verklaard.

De rechtbank baseerde haar oordeel op onder meer chatberichten, verklaringen van betrokkenen, en een gedetailleerde analyse van de rol van verdachte in het plan en de uitvoering van de beroving. De straf is gematigd vanwege de jonge leeftijd van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder een positief reclasseringsadvies.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, voor medeplegen diefstal met geweld en vuurwapenbezit.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/219761-25 en 09/353789-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 24 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ( [land] ),
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] ,
locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 28 oktober 2025, 21 januari 2026, 19 maart 2026 (alle pro forma) en 10 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. N. Godding naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 10 juni 2026 – ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I
1.
hij op of omstreeks 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, aan het [straatnaam 1] / [straatnaam 2] , althans aan de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een horloge en telefoon (iPhone 15 Pro Max), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- opdracht te geven die [slachtoffer] te beroven,;
- de beroving van die [slachtoffer] aan te sturen,;
- wapens uit te delen aan één of meer medeverdachten,;
- op die [slachtoffer] af te stappen met een mes, hamer en/of vuurwapen en/of daarop gelijkende voorwerpen,;
- een steekbeweging met een mes en/of daarop gelijkend voorwerp richting die [slachtoffer] te maken,;
- een vuurwapen en/of daarop gelijkend voorwerpen op die [slachtoffer] te richten,;
- tegen die [slachtoffer] te zeggen: ‘Geef je geld, geef je portemonnee anders ga ik je vermoorden’ of woorden van soortgelijke strekking,;
- tegen die [slachtoffer] te zeggen: 'Geef mij wat je bij je hebt anders ga ik je schieten’ of woorden van soortgelijke strekking,;
- die [slachtoffer] bij zijn keel vast te pakken, hem te duwen, schoppen en/of aan hem te trekken,;
- de telefoon van die [slachtoffer] uit zijn hand te trekken,;
- het horloge van die [slachtoffer] zijn arm te trekken en/of
- zijn medeverdachte(n) van en/of naar de plaats delict te vervoeren
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 juli 2025 te te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, aan het [straatnaam 1] / [straatnaam 2] , althans aan de openbare weg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge en telefoon (iPhone 15 Pro Max), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door:
- opdracht te geven die [slachtoffer] te beroven,;
- de beroving van die [slachtoffer] aan te sturen,;
- op die [slachtoffer] af te stappen met een mes, hamer en/of vuurwapen en/of daarop gelijkende voorwerpen,;
- een steekbeweging met een mes en/of daarop gelijkend voorwerp richting die [slachtoffer] te maken,;
- een vuurwapen en/of daarop gelijkend voorwerpen op die [slachtoffer] te richten,;
- tegen die [slachtoffer] te zeggen: ‘Geef je geld, geef je portemonnee anders ga ik je vermoorden’ of woorden van soortgelijke strekking,;
- tegen die [slachtoffer] te zeggen: 'Geef mij wat je bij je hebt anders ga ik je schieten' of woorden van soortgelijke strekking,;
- die [slachtoffer] bij zijn keel vast te pakken, hem te duwen, schoppen en/of aan hem te trekken,;
- die [slachtoffer] zijn horloge en/of zijn telefoon af te laten geven en/of
- zijn medeverdachte(n) van en/of naar de plaats delict te vervoeren;
Meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[mededader 1] en/of [mededader 2] en/of [mededader 3] en/of [mededader 4] op of omstreeks 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, aan het [straatnaam 1] / [straatnaam 2] , althans aan de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een horloge en telefoon (iPhone 15 Pro Max), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft / hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- op die [slachtoffer] af te stappen met een mes, hamer en/of vuurwapen en/of daarop gelijkende

