ECLI:NL:RBDHA:2026:16971

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/09/702862 KG ZA 26-361
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming huurwoning na beëindiging huurovereenkomst en verlenging tot 1 november 2026

In deze kortgedingprocedure vordert eiseres ontruiming van haar woning door gedaagde, nadat de huurovereenkomst voor bepaalde tijd was geëindigd op 1 september 2025. Hoewel partijen aanvankelijk overeenkwamen dat gedaagde tot 1 maart 2026 in de woning kon blijven, ontstond onenigheid over voortzetting daarna. Gedaagde stelde dat de huurovereenkomst stilzwijgend was voortgezet voor onbepaalde tijd, terwijl eiseres dit betwistte.

Tijdens de mondelinge behandeling bereikten partijen een akkoord waarbij gedaagde tot uiterlijk 1 november 2026 in de woning mag blijven, mits hij maandelijks tijdig en volledig een vergoeding van €1.510,52 betaalt, bestaande uit kale huur en voorschot gasverbruik. Bij niet-naleving van deze betalingsverplichting moet gedaagde de woning direct ontruimen.

De voorzieningenrechter veroordeelde gedaagde tot ontruiming uiterlijk 31 oktober 2026, met de mogelijkheid tot eerdere ontruiming bij betalingsachterstand. Tevens werd bepaald dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde moet de woning uiterlijk 31 oktober 2026 ontruimen, met maandelijkse betaling van huur en voorschot als voorwaarde voor verblijf.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/702862 / KG ZA 26-361
Vonnis in kort geding van 12 mei 2026
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats 1],
eiseres,
advocaat mr. C. Hoek te Leiden,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats 2], gemeente [gemeente],
gedaagde,
advocaat mr. K. Danen-van Bergen te ’s-Hertogenbosch.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met daarbij en daarna overgelegde producties 1 tot en met 12;
- de door [gedaagde] overgelegde producties 1 en 2;
- de op 28 april 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiseres] is eigenaar van de woning gelegen aan het [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
2.2.
Partijen hebben een huurovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten, lopende van 1 september 2023 tot en met 1 september 2025.
2.3.
Bij brief van 16 juni 2025 heeft [eiseres] [gedaagde] erover geïnformeerd dat de huurovereenkomst niet zal worden verlengd.
2.4.
Eind juli 2025 zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] nog tot 1 maart 2026 in de woning kon blijven, omdat [gedaagde] nog geen andere huisvesting had gevonden.
2.5.
[gedaagde] wilde afspraken maken om ook na 1 maart 2026 in de woning te kunnen blijven, maar daarover is tussen partijen geen overeenstemming bereikt.
2.6.
Bij brief van 23 maart 2026 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd de woning uiterlijk 20 april 2026 leeg en ontruimd aan [eiseres] op te leveren.
2.7.
In reactie op voormelde sommatie heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat er na 1 september 2025 sprake is van een voor onbepaalde tijd voortgezette huurovereenkomst. Hij is niet tot ontruiming van de woning overgegaan en verblijft daar ook nu nog.
2.8.
[gedaagde] heeft altijd voldaan aan zijn betalingsverplichtingen ten aanzien van de huur / het gebruik van de woning.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – [gedaagde] te veroordelen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
  • de woning binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten;
  • tot betaling van een gebruiksvergoeding gelijk aan de laatst geldende huurprijs vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van ontruiming,
met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.
3.2.
Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. De huurovereenkomst is rechtsgeldig geëindigd per 1 september 2025. Het daarna toegestane gebruik kwalificeert als een regeling strekkende tot uitstel van de ontruiming. Er was tussen partijen geen sprake van wilsovereenstemming gericht op voortzetting van de huurovereenkomst. [gedaagde] verblijft nu zonder recht of titel in de woning, zodat aan [eiseres] het recht toekomt om ontruiming te vorderen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling, na een schorsing van de zitting, overeenstemming bereikt. Zij zijn het erover eens geworden dat [gedaagde] tot uiterlijk 1 november 2026 in de woning mag blijven en dat hij de woning uiterlijk op 31 oktober 2026 zal ontruimen. Hierbij geldt als voorwaarde voor het voortgezette verblijf in de woning dat [gedaagde] iedere maand tijdig en volledig de voor het verblijf in de woning overeengekomen vergoeding aan [eiseres] betaalt. Dat is een bedrag van € 1.510,52, waarvan een bedrag van € 1.471,51 de kale huur / gebruiksvergoeding betreft en het overige een voorschot ter zake het gasverbruik. Over deze betaling zijn partijen overeengekomen dat indien [gedaagde] nalaat de verschuldigde vergoeding tijdig en/of volledig te betalen, hij de woning direct moet ontruimen.
4.2.
Partijen zijn het er verder over eens geworden dat zij ieder de eigen proceskosten zullen dragen.
4.3.
De voorzieningenrechter zal overeenkomstig de tussen partijen bereikte overeenstemming beslissen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] de woning gelegen aan [adres] te [plaats] uiterlijk:
op 31 oktober 2026, of
als [gedaagde] nalaat tijdig en volledig de voor het verblijf in de woning overeengekomen vergoeding van totaal € 1.510,52 te betalen (telkens bij vooruitbetaling voor de eerste dag van de periode waarop de betaling betrekking heeft) op de eerste dag dat hij niet tijdig en volledig aan deze betalingsverplichting heeft voldaan,
de woning te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige zaken en personen, voor zover deze aan [gedaagde] toebehoren, en de sleutels aan [eiseres] af te geven;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
idt