ECLI:NL:RBDHA:2026:16965

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/09/706356 / KG ZA 26-587
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.4 sub b vervoersovereenkomstArt. 6:233 sub a BWArt. 6:236 BWArt. 6:237 BWArt. 7:677 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging vervoersovereenkomst wegens scanfraude door chauffeurs houdt stand

In deze kortgedingprocedure vordert [eiseres] dat de rechtbank PostNL verbiedt de opzegging van de vervoersovereenkomst per 7 juni 2026 te effectueren en de overeenkomst onvoorwaardelijk voort te zetten tot 2 januari 2027. De vervoersovereenkomst bevat een bepaling die onmiddellijke beëindiging zonder opzegtermijn toestaat bij ernstige overtredingen zoals fraude.

PostNL beëindigde de overeenkomst vanwege scanfraude gepleegd door twee chauffeurs van [eiseres], waarbij oude barcodes werden gebruikt om extra stops en vergoedingen te genereren. Uit onderzoek en bekentenissen blijkt dat de fraude over een periode van vijf maanden heeft plaatsgevonden, met een geschatte extra omzet van circa €20.000.

De rechtbank stelt vast dat de bepaling in de overeenkomst duidelijk voorziet in directe beëindiging bij een redelijk vermoeden van misdrijf door chauffeurs, ongeacht of [eiseres] zelf de fraude pleegde. De stelling van [eiseres] dat de bepaling onredelijk bezwarend is, wordt verworpen omdat het een kernbeding betreft en fraude een gegronde reden is voor beëindiging.

Hoewel de beëindiging ingrijpende gevolgen heeft voor [eiseres], is het niet onaanvaardbaar dat PostNL haar opzeggingsrecht uitoefent gezien de omvang en duur van de fraude en het belang van integriteit in de dienstverlening. De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van [eiseres] af en bevestigt de directe beëindiging van de vervoersovereenkomst wegens scanfraude.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/706356 / KG ZA 26-587
Vonnis in kort geding van 5 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.te [vestigingsplaats],
eiseres,
advocaat mrs. S.S.S. Mahadew te Haarlem,
tegen:
PostNL Pakketten Benelux B.V.te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
gedaagde,
advocaat mrs. P.F.P. Nabben te Haarlem.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiseres]’ en ‘PostNL’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door PostNL overgelegde conclusie van antwoord met producties;
- de op 5 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Op 5 juni 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 19 juni 2025.

2.De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting besproken is, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiseres] is opgericht in juli 2018 en verricht sindsdien in opdracht van PostNL vervoerswerkzaamheden.
2.2.
De laatste tussen partijen gesloten vervoersovereenkomst is tot stand gekomen en in werking getreden op 12 januari 2026 (hierna: de vervoersovereenkomst). De vervoersovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd.
2.3.
De vervoersovereenkomst bevat, voor zover nu van belang, de volgende bepalingen:
“Artikel 1. Definities
(…)
1.6
Verwijtbaar handelen:
I. Gedraging(en) van Opdrachtnemer, zijn Chauffeur(s) en/of Bijrijders die een bedreiging vormden, vormen of kunnen vormen voor:
(a.) de (financiële) belangen van Opdrachtgever, haar medewerkers, klanten, en/of ontvangers, en/of andere derden,
(b.) de continuïteit en/of de integriteit van de logistieke sector; of
II. Opdrachtnemer, zijn Chauffeur en/of Bijrijder heeft zich onrechtmatig gedragen, dan wel er bestaat een redelijk vermoeden dat Opdrachtnemer, zijn Chauffeur en/of Bijrijder er op uit is om schade toe te brengen, dan wel diens handelingen zijn of zouden schadelijk kunnen zijn voor Opdrachtgever, haar medewerkers, en/of klanten, en/of ontvangers, en /of andere derden.