voorwerpen,;

- een steekbeweging met een mes en/of daarop gelijkend voorwerp richting die [slachtoffer] te maken,;
- een vuurwapen en/of daarop gelijkend voorwerpen op die [slachtoffer] te richten,;
- tegen die [slachtoffer] te zeggen: ‘Geef je geld, geef je portemonnee anders ga ik je vermoorden’ of woorden van soortgelijke strekking,;
- tegen die [slachtoffer] te zeggen: 'Geef mij wat je bij je hebt anders ga ik je schieten' of woorden van soortgelijke strekking,;
- die [slachtoffer] bij zijn keel vast te pakken, hem te duwen, schoppen en/of aan hem te trekken,;
- die [slachtoffer] zijn horloge af te laten geven en/of
- de telefoon van die [slachtoffer] uit zijn hand te trekken,;
- het horloge van die [slachtoffer] zijn arm te trekken
bij en tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 tot en met 17 juli 2025 in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid, middelen en/of
inlichtingen heeft verschaft, door
- te fungeren als tussenpersoon en als contactpersoon op te treden tussen één of meer al dan niet: onbekend gebleven - medeverdachten en (zodoende) informatie en/of instructies door te geven aan [mededader 2] door (onder meer)
- aan te geven op welk moment en waar het slachtoffer [slachtoffer] zou komen en/of

-door te geven in welke positie en houding de daders (in ieder geval [mededader 1] en/of [mededader 3] en/of [mededader 4] ) moesten gaan staan en/of

- te vertellen hoe de daders (in ieder geval [mededader 1] en/of [mededader 3] en/of [mededader 4] ) moesten gaan vluchten en wat er (vervolgens) met de buit moest gebeuren en/of
- nauw contact te onderhouden over de gang van zaken omtrent de buit en de beloning voor voornoemde handelingen en/of
[mededader 1] en/of [mededader 2] en/of [mededader 3] en/of [mededader 4] op of omstreeks 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, aan het [straatnaam 1] / [straatnaam 2] , althans aan de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] hebben gedwongen tot de afgifte van een horloge, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n)
welk geweld en bedreiging met geweld van zijn mededaders bestonden uit :
- op die [slachtoffer] af te stappen met een mes, hamer en/of vuurwapen en/of daarop gelijkende

voorwerpen,;

- een steekbeweging met een mes en/of daarop gelijkend voorwerp richting die [slachtoffer] te maken,;
- een vuurwapen en/of daarop gelijkend voorwerpen op die [slachtoffer] te richten,;
- tegen die [slachtoffer] te zeggen: ‘Geef je geld, geef je portemonnee anders ga ik je vermoorden’ of woorden van soortgelijke strekking,;
- tegen die [slachtoffer] te zeggen: 'Geef mij wat je bij je hebt anders ga ik je schieten' of woorden van soortgelijke strekking,;
- die [slachtoffer] bij zijn keel vast te pakken, hem te duwen, schoppen en/of aan hem te trekken,;
- die [slachtoffer] zijn horloge af te laten geven en/of
- de telefoon van die [slachtoffer] uit zijn hand te trekken,;
- het horloge van die [slachtoffer] zijn arm te trekken
bij en tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 tot en met 17 juli 2025 in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid, middelen en/of
inlichtingen heeft verschaft, door
- te fungeren als tussenpersoon en als contactpersoon op te treden tussen één of meer al dan niet: onbekend gebleven - medeverdachten en (zodoende) informatie en/of instructies door te geven aan [mededader 2] door (onder meer)
- aan te geven op welk moment en waar het slachtoffer [slachtoffer] zou komen en/of

-door te geven in welke positie en houding de daders (in ieder geval [mededader 1] en/of [mededader 3] en/of [mededader 4] ) moesten gaan staan en/of

- te vertellen hoe de daders (in ieder geval [mededader 1] en/of [mededader 3] en/of [mededader 4] ) moesten gaan vluchten en wat er (vervolgens) met de buit moest gebeuren en/of
- nauw contact te onderhouden over de gang van zaken omtrent de buit en de beloning voor

voornoemde handelingen.

2.
