ECLI:NL:RBDHA:2026:16962

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
09/176817-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 SvArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens gebrek aan steunbewijs bij zedenverdenking tegen verdachte

De rechtbank Den Haag behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van seksueel misbruik van een destijds driejarig meisje, dat onder zijn zorg stond. De aangifte van de moeder van het meisje werd als betrouwbaar beoordeeld, maar er ontbrak voldoende steunbewijs om de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

De rechtbank overwoog dat in zedenzaken vaak alleen de verklaringen van het vermeende slachtoffer en de verdachte beschikbaar zijn, en dat volgens artikel 342 Sv Pro het bewijs niet uitsluitend op één getuigenverklaring mag berusten. Hoewel de verklaring van het meisje betrouwbaar werd geacht, konden de getuigenverklaringen en gedragsveranderingen van het meisje geen voldoende onafhankelijk steunbewijs vormen. Medische gegevens ontbraken en gedragsveranderingen konden ook worden verklaard door de scheiding van de ouders.

De rechtbank concludeerde dat het bewijs onvoldoende was om de verdachte te veroordelen en sprak hem vrij. Tevens verklaarde de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding, omdat de verdachte werd vrijgesproken. De benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten van de verdediging van de verdachte, welke tot op heden nihil werden begroot.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende steunbewijs ondanks betrouwbare aangifte.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/176817-25
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1961 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 5 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.E.G. van den Eijnden, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. R.J. Balkenende, naar voren is gebracht.
[benadeelde] , wettelijk vertegenwoordigd door haar ouders en bijgestaan door mr. H Sazoglu, advocaat te Den Haag, heeft zich in het strafproces gevoegd en schadevergoeding gevorderd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de toelichting daarop. Ook heeft de rechtbank geluisterd naar het spreekrecht dat ter terechtzitting is uitgeoefend.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2024 tot en met 25 april 2024 te Nootdorp, binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp, althans in Nederland, meermalen, met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum 2] 2021, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten:
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in en/of tegen de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [benadeelde] en/of
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in en/of tegen de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [benadeelde] , zulks terwijl die [benadeelde] aan zijn, verdachtes, zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2024 tot en met 25 april 2024 te Nootdorp, binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp, althans in Nederland, meermalen, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [benadeelde] , geboren op [geboortedatum 2] 2021, door:
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in en/of tegen de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [benadeelde] en/of
- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in en/of tegen de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [benadeelde] ;