Onder Verwijtbaar handelen valt onder andere (maar niet uitsluitend): diefstal, verduistering (o.a. weggooien post) of oplichting, heling van goederen van Opdrachtgever of klanten, valsheid in geschrifte, schending briefgeheim, het niet afsluiten van het voertuig met (de kans op) vermissing van zendingen als gevolg, pesten, agressie, vernieling, discriminatie, ongewenste intimiteiten, drank- en/of drugsmisbruik.
(…)
Artikel 3. Duur en beëindiging van de Overeenkomst
(…)
3.2
Indien de Overeenkomst tussentijds wordt beëindigd door een der Partijen dient dit schriftelijk te geschieden, en wordt een opzegtermijn in acht genomen. Voor Opdrachtgever is die opzegtermijn drie (3) maanden. Voor Opdrachtnemer is die één (1) maand. Het voorgaande geldt eveneens voor gedeeltelijke tussentijdse beëindiging van de Overeenkomst, zoals per route, tenzij sprake is van herhaalde of ernstige overtredingen door Opdrachtnemer. In dat geval kan Opdrachtgever de betreffende route(s) beëindigen zonder inachtneming van een opzegtermijn.
3.4
Opdrachtgever heeft het recht deze Overeenkomst (of een gedeelte daarvan) per direct, zonder inachtneming van een opzegtermijn, te beëindigen indien:
a.
(…)
b.
een overtreding of een misdrijf van de Opdrachtnemer, zijn Chauffeurs en/of Bijrijders wordt geconstateerd, dan wel daar een redelijke verdenking van is. Dit geldt met name voor zover deze overtreding of dit misdrijf enige relevantie kan hebben voor de door de Opdrachtnemer verrichte en/of te verrichten Diensten en voor zover sprake is, of lijkt te zijn van Verwijtbaar handelen. Voor zover het incidenten betreft waarbij geen sprake is van Verwijtbaar handelen geldt dat Opdrachtgever schriftelijk aan Opdrachtnemer het incident bekend zal maken, inclusief een beschrijving daarvan, waarna Opdrachtnemer afdoende / toereikende maatregelen zal treffen. Artikel 3.2 blijft onverkort van toepassing;
(….)
(…)”
2.4.
Voordat de vervoersovereenkomst tussen partijen werd gesloten, waren zij al in gesprek over door PostNL gewenste verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening van [eiseres].
2.5.
Op 23 maart 2026 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] en PostNL, waarvan een verslag per e-mail op 23 maart 2026 PostNL aan [eiseres] is verzonden. Uit dit e-mailbericht blijkt dat PostNL de samenwerking wil beëindigen omdat er volgens haar sprake is van onvoldoende verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening. Vervolgens heeft PostNL de vervoersovereenkomst bij brief van 23 maart 2026 op grond van artikel 3.2 van de vervoersovereenkomst opgezegd. In de brief staat onder meer het volgende:
“PostNL is bereid om, in het kader van een zorgvuldige afbouw van de samenwerking, de dienstverlening nog gedurende een langere periode te laten voortduren. Tegen die achtergrond wordt de Vervoersovereenkomst beëindigd per 3 januari 2027, waarbij de laatste werkzaamheden op 2 januari 2027 zullen worden uitgevoerd. Partijen zullen in de komende periode verder met elkaar in overleg treden over de nadere invulling van het afbouwtraject, waaronder de fasering van routes.
PostNL wijst u erop dat zij gedurende de opzegtermijn verwacht dat u al het mogelijke doet om de kwaliteit van de dienstverlening op de uit te voeren routes te borgen. Wanneer PostNL
geconfronteerd wordt met incidenten die een ernstige inbreuk maken op de kwaliteit van de
dienstverlening, kan de opzegtermijn doorbroken worden en zal PostNL de Vervoersovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigen.”
2.6.