hij op of omstreeks 23 juli 2025 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Retay, type XTreme, kaliber 9 mm PAK zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 23 juli 2025 te 's-Gravenhage munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 3 (drie) stuks, knalpatroon (merk: UMA (Umarex) van het kaliber 9 mm PAK voorhanden heeft gehad;
Dagvaarding II
hij in of omstreeks de periode van 13 juli 2025 tot en met 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage en/of elders in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, genaamd [mededader 4] , heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht met het oogmerk van uitbuiting van die [mededader 4] , terwijl die [mededader 4] de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, immers heeft/hebben, hij, verdachte en/of zijn mededader(s)
- die [mededader 4] benaderd via Snapchat en/of
- opdracht gegeven om naar Den Haag te komen en/of een overval te plegen en/of
- vervoerd naar de plek waar de overval moest plaatsvinden en/of
- tegen die [mededader 4] gezegd: ‘als je snitcht komen we je halen' en/of 'als je gepakt wordt komen we je halen', althans woorden van gelijke aard of strekking
en/of
een ander, genaamd [mededader 1] , heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht met het oogmerk van uitbuiting van die [mededader 1] , terwijl die [mededader 1] de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, immers heeft/hebben, hij, verdachte en/of zijn mededader(s)
- die [mededader 1] via Snapchat benaderd en/of gevraagd of hij snel geld wilde verdienen en/of gezegd dat hij een bedrag tussen de 5.000 en 10.000 euro kon verdienen en/of
- die [mededader 1] verteld dat hij een horloge van een juwelier moest stelen en hem instructies gegeven met betrekking tot de beroving en/of
- die [mededader 1] vervoerd van en naar de plek van de overval (of: de verblijfplaats van voornoemde juwelier) en/of
een ander, genaamd [mededader 3] , heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht met het oogmerk van uitbuiting van die [mededader 3] , terwijl die [mededader 3] de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, immers heeft/hebben, hij, verdachte en/of zijn mededader(s)
- aan die [mededader 3] voorgesteld om een overval te plegen en hem daarvoor een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld en/of
- tegen die [mededader 3] gezegd: ‘Jullie moeten naar Den Haag komen, anders gaan er dingen gebeuren’, althans woorden van gelijke aard of strekking.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 primair/subsidiair, kort gezegd: het medeplegen van diefstal met geweld dan wel het medeplegen van afpersing, alsmede van het bij dagvaarding II ten laste gelegde, kort gezegd: de criminele uitbuiting van de minderjarige [mededader 4] .
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde, te weten: medeplichtigheid tot de ten laste gelegde diefstal met geweld (en bedreiging daarmee) en het voorhanden hebben van een vuurwapen en knalpatronen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het medeplegen van het bij dagvaarding I onder feit 1 primair/subsidiair ten laste gelegde.
De raadsvrouw heeft hiertoe gesteld dat geen sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking waarbij het bewezen verklaarde een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht is. De verdachte was niet betrokken bij het beramen en plannen van de overval, was niet fysiek aanwezig en heeft geen leidende of uitvoerende rol gehad. Hij heeft informatie verschaft en namens de medeverdachte contact gehad met de jongens, waarbij de verdachte precies datgene aan hen vertelde dat eerder aan hem was verteld.
De medeplichtigheid tot het bij dagvaarding I onder feit 1 ten laste gelegde acht de raadsvrouw wel (deels) te bewijzen, maar met de volgende kanttekeningen.
De verdachte dient partieel te worden vrijgesproken van het (primair ten laste gelegde) wegnemen van het horloge, nu aangever heeft verklaard dat hij het horloge zelf aan de daders heeft gegeven. De medeplichtigheid tot de afpersing van het horloge kan wel bewezen worden verklaard. De medeplichtigheid tot de diefstal met geweld van de telefoon kan eveneens bewezen worden verklaard.
Dit heeft tot gevolg dat twee verschillende feiten bewezen kunnen worden verklaard. De raadsvrouw heeft bepleit aansluiting te zoeken bij de regeling voor eendaadse samenloop (artikel 55 Wetboek Pro van Strafrecht).
De raadsvrouw heeft voorts partieel vrijspraak bepleit ten aanzien van het gebruiken dan wel dreigen met geweld en het gebruik van wapens, nu uit het dossier niet blijkt dat de verdachte hiervan op de hoogte was of (in voorwaardelijke zin) op de hoogte moet zijn geweest.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding II ten laste gelegde, kort gezegd: de criminele uitbuiting van de minderjarige [mededader 4] . Voor zover van belang zal de rechtbank hierna nader ingaan op hetgeen de raadsvrouw daartoe heeft aangevoerd.
Ten aanzien van de bij dagvaarding I onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, het voorhanden hebben van een vuurwapen en knalpatronen, heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd, maar gesteld dat deze feiten bewezen kunnen worden verklaard.
3.3.
Vrijspraak (dagvaarding II)
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit, kort gezegd: de criminele uitbuiting van de minderjarige [mededader 4] , met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat niet uit het dossier is gebleken dat de verdachte enige betrokkenheid had bij de ten laste gelegde handelingen.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
3.5.1.
