ECLI:NL:RBDHA:2026:17024
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens afdoening beroepszaak
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van 1 juni 2026 waarbij de minister van Asiel en Migratie de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling heeft genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling.
De verzoeker had op 8 juni 2026 beroep ingesteld tegen dit besluit en op 19 juni 2026 een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft echter geoordeeld dat nu de beroepszaak onder zaaknummer NL26.31866 reeds is afgedaan, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen als kennelijk ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 22 juni 2026 en is onherroepelijk omdat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat de beroepszaak reeds is afgedaan.