Bij brief van 4 mei 2026 heeft (de advocaat van) [eiseres] aan PostNL laten weten dat zij zich niet kan vinden in de beëindiging van de vervoersovereenkomst. Kort samengevat stelt [eiseres] zich in deze brief op het standpunt dat uitoefening van het opzeggingsrecht in de gegeven omstandigheden (een meer dan 14-jarige samenwerking (met de directeur van [eiseres]), aanzienlijke investeringen van [eiseres] ten behoeve van PostNL en nagenoeg volledige afhankelijkheid van PostNL als opdrachtgever) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij sommeert PostNL de vervoersovereenkomst onverkort na te komen, of – subsidiair – aansprakelijkheid te erkennen en zich bereid te verklaren tot vergoeding van de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade. PostNL heeft in reactie hierop bij brief van 12 mei 2026 laten weten de opzegging niet in te trekken en iedere aanspraak op schadevergoeding van de hand te wijzen. In deze brief wijst PostNL er ook op dat er een veiligheidsonderzoek loopt naar onregelmatigheden in de uitvoering en registratie van werkzaamheden door bij [eiseres] ingezette chauffeurs en dat zij zich verband met het lopende onderzoek alle rechten en weren voorbehoud, waaronder het recht om de – indien daar aanleiding toe bestaat – de Vervoersovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen.
2.7.
Bij brief van 2 juni 2026 heeft PostNL als volgt bericht aan [eiseres]:
“(…)
Bevindingen Security: scanfraude
Inmiddels heeft PostNL de rapportage van PostNL Security ontvangen naar aanleiding van het onderzoek naar scanfraude door bij [eiseres] ingezette chauffeurs. De bevindingen uit dit onderzoek zijn ernstig en voor PostNL onacceptabel. Uit het onderzoek is namelijk gebleken dat twee door [eiseres] ingezette chauffeurs ongeoorloofde B01-scans hebben gegeven met gebruikmaking van foto’s van barcodes die niet thuishoren in het reguliere PostNL-proces. Hiermee werden extra stops en bijbehorende vergoedingen gegenereerd die niet corresponderen met daadwerkelijk verrichte werkzaamheden. Eén van de chauffeurs is door PostNL Security live waargenomen bij het scannen van zijn telefoon. Beide chauffeurs hebben hun betrokkenheid bij de fraude erkend.
De fraude had bovendien geen louter incidenteel karakter. Uit analyse door PostNL is gebleken dat in ieder geval één van de betrokken chauffeurs minimaal gedurende de periode november 2025 tot en met 31 maart 2026 opvallend veel B01-scans had gegenereerd. Van een eenmalige fout of administratieve vergissing is dan ook geen sprake: het betreft een gerichte manipulatie van het scanproces gedurende een aaneengesloten periode van meerdere maanden.
PostNL kwalificeert dit als een ernstige integriteitsschending. Dit gedrag raakt rechtstreeks aan het vertrouwen dat PostNL moet kunnen stellen in haar bezorgpartners en in de correcte uitvoering en registratie van de Diensten. Dit raakt bovendien direct aan de financiële belangen van PostNL en aan de integriteit van het tarief- en scanproces. De betrokken chauffeurs zijn om die reden opgenomen in het Norm Overtreding Register ("NOR") en mogen niet meer worden ingezet voor werkzaamheden in opdracht van PostNL. [eiseres] is hiervan op 12 mei op de hoogte gesteld.
Beëindiging Vervoersovereenkomst per 7 juni 2026
Op grond van artikel 3.4 sub b van de Vervoersovereenkomst kan PostNL de Vervoersovereenkomst per direct beëindigen indien een overtreding of misdrijf van [eiseres], haar
Chauffeurs en/of Bijrijders wordt geconstateerd, dan wel daar een redelijke verdenking van is. Dit geldt met name wanneer deze overtreding of dit misdrijf relevant kan zijn voor de door [eiseres] verrichte en/of te verrichten Diensten en sprake is, of lijkt te zijn, van Verwijtbaar handelen. Onder Verwijtbaar handelen vallen onder meer gedragingen die een bedreiging vormen of kunnen vormen voor de financiële belangen van PostNL en/of de integriteit van de logistieke sector, waaronder oplichting en diefstal. De vastgestelde scanfraude valt hier onmiskenbaar onder.