Feitencomplex (dagvaarding 1, feit 1)
Op basis van de redengevende feiten en omstandigheden zoals opgenomen in de bewijsmiddelen (waaronder de verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 10 juni 2026) stelt de rechtbank het volgende vast.
De verdachte heeft vanaf 8 juli 2025 via de app Telegram contact met [mededader 2] (hierna: [mededader 2] ) gehad. De verdachte gebruikte als accountnaam [accountnaam] , [mededader 2] gebruikte de accountnaam 9. De rechtbank interpreteert de chat tussen de verdachte en [mededader 2] , gelet op de inhoud hiervan, de hiermee samenhangende feiten en omstandigheden zoals gebleken uit de rest van het dossier en de door de verdachte op de terechtzitting afgelegde verklaring, als volgt.
De verdachte en [mededader 2] spreken over een man die de verdachte de dag ervoor heeft gezien. Kennelijk weten zij allebei over welke man het gaat, want de verdachte heeft het over ‘die manna van mij’. Dit keer droeg de man een groene Rolex Submariner (‘Wllh man had alleen ander klokie om mn’; ‘Shi groene subma’), maar dat is kennelijk niet het horloge waar de verdachte op uit is (‘K ben niet uit op die neef’; ‘Ik heb die andere nodig’).
Op 9 juli 2025 heeft de verdachte hierover weer contact met [mededader 2] . De verdachte zegt dat de man die dag weer de groene Rolex Submariner om heeft (‘Ml wllh die mannetje had weer die kaka groen op’). [mededader 2] lacht en zegt dat dat kan gebeuren (‘Hahaha kan gebeuren man ewajaa’). [mededader 2] vraagt aan de verdachte hoeveel de groene Rolex waard is en noemt een bedrag dat volgens de verdachte veel te hoog is. De Rolex zou volgens de verdachte maar zo’n 16.000 euro nieuw kosten (‘Is 16k nieuw’). Dat vinden ze kennelijk allebei niet de moeite waard. [mededader 2] zegt: ‘Dats echt gwn poep’. De verdachte zegt dat hij daar niet eens werk van wil maken (‘Ga daar niet eens djobba zette’). De man zou echter ook nog een duurder horloge hebben, maar dat heeft hij niet altijd om. Als ze in zijn woning (‘die osso van die manna’) zouden kunnen komen dan zouden ze volgens de verdachte gegarandeerd met het duurdere horloge (de ‘mili’) naar buiten lopen (‘Je komt nr buite met mili’), maar helaas betreft het een flatwoning (‘Helaas dat hij flat woont man’). [mededader 2] zegt dat ze de man zullen opwachten (‘Dat we hem kunnen opwachten’), om de hoek van de flat of in de hal van de flat (‘Om de hoek of in die flathal zelf ofzo’) en hem bewusteloos slaan met een hamer (‘Tikken hamer op hoofd iets bewusteloos’). [mededader 2] zal nog iemand inschakelen voor deze beroving, een keurige witte jongen (‘K stuur izjen tatta speler van me daar dan’; ‘Gwn echt isjen deftige tatta’) die dan een sigaretje moet roken (‘Rookt sigarettje’); kennelijk om niet op te vallen. Daarvoor is het nodig dat de man die dag het duurdere horloge draagt (de eerder genoemde ‘mili’); alleen dat duurdere horloge is het al waard volgens de verdachte (‘Die watcha alleen is al garantie’). De man zal het volgens [mededader 2] niet eens erg vinden omdat hij genoeg geld heeft (‘Manna gaat niet eens erg vinde dat die watch weg is’; ‘Pap is genoeg bij hem’). De verdachte zal in de gaten houden of de man het duurdere horloge draagt. [mededader 2] waarschuwt de verdachte om niet vaak naar de zaak van die man te gaan (‘Is niet faya als je vaak nr die zaak gaat’). De verdachte stelt [mededader 2] gerust, hij zal dit niet zelf checken (‘K ga niet zelf nr binne b’), maar laat dit steeds door iemand anders doen (‘Ik stuur elke keer iemand anders’). [mededader 2] is het daarmee eens (‘Drm anders is raar ook’). [mededader 2] verzucht dat de man toch echt een keer dat andere horloge om moet hebben (‘Pff manna moet deze dagen echt die ene aan hebbe man’). De verdachte en [mededader 2] komen tot de conclusie dat ze geduld zullen moeten hebben (‘Ewaja wChten maar’; ‘Is de enigste optie’).
