ECLI:NL:RBDHA:2026:17014

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19922 NL26.19923
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen twee weken beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf familie en gezin

Deze uitspraak betreft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser tegen het niet tijdig beslissen van de minister op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel familie en gezin. De rechtbank had in een eerdere uitspraak van 29 april 2025 bepaald dat de minister binnen twee weken na verzending van die uitspraak een besluit moest nemen, maar de minister heeft zich niet aan deze termijn gehouden.

De rechtbank stelt vast dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de gestelde termijn heeft beslist, ondanks dat de aanvraag inmiddels als beslisklaar is aangemerkt en eerdere termijnen verstreken zijn zonder concrete voortgang. De minister had verzocht om een langere beslistermijn van acht weken, maar de rechtbank wijst dit af wegens het ontbreken van concrete acties en voortgang.

De rechtbank legt een nadere beslistermijn van twee weken op en verbindt daaraan een verhoogde dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 30.000,- om de minister te prikkelen tot tijdige besluitvorming. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de inhoudelijke beslissing op het beroep wordt gegeven. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een beslistermijn van twee weken op met een dwangsom en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19922 en NL26.19923
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het beroep en van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening dat eiser heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 29 april 2025.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen twee weken na verzending van die uitspraak alsnog moet beslissen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf met als doel ‘familie en gezin’ in het kader van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (de aanvraag). De minister heeft zich niet aan deze termijn gehouden. Eiser stelt daarom nu beroep in en heeft om een voorlopige voorziening verzocht.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3

Is het beroep van eiser ontvankelijk?

3. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 29 april 2025 een
1. Zaaknummer NL25.9906.
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een besluit.4 Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling is het beroep van eiser dus ontvankelijk.
Is het beroep van eiser gegrond?
4. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn een besluit heeft genomen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
5. De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.5
6. De minister heeft verzocht om een langere nadere beslistermijn, te weten acht weken. In de motivering van dit verzoek ziet de rechtbank geen aanleiding om de minister een langere nadere beslistermijn op te leggen. De minister heeft in zijn verweerschrift van
22 april 2026 aan de rechtbank medegedeeld dat de aanvraag aan een behandelaar is toegewezen en heeft verzocht om een termijn van acht weken voor het nemen van een besluit. Inmiddels is deze termijn verstreken. Niet is gebleken dat de minister binnen deze periode enige concrete actie heeft ondernomen of anderszins voortgang heeft geboekt in de behandeling van de aanvraag. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding de minister nogmaals een ruime beslistermijn te gunnen.
7. Op 16 juni 2026 heeft de minister, op verzoek van de rechtbank, nogmaals gereageerd en de stand van zaken medegedeeld. Daarbij is aangegeven dat de zaak beslisklaar is en binnen vier weken alsnog een beslissing zal worden genomen. De rechtbank neemt in de overweging mee dat het in dit specifieke geval gaat om een oude aanvraag, waarin reeds eerder tweemaal een beroep niet tijdig beslissen is ingediend en dat de aanvraag als beslisklaar is aangemerkt. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding de door haar te stellen termijn te beperken tot twee weken. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die een langere nadere beslistermijn rechtvaardigen. De rechtbank legt de minister dus een nadere beslistermijn op van twee weken. Deze termijn begint na de dag van verzending van deze uitspraak.

De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak

8. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat voor de minister een sterke prikkel nodig is om tot het nemen van een besluit over te gaan. De rechtbank overweegt daartoe dat de minister in zijn verweerschrift van 22 april 2026 heeft meegedeeld dat de aanvraag aan een behandelaar is toegewezen en hij heeft verzocht om een beslistermijn van acht weken. Deze termijn is inmiddels verstreken, zonder dat een beslissing is genomen of anderszins is gebleken van voortgang in de behandeling van de aanvraag.
5 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
9. Gelet op de duur van de procedure, het uitblijven van concrete handelingen ondanks eerdere toezeggingen van de minister, alsmede het feit dat eerdere procedures kennelijk niet hebben geleid tot tijdige besluitvorming en de aanvraag ondertussen beslisklaar is, ziet de rechtbank aanleiding af te wijken van het gebruikelijke beleid ten aanzien van de hoogte van de dwangsom. Naar het oordeel van de rechtbank is een verhoogde dwangsom in dit geval passend om de minister daadwerkelijk te prikkelen alsnog binnen de gestelde termijn een beslissing te nemen en verdere vertraging te voorkomen. Hierdoor wordt tevens recht gedaan aan het belang van eiser bij effectieve en tijdige rechtsbescherming.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 30.000,-.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen twee weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan moet hij een dwangsom betalen.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). De rechtbank volgt de minister niet in diens standpunt dat de zaak van “zeer licht” gewicht is, als gevolg waarvan een wegingsfactor van 0,25 zou moeten worden toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt
€ 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.6
Het verzoek om een voorlopige voorziening
13. Op grond van de artikelen 8:81 en 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan op een voorlopige voorziening alleen inhoudelijk worden beslist zolang het beroep aanhangig is. Aan deze eis van formele connexiteit wordt niet meer voldaan nu op het beroep wordt beslist. Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
6 Artikel 8:74, eerste lid, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 30.000,-;
  • bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 200,- vergoedt;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-. De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 juni 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.