De eerder gegunde afbouwtermijn tot 3 januari 2027 was gebaseerd op de verwachting dat [eiseres] de Diensten gedurende die periode volledig, correct en integer zou blijven uitvoeren. Nu is vast komen te staan dat hiervan geen sprake is geweest, kan die termijn geen stand houden. PostNL had de Vervoersovereenkomst dan ook met onmiddellijke ingang kunnen beëindigen. Uitsluitend om operationele redenen, om een zorgvuldige overdracht van de ritten mogelijk te maken, kiest PostNL ervoor de feitelijke einddatum te stellen op 7 juni 2026.
(…)”
PostNL wijst er in de brief ook op dat in een andere rapportage van PostNL Security ernstige signalen zijn opgenomen over de arbeids- en/of opdrachtrelatie en arbeidsvoorwaarden van de betrokken chauffeurs. Zij doet in de brief geen definitieve uitspraken over die signalen, maar benadrukt wel dat [eiseres] gehouden is haar verplichtingen uit de vervoersovereenkomst, waaronder haar verplichtingen op het gebied van toepasselijke wet- en regelgeving, cao, loon- en informatieverplichtingen, volledig en correct na te komen. PostNL schrijft dat zij zich op dit punt alle rechten en weren voorbehoudt.
2.8.
[eiseres] reageert nog dezelfde dag (via haar advocaat) op voormelde brief. Zij herhaalt dat ze de opzegging van 23 maart 2026 niet aanvaardt en stelt dat ze ook de opzegging van 2 juni 2026 niet aanvaardt. Volgens [eiseres] is er geen grond voor directe opzegging en is de opzegging daarom onrechtmatig. Voor zover de grond voor opzegging wel vast zou staan, is de directe beëindiging volgens haar niet proportioneel. In de brief staat verder het volgende, voor zover van belang:
“(…)
Ontbrekende rapportages
In uw brief van 2 juni jl. wordt er gesproken over twee rapportages van PostNL Security. Geen van beide is echter aan cliënte verstrekt. Het is derhalve volstrekt onduidelijk hoe deze onderzoeken zijn verricht, welke onderzoeksmethoden zijn gehanteerd, wie er zijn gehoord en op basis van welke gegevens de conclusies worden getrokken. Cliënte heeft daardoor ook geen mogelijkheid gehad die bevindingen te verifiëren, dan wel te weerleggen.
Gestelde fraude door twee chauffeurs
Voorts stelt u dat er twee chauffeurs in het Norm Overtreding Register (hierna: NOR) zijn opgenomen. Er zou daarnaast sprake zijn van gerichte manipulatie van het scanproces gedurende meerdere maanden. Cliënte heeft in meting 3 echter een score van 5 behaald op scankwaliteit. Het is dan ook onbegrijpelijk dat er achteraf sprake zou zijn van structurele manipulatie van het scanproces, aangezien dit niet zichtbaar is in de scankwaliteitsscores die PostNL zelf heeft vastgesteld. PostNL kan niet enerzijds een maximale scankwaliteitsscore toekennen en anderzijds stellen dat er systematisch fraude is gepleegd.
Bovendien stelt u dat cliënte op 12 mei jl. op de hoogte zou zijn gesteld van de NOR-registratie van de betrokken chauffeurs. Dit is onjuist. Cliënte heeft geen mededeling hiervan ontvangen en betwist dit nadrukkelijk.