Op 16 juli 2025 voert de verdachte een voorverkenning uit. De verdachte heeft het adres van het potentiële slachtoffer. Op de telefoon van de verdachte zijn 120 foto’s van de omgeving van het [straatnaam 1] aangetroffen, waar de aangever woont. Op de foto’s staan met name de wegen, trottoirs en gebouwen (waaronder de centrale hal van een flat met de naam [straatnaam 1] op de gevel). Ook is er een kaartje aangetroffen waarop het gebied [straatnaam 1] is omcirkeld. De verdachte voerde de voorverkenning uit om de vluchtroutes uit te stippelen voor de daders van de beroving, zo heeft hij ter zitting verklaard.
Op 17 juli 2025 heeft via Snapchat een groepschat plaatsgevonden tussen de verdachte, [mededader 2] , [mededader 4] , [mededader 3] en [mededader 5] . De verdachte (‘duimpje’) neemt om 15.38 uur als eerste het woord en geeft kort wat aanwijzingen over wie waar moet gaan staan en wat er met de buit moet gebeuren. Hierna geeft hij het woord aan [mededader 2] (‘functiegever1’) die een aantal audioberichten stuurt. [mededader 5] ( [bijnaam] ) zal als chauffeur optreden. [mededader 4] en [mededader 3] zullen de beroving plegen.
Om 19.30 uur die dag rijdt aangever [slachtoffer] met zijn auto (een witte Toyota Prius) van zijn juwelierszaak op de [straatnaam 3] naar zijn woning in [straatnaam 1] (Den Haag). Onder de auto bevindt zich een tracker (die door [mededader 2] en ‘zijn mattie’ zou zijn geplaatst). [mededader 4] staat bij de ondergrondse afvalcontainers te doen alsof hij een sigaretje rookt. [mededader 4] heeft een groot mes bij zich (in het dossier ook machete of zwaard genoemd). [mededader 3] en [mededader 1] staan naast de flat, bij een elektriciteitshuisje. [mededader 3] heeft een hamer bij zich. [mededader 1] heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij zich. Ze moeten wachten op de witte Toyota Prius van aangever.
Aangever komt rond 20.00 uur aanrijden bij de flat en parkeert zijn auto er tegenover. Wanneer aangever naar de centrale hal van de flat loopt, wordt hij door [mededader 3] bedreigd met het grote mes. [mededader 3] zegt: ‘Geef mij je geld, geef je portemonnee anders ga ik je vermoorden.’ Aangever denkt dat het een grap is, totdat er nog twee jongens bijkomen. Aangever is ervan overtuigd dat één van de jongens, [mededader 1] , een handvuurwapen in zijn handen heeft (‘Het is mij bekend hoe een handvuurwapen eruit ziet. Ik weet zeker dat het een pistool was.’). Aangever hoort [mededader 1] zeggen: ‘Geef mij wat je hebt, anders ga ik je schieten.’ Aangever voelt zich hierdoor bedreigd en heeft het gevoel dat de jongen hem wil doodschieten. Aangever ziet dat de andere jongen, [mededader 3] , een hamer in zijn handen heeft. [mededader 3] , die niet alleen een hamer van [mededader 2] heeft gekregen maar ook de opdracht om aangever te slaan, doet dit (toch) niet omdat hij niet wil dat er iets met de man gebeurt. Er ontstaat een worsteling waarbij er wordt getrokken en geduwd en aangever op het gras belandt. [mededader 1] pakt aangever met kracht bij zijn keel vast. Er wordt nogmaals gevraagd (om) wat aangever bij zich heeft. Aangever houdt zijn telefoon in de hand en die wordt hem afgenomen. Ze willen ook zijn horloge hebben, want dit zou, zo was hen verteld, van het (exclusieve) merk Richard Mille zijn. Uit de verklaringen van aangever, [mededader 4] en [mededader 3] , zoals opgenomen in de bewijsmiddelen, leidt de rechtbank af dat op het moment dat aangever zijn horloge losmaakt of probeert los te maken, dit horloge door [mededader 3] (verder) wordt losgerukt.