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde en tot het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, en tot het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contact- en locatieverbod voor de duur van 5 jaar.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.
3.3.
Vrijspraak
De rechtbank acht het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Zij overweegt daartoe als volgt.
Juridisch kader zedenzaken
Bij de beoordeling van het bewijs in zedenzaken stelt de rechtbank voorop dat dergelijke zaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte, zoals in deze zaak het geval is, brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaringen van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden zijn.
Volgens het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de strafrechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de strafrechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de verklaring van één getuige met betrekking tot de feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad in zedenzaken volgt dat niet is vereist dat de seksuele handelingen als zodanig bevestiging moeten vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende wanneer de verklaring van een aangever op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van een aangever en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Indien een verklaring van een getuige (mede) een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van het vermeende slachtoffer op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of vlak daarna, kan die waarneming voldoende steunbewijs opleveren. Voorts is van belang dat de strafrechter uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de overtuiging moet krijgen dat het feit is gepleegd zoals het de verdachte wordt verweten. Met name als de bewijsmiddelen schaars zijn, moet de strafrechter behoedzaamheid betrachten om op grond van hetgeen overigens blijkt aan te nemen dat het feit is gepleegd.
Betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster
Op 27 juni 2024 heeft de moeder van [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) aangifte gedaan van, kort gezegd, seksueel misbruik van haar dochtertje. [benadeelde] was op dat moment drie jaar oud. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster voldoende betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt. De aangeefster heeft in de kern consistent verklaard over hetgeen zij heeft gehoord van [benadeelde] en over de gedragingen die zij heeft waargenomen bij haar. Daarnaast komen de bewoordingen die [benadeelde] volgens de aangeefster gebruikt heeft in grote mate overeen met hetgeen de getuige [getuige 1] ongeveer in dezelfde periode verklaard heeft zelf gehoord te hebben. Dat de woorden van [benadeelde] , zoals neergelegd in de aangifte en voornoemde getuigenverklaring, weinig details bevatten over waar, wanneer en onder welke omstandigheden het vermeende seksuele misbruik zou hebben plaatsgevonden, maakt, anders dan door de raadsman bepleit, niet dat de aangifte onvoldoende betrouwbaar is. Van een zeer jong meisje kan niet worden verwacht dat zij complete zinnen kan formuleren. Gelet op het voorgaande doet evenmin afbreuk aan de betrouwbaarheid van de aangifte dat [benadeelde] op 13 augustus 2024 in een studioverhoor bij de politie op dezelfde vraag twee verschillende antwoorden heeft gegeven. Voor het overige is de rechtbank evenmin gebleken van omstandigheden die zouden maken dat de verklaring van de aangeefster niet betrouwbaar is.
Steunbewijs
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van de aangeefster. De rechtbank zal hieronder de verschillende mogelijkheden tot steunbewijs bespreken.
In het dossier zijn verschillende verklaringen aanwezig van getuigen die verklaard hebben dat [benadeelde] ten overstaan van hen bepaalde uitlatingen heeft gedaan en die naar hun inhoud kunnen wijzen op seksueel misbruik door de verdachte (getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] ). De rechtbank is van oordeel dat deze getuigenverklaringen niet kunnen dienen als steunbewijs, reeds omdat de waargenomen uitlatingen afkomstig zijn van [benadeelde] zelf en/of van de aangeefster. Daarmee komen zij uit dezelfde bron.
Uit het dossier, onder meer uit de aangifte en het medisch journaal van de huisarts, blijkt verder dat bij [benadeelde] tijdens en na de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een gedragsverandering. Zo had zij last van woede-uitbarstingen, moeite met slapen, hoofdpijn en een verminderde eetlust. Deze gedragsveranderingen zijn naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet redengevend voor het bewijs. Uit voornoemd medisch journaal blijkt immers ook dat de ouders van [benadeelde] in diezelfde periode uit elkaar waren en de vader sinds de tweede week van januari, en ook nog op 1 augustus 2024, op een ander adres verbleef. Niet kan worden uitgesloten dat de gedragsverandering is toe te schrijven aan de feitelijke scheiding van vader en moeder. De gedragsverandering kan dan ook niet als steunbewijs dienen.
Ook de seksueel getinte gedragingen die [benadeelde] in het bijzijn van de aangeefster heeft verricht, kunnen niet dienen als steunbewijs. De waarnemingen hiervan zijn namelijk opgeschreven in de aangifte. En een aangifte kan geen steunbewijs opleveren voor diezelfde – betrouwbaar geachte – aangifte.
Ten aanzien van de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] over waargenomen gedragingen bij [benadeelde] geldt dat deze waarnemingen in een te ver verwijderd verband van het ten laste gelegde staan. Zo heeft [getuige 2] verklaard dat zij de gordel vastmaakte van de autostoel waarin [benadeelde] zat. Zij moest hiervoor onder de billen van [benadeelde] door, waarna [benadeelde] volgens [getuige 2] ‘omhoog sprong’ en een blik had van ‘waar ga je heen?’. Deze weinig concrete waarnemingen leveren echter op zichzelf geen steun voor seksueel misbruik op. Dit geldt ook voor de waarneming van [getuige 3] dat [benadeelde] de plasser van een pop insmeerde met zalf.
Ten slotte ontbreken in het dossier objectieve medische gegevens die als steunbewijs kunnen dienen. Uit het medisch journaal van de huisarts blijken geen medische bevindingen die erop wijzen dat [benadeelde] seksueel misbruikt is. Voor zover getuigen verklaard hebben over bloed in de luier en een seksueel overdraagbare aandoening, constateert de rechtbank dat deze verklaringen op geen enkele wijze steun vinden in objectieve gegevens.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het voorgaande – afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien – geen steunbewijs bevat voor de betrouwbaar geachte aangifte. Gelet hierop acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en zal hem daar dan ook van vrijspreken.

4.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde] , vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordigers, [moeder benadeelde] (haar moeder) en [vader benadeelde] (haar vader), heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 10.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 6.000,- inclusief de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering voor het overige.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering gelet op de door hem bepleite vrijspraak.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
5. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.M. Guljé, voorzitter,
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,
mr. L. Anemaet, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. N.T.G. Levelt en R.J. Groeneveld, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juni 2026.