Proportionaliteit
Zelfs als de gestelde gedragingen komen vast te staan – hetgeen uitdrukkelijk wordt betwist door cliënte – dan rijst de vraag of dit aan cliënte valt toe te rekenen. De vervoersovereenkomst wordt nu in haar geheel per direct opgezegd op grond van vermeende gedragingen van twee chauffeurs, die bovendien niet meer mogen (en worden) ingezet voor werkzaamheden in opdracht van PostNL. Niet elk handelen van een individuele chauffeur rechtvaardigt zonder meer de onmiddellijke beëindiging van een veertienjarige samenwerking. De proportionaliteit ontbreekt hier dan ook volledig.
(…)
De opzegtermijn
Vooropgesteld, elke partij heeft de mogelijkheid om een overeenkomst te beëindigen. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid nadere eisen kunnen stellen aan de opzegging. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. De omstandigheden van het geval moeten in onderlinge samenhang worden bezien. Ik benoem kortheidshalve de relevante omstandigheden:

De samenwerking tussen partijen duurde ruim 14 jaar en wordt nu abrupt opgezegd;

Cliënte is volledig afhankelijk van PostNL. Als de samenwerking op 7 juni 2026 eindigt, dan komt ook de onderneming van cliënte in één keer tot haar einde;

Er zijn specifiek ten behoeve van cliënte specifieke investeringen gedaan;

Door de genoemde (verlengde) opzegtermijn is door cliënte een gerechtvaardigd vertrouwen gewekt over de voorlopige voortzetting van de samenwerking;

Met de abrupte opzegging van de overeenkomst worden niet alleen de belangen van cliënte, maar ook die van derde geraakt. De gevolgen van een opzegging op deze wijze zijn ernstig.
Al met al ziet cliënte voldoende redenen om de opzeggingen niet te accepteren. PostNL heeft
geen rekening gehouden met de relevante omstandigheden van dit specifieke geval. Dit doet niet af aan het feit dat cliënte over de beëindiging van de overeenkomst in gesprek wil als gelijkwaardige partners.
(…)”
[eiseres] sommeert PostNL uiterlijk op 3 juni om 15.30 uur te bevestigen dat beide opzeggingen worden ingetrokken en dat de samenwerking onverkort wordt voortgezet. PostNL heeft per e-mail van 3 juni 2026 laten weten geen aanleiding te zien de opzeggingen in te trekken of de samenwerking onverkort voort te zetten.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter PostNL:
verbiedt om de opzegging per 7 juni 2026, zoals gedaan in haar brief van 2 juni 2026, te effectueren;
verbiedt om de opzegging per 23 juni 2023 te effectueren;
veroordeelt om de vervoersovereenkomst tussen PostNL en [eiseres] onmiddellijk, onvoorwaardelijk en volledig voort te zetten tot en met in ieder geval 2 januari 2027, door aan [eiseres] de gebruikelijke routes uit te besteden op basis van de laatst geldende tarieven;
alles op straffe van een dwangsom en met veroordeling van PostNL in de kosten van deze procedure.
3.2.
Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan.
3.2.1.
Opzegging van de vervoersovereenkomst op grond van artikel 3.4 sub b is onrechtmatig. Allereerst omdat dat artikel volgens [eiseres] zo moet worden uitgelegd dat de vervoersovereenkomst per direct kan worden opgezegd als er een misdrijf is begaan dat van zodanige aard is dat dit opzegging rechtvaardigt én bewezen kan worden dat dit door toedoen van [eiseres] is gedaan. [eiseres] betwist dat de gedragingen aan haar kunnen worden toegerekend en PostNL heeft dat volgens haar onvoldoende bewezen. [eiseres] stelt dat zij de betrokken chauffeurs direct op non-actief heeft gesteld en vervolgens niet meer heeft ingezet. Er is dus geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3.4 onder b van de overeenkomst. Bovendien voorziet artikel 3.4 onder b alleen in een opzegging per direct en daar is PostNL niet toe overgegaan.