Nadat de telefoon en het horloge zijn afgenomen, rennen de jongens weg. [mededader 3] en [mededader 4] de ene kant op, [mededader 1] de andere kant op. [mededader 1] stapt in de auto bij [mededader 5] . [mededader 3] geeft het horloge aan [mededader 4] die dit mee naar zijn huis neemt.
Kort na het gebeurde, om 20.03 uur heeft de verdachte contact met [mededader 5] (de chauffeur). [mededader 5] is bang dat het kenteken van zijn auto is genoteerd. De verdachte reageert met ongeloof dat [mededader 5] zijn kenteken niet eerst had afgeplakt. De verdachte heeft ter zitting hierover verklaard dat hij er verantwoordelijk voor was dat het kenteken zou worden afgeplakt en vreesde de schuld hiervan te krijgen.
De verdachte heeft na het gebeurde een foto van het buitgemaakte horloge ontvangen. Tussen 23.30 en 23.50 uur heeft de verdachte naar vergelijkbare horloges van het merk Richard Mille gezocht om erachter te komen wat het horloge waard is.
3.5.2.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Uit het hiervoor besproken feitencomplex leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit af dat de verdachte al ruim een week van tevoren betrokken was bij het maken van het plan om aangever van zijn vermoedelijk kostbare horloge van het merk Richard Mille te beroven. De verdachte, die aangever ‘mijn manna’ noemt in een chat met [mededader 2] , deelt informatie die hij heeft verzameld over aangever met het uiteindelijke doel om hem te beroven van zijn horloge, in de buurt van diens woning. De verdachte heeft in een chat met [mededader 2] aangegeven dat een specifiek horloge het doelwit is van de beroving. De verdachte zal aangever hiertoe in de gaten (laten) houden zodat ze op het juiste moment kunnen toeslaan, dat wil zeggen: als aangever het genoemde horloge draagt. Op 16 juli 2026 voert de verdachte een voorverkenning uit rond de woning van aangever om de vluchtroutes van de daders uit te stippelen. Op 17 juli 2026 weet de verdachte kennelijk dat de aangever die dag het gewenste horloge draagt en neemt hij het initiatief in een groepsgesprek waarin hij – samen met [mededader 2] – specifieke taken uitdeelt aan de personen die de beroving daadwerkelijk moeten uitvoeren en bepaalt hij wat er met de buit moet gebeuren. Het plan waarover de verdachte en [mededader 2] eerder hebben gesproken, waaronder het inzetten van een deftige ‘tatta’ (zodat deze niet opvalt) die naast de hoek van het gebouw een sigaret moeten roken en een ander die een hamer bij zich moet hebben om het slachtoffer te slaan, moet op precies die wijze worden uitgevoerd, zo blijkt uit de instructies die Stijn en Bradley hebben ontvangen. Kort na de beroving heeft de verdachte contact met de chauffeur. Later die avond ontvangt de verdachte een foto van het buitgemaakte horloge en vergelijkt hij dit met horloges van het merk Richard Mille om de waarde te kunnen bepalen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank, anders dan de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, de verdachte is immers niet fysiek aanwezig geweest bij de beroving, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Gelet op de vergaande betrokkenheid van de verdachte voor én na de diefstal zoals hiervoor is beschreven, heeft de verdachte een doorslaggevende rol gehad in het plannen, voorbereiden en aansturen van de diefstal van een specifiek horloge, waar uiteindelijk ook uitvoering aan is gegeven. De verdachte had daarmee opzet op zowel de samenwerking als op de beroving. Daarmee acht de rechtbank het primair ten laste gelegde medeplegen bewezen.
3.5.3.
Opzet op (bedreiging met) geweldshandelingen
Uit de hiervoor besproken Telegramgesprekken tussen de verdachte en [mededader 2] blijkt dat zij het plegen van verschillende gewelddadige handelingen hebben besproken. In de genoemde chat wordt door [mededader 2] met betrekking tot het onderhavige misdrijf gesproken over het bewusteloos slaan van aangever met een hamer om zijn horloge af te nemen. Dit sluit aan bij de verklaring van [mededader 3] dat hij een hamer van [mededader 2] kreeg en de opdracht om aangever te slaan (hetgeen [mededader 3] niet heeft gedaan). Daarmee was het voor de verdachte geen verrassing dat er geweld zou worden toegepast. Meer in het algemeen acht de rechtbank het niet aannemelijk dat aangever zijn (veronderstelde) dure horloge vrijwillig en zonder verzet zou afgeven aan of zou laten meenemen door de daders. Het gebruik van geweld, dan wel de bedreiging daarmee, was nodig om de beroving te voltooien en de kans op het moeten gebruiken van geweld was aanmerkelijk. Gelet hierop had de verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet op het bij de beroving gebruikte geweld.
