ECLI:NL:RBDHA:2026:16948
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsuitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het college had haar aanvraag op 21 april 2026 afgewezen, waarna verzoekster bezwaar maakte.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 18 juni 2026 tijdens een mondelinge zitting, waarbij verzoekster niet aanwezig was maar de gemachtigde van het college wel. Uit de overgelegde bankafschriften van de bewindvoerder bleek dat verzoekster op 2 juni 2026 een salaris van €1.907,66 had ontvangen en op 15 juni 2026 nog een positief saldo had op haar rekening.
Gezien deze financiële situatie concludeerde de voorzieningenrechter dat er geen sprake was van een acute financiële nood en daarmee geen spoedeisend belang bestond. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.