Voor zover het beding wel van toepassing en geschonden is, stelt [eiseres] dat het onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). [eiseres] kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor gedragingen van haar chauffeurs, in ieder geval niet als zij maatregelen heeft getroffen tegen frauduleuze chauffeurs. [eiseres] is volledig afhankelijk van PostNL. Zij behaalt haar volledige omzet bij PostNL en heeft 22 werknemers in dienst. Een beëindiging van de overeenkomst per 7 juni 2026 heeft verstrekkende gevolgen voor [eiseres] en haar medewerkers.
3.2.2.
[eiseres] voert verder aan dat zij zekerheidshalve ook een verbod op effectuering van de opzegging per 23 juni 2026 vordert. PostNL heeft deze datum niet genoemd, maar het artikel waar zij in de brief van 23 maart 2026 verwijst benoemt deze termijn wel. Artikel 3.2 van de overeenkomst voorziet niet in een opzegging zoals PostNL in haar brief van 23 maart 2026 heeft gedaan, nu dat artikel uitgaat van een opzegtermijn van drie maanden. Een beëindiging per 2 januari kan alleen worden voorzien bij overeenstemming door partijen en zij waren hierover nog in onderhandeling. De brief van 23 maart 2026 gold als uitnodiging om te onderhandelen over de beëindiging van de overeenkomst, waarbij PostNL als eerste voorstel 2 januari 2027 opwierp. De opzegging bij brief van 23 maart 2026 heeft dus geen rechtsgevolg gehad. Voor zover de voorzieningenrechter daar anders over oordeelt, geldt dat PostNL gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt met betrekking tot voortzetting van de samenwerking tot en met 2 januari 2027.
3.3.
PostNL voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Inleiding
4.1.
Ter beoordeling ligt allereerst voor of PostNL de vervoersovereenkomst op grond van artikel 3.4 sub b heeft kunnen beëindigen zoals zij heeft gedaan bij brief van 7 juni 2026. De voorzieningenrechter komt in het navolgende tot het oordeel dat die beëindiging in dit kort geding stand houdt. Hierna zal worden toegelicht op welke gronden de voorzieningenrechter tot dat oordeel komt. Gelet op dit oordeel worden de vorderingen van [eiseres] afgewezen en behoeven de stellingen van partijen over de opzegging van de vervoersovereenkomst bij brief van 23 maart 2026 geen afzonderlijke beoordeling.
Inhoudelijke beoordeling
Scanfraude
4.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat voldoende aannemelijk is dat er sprake is geweest van scanfraude, gepleegd door twee medewerkers van [eiseres]. In de brief van 2 juni 2026 stelt [eiseres] nog dat zij niet beschikt over de rapportages waar PostNL in de opzeggingsbrief naar verwijst, maar deze zijn in het kader van dit kort geding alsnog aan [eiseres] verstrekt. Uit deze rapportages blijkt dat uit onderzoek is gebleken dat er sprake is geweest van scanfraude (het scannen van oude barcodes, om extra tarieven in rekening te brengen voor niet bestaande pakketten), gepleegd door twee chauffeurs van [eiseres]. In gesprek met PostNL hebben deze medewerkers toegegeven dat zij de scanfraude hebben gepleegd. De gedragingen van de chauffeurs zijn door [eiseres] in dit kort geding niet betwist, zodat voldoende aannemelijk is dat er sprake is geweest van scanfraude.
Uitleg artikel 3.4 sub b vervoersovereenkomst
4.3.
