ECLI:NL:RBDHA:2026:17025

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
NL26.31866
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechtenArtikel 8:54 Algemene wet bestuursrechtVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinprocedure Duitsland ongegrond verklaard

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende persoon, diende op 30 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielprocedure op grond van de Dublinverordening. Duitsland heeft het verzoek tot terugname van eiser geaccepteerd.

Eiser voerde aan dat hij in Duitsland geen deugdelijke asielprocedure heeft gehad, geen rechtsbijstand ontving en vreest voor directe uitzetting naar zijn land van herkomst vanwege zijn biseksuele gerichtheid. Hij stelde dat hij in Duitsland mogelijk in detentie wordt geplaatst en verwees ter onderbouwing naar een rapport van ECRE.

De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij wordt uitgegaan van de veronderstelling dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt. Eiser slaagde er niet in dit vermoeden te weerleggen met concrete aanwijzingen. De enkele stelling van het ontbreken van rechtsbijstand en de vrees voor detentie waren onvoldoende onderbouwd. Bovendien is het volgens de rechtbank aan eiser om eventuele problemen in Duitsland aan te kaarten bij de Duitse autoriteiten.

Ten aanzien van het risico op indirect refoulement oordeelde de rechtbank dat dit niet in deze procedure beoordeeld kan worden, conform een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens Dublinprocedure Duitsland is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31866

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1982 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Op 30 maart 2026 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser eerder asiel heeft aangevraagd in Duitsland. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening [1] de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De autoriteiten van Duitsland hebben dit verzoek op 17 april 2026 geaccepteerd.
3. Eiser voert aan dat hij in Duitsland geen deugdelijke asielprocedure heeft gehad. Zo heeft eiser geen rechtsbijstand ontvangen. Bij overdracht aan Duitsland zal eiser direct worden uitgezet naar zijn land van herkomst, waar hij vreest voor zijn leven. Eiser wordt in zijn land van herkomst gezocht vanwege zijn biseksuele gerichtheid. Eiser is al geweigerd in Duitsland en de mogelijkheid bestaat dat eiser in een detentiecentrum wordt geplaatst. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar een pagina uit een rapport van ECRE. Eiser heeft geen mogelijkheid om dit aan de orde te stellen bij de Duitse autoriteiten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank stelt voorop dat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM [2] of artikel 4 van Pro het Handvest. [3] Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling.
5. Eiser is hierin niet geslaagd. Eisers stelling dat hij in Duitsland geen deugdelijke asielprocedure heeft gehad en geen rechtsbijstand heeft gekregen, heeft hij niet verder toegelicht en geconcretiseerd. Eiser heeft hiermee dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de asielprocedure in Duitsland onzorgvuldig is geweest. Daar komt bij dat uit de Procedurerichtlijn volgt dat rechtsbijstand niet altijd en in alle gevallen kosteloos verstrekt hoeft te worden. Verder blijkt uit het door eiser overgelegde pagina van het ECRE-rapport en zijn vrees voor detentie niet dat Duitsland ten aanzien van het in bewaringstellen van personen de Europese richtlijnen niet nakomt. De Duitse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Mocht eiser toch problemen ervaren met de asielprocedure, rechtsbijstand en/of vreemdelingenbewaring dan ligt het op zijn weg om daarvoor de autoriteiten van Duitsland te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Duitse autoriteiten voor eiser niet mogelijk zal zijn. De enkele stelling van eiser dat dit niet mogelijk is, is onvoldoende.
6. Ten aanzien van het betoog van eiser dat sprake is van een risico op indirect refoulement, overweegt de rechtbank dat een beoordeling hiervan niet in deze procedure kan plaatsvinden. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024. [4]
7. Het beroep is kennelijk ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.