De rechtbank gaat daarmee voorbij aan de verklaring van de verdachte op dat punt en het daarop gebaseerde verweer van de verdediging. De rechtbank zal de ten laste gelegde (bedreiging met) geweldshandelingen bewezen verklaren.
3.5.4.
Diefstal met geweld
De rechtbank zal de primair ten laste gelegde diefstal met geweld ten aanzien van beide voorwerpen, te weten de telefoon en het horloge van aangever, wettig en overtuigend bewezen verklaren. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit het hiervoor besproken feitencomplex blijkt dat zowel de telefoon als het horloge van aangever (met geweld) zijn afgenomen.
3.5.5.
Voorhanden hebben vuurwapen en knalpatronen
De rechtbank zal, gelet op de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van de verdachte, de bij dagvaarding I onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten zonder nadere overweging wettig en overtuigend bewezen verklaren.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij op 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage, aan het [straatnaam 1] / [straatnaam 2] , tezamen en in vereniging met anderen, een horloge en
eentelefoon (iPhone 15 Pro Max)die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan
envergezeld van geweld en
voorafgegaan vanbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door:
- opdracht te geven die [slachtoffer] te beroven;
- de beroving van die [slachtoffer] aan te sturen;
- wapens uit te delen aan medeverdachten;
- op die [slachtoffer] af te stappen met een mes, hamer en vuurwapen of
eendaarop gelijkend voorwerp;
- een vuurwapen of daarop gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] te richten;
- tegen die [slachtoffer] te zeggen: ‘Geef je geld, geef je portemonnee anders ga ik je vermoorden’ of woorden van soortgelijke strekking;
- tegen die [slachtoffer] te zeggen: 'Geef mij wat je bij je hebt anders ga ik je schieten’ of woorden van soortgelijke strekking;
- die [slachtoffer] bij zijn keel vast te pakken, hem te duwen, en aan hem te trekken;
- de telefoon van die [slachtoffer] uit zijn hand te trekken;
- het horloge van die [slachtoffer] zijn arm te trekken en
- zijn medeverdachte(n) van en/of naar de plaats delict te vervoeren;
2.
hij op 23 juli 2025 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Retay, type XTreme, kaliber 9 mm PAK zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
3.
hij op 23 juli 2025 te 's-Gravenhage munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 3 (drie) stuks, knalpatroon (merk: UMA (Umarex) van het kaliber 9 mm PAK voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en
gecursiveerdweergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden hetgeen de reclassering heeft geadviseerd, te weten: een meldplicht, ambulante begeleiding, een contactverbod, een locatieverbod, een zinvolle dagbesteding en inzicht geven in zijn financiën.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft een stafmaatverweer gevoerd. De raadsvrouw heeft hiertoe gewezen op de gewijzigde proceshouding van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en de straffen die doorgaans worden opgelegd in vergelijkbare strafzaken.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een van tevoren geplande gewelddadige beroving door het slachtoffer, na een observatie, samen met zijn mededaders in het zicht van zijn woning te beroven van zijn telefoon en horloge. Daarbij hebben zij het slachtoffer bedreigd met een mes, een hamer en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Ook hebben zij geweld gebruikt richting het slachtoffer. Door het gebruikte geweld is hij ten val gekomen. Met het handelen van de verdachte is voor het slachtoffer een bijzonder dreigende situatie ontstaan en een inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Het slachtoffer moet doodsangsten hebben uitgestaan. Naast het slachtoffer hebben ook omstanders het feit zien gebeuren, omdat het op een zomeravond werd begaan op straat in een woonwijk, wat bijdraagt aan de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft zich kennelijk alleen maar laten leiden door de wens om met name een bijzonder duur horloge van het slachtoffer te stelen en is daarbij totaal voorbij gegaan aan wat dat voor het slachtoffer zou betekenen.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een gaspistool met knalpatronen. Het voorhanden hebben van gaspistolen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich. Er dient streng te worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens, ook als het gaat om gas- en alarmpistolen, nu dergelijke wapens kunnen worden gebruikt ter af- en/of bedreiging.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het recente strafblad van de verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder een misdrijf heeft gepleegd als het onderhavige.