ECLI:NL:RBDHA:2026:17044

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
NL25.43653
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGVreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 22, tweede lid, RTB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen terugkeerbesluit na tijdelijke bescherming

Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, had tijdelijk recht op bescherming en opvang in Nederland op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (RTB). Dit recht eindigde op 4 maart 2024, waarna de minister op 13 augustus 2025 een terugkeerbesluit oplegde met een vertrektermijn van vier weken vanaf 4 september 2025.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, maar verscheen niet op de zitting van 10 maart 2026. De voorzieningenrechter had eerder op 14 januari 2026 geoordeeld dat het beroep van eiser geen redelijke kans van slagen had, omdat onvoldoende was onderbouwd dat terugkeer naar Nigeria een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren. Ook was de minister niet gehouden het terugkeerbesluit te toetsen aan artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank volgt deze overwegingen en concludeert dat het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar gemaakt op 23 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43653

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: B.H. Wezeman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 13 augustus 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken (ingaande op 4 september 2025).
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde, zijn met bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Verzoeker had in Nederland recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (RTB). [1] Dat recht is beëindigd op 4 maart 2024. Verzoeker had op grond van een tijdelijke bevriezingsmaatregel recht op opvang en recht om te werken tot 4 september 2025. Op 13 augustus 2025 heeft de minister het terugkeerbesluit genomen, inhoudende dat verzoeker vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd heeft om te vertrekken uit Nederland en de Europese Unie.
3.1.
Op 1 oktober 2025 heeft eiser een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw. [2]
3.2.
Bij uitspraak van 14 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter het voorlopig oordeel gegeven dat het beroep van eiser geen redelijke kans van slagen heeft. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom bij terugkeer naar Nigeria sprake zal zijn van schending van artikel 3 van Pro het EVRM. [3] Verder was de minister niet gehouden bij de uitvoering van de RTB te toetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM en kan zijn beroep op artikel 22, tweede lid, van de RTB niet slagen. In het feit dat er op 13 augustus 2025 sprake was van een bevriezingsmaatregel, heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding gezien om te oordelen dat er geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd. Tot slot heeft de voorzieningenrechter eisers betoog dat het opgelegde terugkeerbesluit onverenigbaar zou zijn met zijn lopende aanvraag om uitstel van vertrek, niet gevolgd.
3.3.
De rechtbank volgt de overwegingen van de voorzieningenrechter en maakt die tot de hare. Eiser heeft in beroep geen argumenten aangedragen die grond vormen voor de conclusie dat het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter rechtens onjuist zou zijn.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.