ECLI:NL:RBDHA:2026:17024

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
NL26.34178
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens afdoening beroepszaak

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van 1 juni 2026 waarbij de minister van Asiel en Migratie de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling heeft genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling.

De verzoeker had op 8 juni 2026 beroep ingesteld tegen dit besluit en op 19 juni 2026 een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft echter geoordeeld dat nu de beroepszaak onder zaaknummer NL26.31866 reeds is afgedaan, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is.

Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen als kennelijk ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 22 juni 2026 en is onherroepelijk omdat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat de beroepszaak reeds is afgedaan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34178

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld op 8 juni 2026. Hij heeft op 19 juni 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.31866, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af als kennelijk ongegrond.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.