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 28 mei 2026. De reclassering rapporteert dat de verdachte op praktisch gebied alles op orde lijkt te hebben. De verdachte werkte bij een installatiebedrijf waarin ook zijn vader en broer werkzaam zijn en kan na zijn detentie hier terugkeren. De verdachte komt uit een beschermend gezin en is niet bekend met middelengebruik of psychosociale problematiek. Wel wordt het negatieve sociale netwerk van de verdachte als een risico beschouwd. De verdachte heeft verklaard dat hij afstand neemt van dit sociale netwerk en zich na zijn vrijlating zal richten op het werk van vrachtwagenchauffeur waardoor hij veel van huis zal zijn en ook fysiek afstand kan nemen. In detentie gedraagt de verdachte zich voorbeeldig en volgt hij een opleiding. De reclassering adviseert om aan de verdachte op te leggen een deels voorwaardelijke straf met als voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante begeleiding, een contactverbod met het slachtoffer en zijn mededaders en een locatieverbod (met elektronisch toezicht) voor de wijk waarin het misdrijf is gepleegd. De reclassering adviseert het volwassenen strafrecht toe te passen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) en hetgeen in vergelijkbare zaken is opgelegd. Daarin is als uitgangspunt voor een overval vermeld vijf jaar gevangenisstraf als het feit gepaard gaat van geweld als in de onderhavige zaak het geval is. Nu het bewezen verklaarde niet geheel aansluit bij een overval in de zin van de LOVS en bovendien rekening houdend met de jonge leeftijd van de verdachte, komt de rechtbank tot een lagere straf dan in dit uitgangspunt vermeld.
De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden (met uitzondering van het contact- en locatieverbod) verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en hem de nodige begeleiding te bieden en zo de kans op recidive terug te dringen. De rechtbank zal geen contact- en locatieverbod verbinden aan het voorwaardelijk deel van de straf, nu zij hiervoor onvoldoende aanleiding ziet.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 21.450,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.450,-- aan materiële schade (te weten: € 1.100,-- voor de telefoon en € 350,-- voor het horloge) en € 20.000,-- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag aan materiële schade van € 350,-- voor het horloge, € 400,-- voor de telefoon en een bedrag aan immateriële schade van € 4.000,--. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing, dan wel niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de vordering betwist, zij vindt dat deze niet is onderbouwd. De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit. Nu door de benadeelde partij geen nadere onderbouwing is gegeven, overweegt de rechtbank ten aanzien van de hoogte van de schade als volgt.
De rechtbank, zal voor zover de vordering betrekking heeft op materiële schade die een bedrag van € 200,-- voor het horloge en € 400,-- voor de telefoon overstijgt, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaring in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van het horloge merkt de rechtbank op dat aangever in zijn aangifte heeft verklaard dat hij het horloge heeft gekocht voor ongeveer € 200,--, zodat de rechtbank van dat bedrag zal uitgaan. Ten aanzien van de telefoon is rekening gehouden met de gemiddelde aankoopprijs en afschrijvingswaarde. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van het overige deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post immateriële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 600,--, bestaande uit materiële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 600,--,
vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder de verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoon zal worden verbeurdverklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft teruggave van de telefoon aan de verdachte bepleit.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de mobiele telefoon verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit is begaan of voorbereid.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 312 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26, 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, feit 1 primair:
diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld en voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd op de openbare weg;
ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen van categorie III;
ten aanzien van dagvaarding I, feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
6 (zes) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, Bezuidenhoutseweg 179, 2594 AH te Den Haag (tel. 088-8041301) op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder begeleiding stelt van E25 of een soortgelijke zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven;
- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur, waarbij de dagbesteding bijdraagt aan het voorkomen van delictgedrag;
- gedurende de proeftijd inzicht geeft in zijn financiën en/of schulden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] deels toe tot een bedrag van € 600,-- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 600,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 6 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
verklaart verbeurd het onder de verdachte in beslag genomen voorwerp, te weten: iPhone 12 Pro Max.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R. Wieringa, voorzitter,
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechter,
mr. J.Y. van Gameren, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juni 2026.