Volgens [eiseres] is de opzegging van 2 juni 2026 in strijd met de tekstuele uitleg van artikel 3.4 sub b van de vervoersovereenkomst. Volgens haar moet dit artikel zo worden uitgelegd dat directe beëindiging van de overeenkomst alleen mogelijk is als bewezen kan worden dat er een misdrijf “van zodanige aard” [1] is begaan én bewezen kan worden dat dit door [eiseres] is gedaan. [eiseres] betwist dat zij op de hoogte was van de gedragingen van haar chauffeurs en stelt dat deze gedragingen niet aan toe te rekenen zijn. De voorzieningenrechter is echter met PostNL van oordeel dat deze uitleg van [eiseres] niet in lijn is met de vervoersovereenkomst. De tekst van artikel 3.4 sub b is in dit opzicht duidelijk: ook (een redelijk verdenking van) een misdrijf of overtreding begaan door een chauffeur geeft PostNL het recht de overeenkomst per direct te beëindigen. De omstandigheid dat de fraude is gepleegd door medewerkers van [eiseres] en niet door [eiseres] zelf staat dus niet weg aan de opzegging op grond van artikel 3.4 sub b. Bij de beoordeling van de vraag of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat van deze opzeggingsbevoegdheid gebruik wordt gemaakt (zie randnummer 4.6 e.v.) speelt de vraag in welke mate de gedragingen van de betreffende chauffeurs aan [eiseres] kunnen worden toegerekend wel een rol. Of het handelen van de chauffeurs aan [eiseres] kan worden toegerekend, zal in dat verband beoordeeld worden.
4.4.
De stelling van [eiseres] dat artikel 3.4 sub b van de vervoersovereenkomst alleen voorziet in een
directeopzegging en dat PostNL niet per direct heeft opgezegd treft geen doel. Artikel 3.4 voorziet in het recht om zonder inachtneming van een opzegtermijn de overeenkomst te beëindigen, maar dat betekent niet dat de opzegging geen doel treft als PostNL, zoals zij heeft gedaan, opzegt tegen een termijn van een paar dagen. De vergelijking van [eiseres] met een ontslag op staande voet in de zin van artikel 7:677 ev Pro. BW gaat niet op. Op een arbeidsovereenkomst zijn specifieke wettelijke bepalingen van toepassing. Dergelijke bepalingen zijn niet (analoog) van toepassing op de tussen partijen gesloten vervoersovereenkomst.
Onredelijk bezwarend beding?
4.5.
Volgens [eiseres] is artikel 3.4 sub b van de vervoersovereenkomst – voor zover het van toepassing en geschonden is – onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 sub a BW Pro. Artikel 6:233 sub a BW Pro heeft betrekking op algemene voorwaarden bij een overeenkomst. Artikel 3.4 sub b van de vervoersovereenkomst is een kernbeding, onderdeel van de tussen partijen gesloten overeenkomst en niet van de algemene voorwaarden bij die overeenkomst. Alleen al daarom gaat deze stelling van [eiseres] niet op. Daar komt nog bij dat ook als de bepaling wel onderdeel zou zijn van algemene voorwaarden deze niet als onredelijk bezwarend valt aan te merken. Het beding komt niet voor op de zwarte of grijze lijst als bedoeld in artikel 6:236 BW Pro of artikel 6:237 BW Pro en wordt daarom voor consumenten niet op voorhand aangemerkt als (vermoedelijk) onredelijk bezwarend (nog daargelaten dat [eiseres] geen consument is, zodat zij in beginsel ook niet de extra bescherming van die artikelen geniet). Bovendien stelt PostNL terecht dat fraude gericht tegen haar bij uitstek een grond voor ontbinding of opzegging van de vervoersovereenkomst is, een inhoudelijke onderbouwing waarom een dergelijke bepaling onredelijk bezwarend zou zijn ontbreekt.
Maatstaven van redelijkheid en billijkheid
4.6.
Uit al het vorenstaande volgt dat PostNL de contractuele mogelijkheid heeft om de vervoersovereenkomst zonder opzegtermijn te beëindigen. Dan moet nog worden beoordeeld of desondanks de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat aan die opzegging nadere eisen gesteld worden of dat het gebruik ervan onaanvaardbaar is.
4.7.
De voorzieningenrechter neemt bij deze beoordeling tot uitgangspunt dat de fraude van substantiële duur en omvang is geweest. Volgens intern onderzoek van PostNL is er over de periode van november 2025 tot en met maart 2026 naar schatting voor een bedrag van ongeveer € 20.000 aan extra scans is gemaakt, oftewel bijna 12.000 extra scans in een periode van vijf maanden. [2] Dat komt bij benadering en neer op gemiddeld bijna tachtig extra scans per dag, verdeeld over twee chauffeurs, op een normaal aantal scans per dag van de betrokken chauffeurs van – volgens verklaring van [eiseres] ter zitting – tweehonderd respectievelijk negentig tot honderd. De omvang van de fraude kan ook worden afgeleid uit het feit dat op de telefoon van de bij de fraude betrokken chauffeurs driehonderd, respectievelijk driehonderdnegenzeventig oude barcodes zijn aangetroffen die werden gebruikt bij de scanfraude.
4.8.
Zoals hiervoor ook al is overwogen, heeft [eiseres] de gepleegde fraude niet voldoende gemotiveerd betwist. Ook dat de fraude, zoals hiervoor geschetst, op grote schaal heeft plaatsgevonden heeft zij niet voldoende gemotiveerd betwist. Gezien de duur van de fraude en het aantal extra scans dat is gemaakt, afgezet tegen de normale hoeveelheid scans, had [eiseres] de door haar chauffeurs gepleegde fraude moeten opmerken, ook als er – zoals [eiseres] ter zitting heeft gesteld – sprake is geweest van fouten in het systeem van PostNL waarin de verrichte werkzaamheden worden bijgehouden. Ter zitting zijn hierover de nodige vragen gesteld en hoewel [eiseres] bij monde van haar directeur heeft verklaard de fraude nooit opgemerkt te hebben, is deze verklaring niet overtuigend. De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat de fraude voor [eiseres] onopgemerkt is gebleven, althans dat zij de fraude niet had kunnen opmerken. Daarbij laat de voorzieningenrechter meewegen dat de extra – frauduleuze – scans ook hebben geleid tot een extra omzet van [eiseres]. Gelet hierop kan aan [eiseres] worden verweten dat zij niet heeft opgetreden tegen de (aanhoudende) gedragingen van twee van haar chauffeurs. De omstandigheid dat de fraude is gepleegd door haar chauffeurs en niet door [eiseres] zelf betekent dus niet dat opzegging van de overeenkomst daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
4.9.
Aannemelijk is dat [eiseres] in grote mate afhankelijk is van de werkzaamheden die zij voor PostNL verricht en dat de opzegging met ingang van 7 juni 2026 ingrijpende gevolgen voor haar heeft. Daar staat echter tegenover dat PostNL niet hoeft te dulden dat fraude wordt gepleegd. Uit de tussen partijen gesloten overeenkomst blijkt ook uitdrukkelijk dat PostNL zich het recht voorbehoud in geval van fraude de overeenkomst te beëindigen. De afhankelijkheid van [eiseres] van de werkzaamheden die zij voor PostNL verricht betekent niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat PostNL onder deze omstandigheden van haar opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt. Ook de omstandigheid dat er sprake is van een jarenlange samenwerking tussen partijen en dat [eiseres] met het oog op die samenwerking aanzienlijke investeringen heeft gedaan leiden, nu fraude aan de opzegging ten grondslag ligt, niet tot een ander oordeel.
Slotsom en proceskosten
4.10.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vordering om PostNL te verbieden de opzegging per 7 juni 2026 te effectueren wordt afgewezen. De overige vorderingen van [eiseres] delen dat lot.
4.11.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van PostNL worden begroot op de in het dictum te vermelden wijze.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst de vorderingen van [eiseres] af;
- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.101 (te weten griffierecht € 735, salaris advocaat € 1.177, nakosten € 189,00 (plus na te melden verhoging), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op
5 juni 2026.

Voetnoten

1.Deze woorden gebruikt [eiseres] in haar dagvaarding. Naar de voorzieningenrechter begrijpt bedoelt [eiseres] hiermee dat sprake moet zijn van een ernstig misdrijf.
2.Per scan wordt een zogenaamd stoptarief van € 1,68 door PostNL betaalt.