Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16945

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.32964
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59c VwArt. 5.5 VbArt. 5.6 VbArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser op 12 juni 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte de gronden waaronder onder meer het niet op de juiste wijze binnenkomen van Nederland, het niet meewerken aan vaststelling van identiteit en het ontbreken van een vaste verblijfplaats.

De rechtbank oordeelde dat de gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Eiser was Nederland binnengekomen zonder geldig reisdocument en had een afgewezen asielaanvraag met terugkeerbesluit en inreisverbod. Hij werkte niet voldoende mee aan het vaststellen van zijn identiteit en beschikte niet over geldige documenten. Zijn verblijf in een AZC en het ontvangen van COA-gelden weerlegden de gronden niet.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig is opgelegd omdat het belang van de openbare orde een onderduikrisico rechtvaardigt en minder dwingende maatregelen niet toereikend zijn. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32964

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met een schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 16 juni 2026 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 18 juni 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 18 juni 2026.

Overwegingen

Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [2] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [3] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [4] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [5]
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als gronden vermeld dat eiser:
- a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;- b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;- p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist de gronden a,b,c,p, r en s. [6] Eiser voert aan dat hij voornemens was om in Nederland een asielaanvraag in te dienen, omdat hij eerder door Zwitserland aan Nederland is overgedragen. Eiser stelt niet bekend te zijn geweest met een beslissing op zijn – in 2024 ingediende – asielaanvraag of met het terugkeerbesluit en inreisverbod. Eiser heeft zich niet onttrokken aan het toezicht of zonder toestemming door de Europese Unie bewogen. Er is geen reden om te twijfelen aan de door eiser opgegeven persoonsgegevens, omdat hij nooit heeft gelogen en de Nederlandse autoriteiten de Dublinclaim van Zwitserland hebben geaccepteerd. Eiser heeft nooit over identificerende documenten beschikt, maar wil hieraan wel zijn medewerking verlenen. Daarbij heeft hij altijd verbleven in het AZC in Gilze-Rijen en leefde hij van het geld dat hij van het COA kreeg gedurende zijn verblijf aldaar.
5. De rechtbank is van oordeel dat de gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn gemotiveerd. Ten aanzien van grond a heeft eiser niet bestreden dat hij Nederland is ingereisd zonder geldig reisdocument. Dat eiser voornemens was om na zijn overdracht aan Nederland opnieuw een asielaanvraag in te dienen doet niet af aan de feitelijke juistheid hiervan. Ook grond b is feitelijk juist. Eisers asielaanvraag is op 19 september 2025 afgewezen en aan hem zijn ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd. Dat eiser stelt hiervan niet op de hoogte te zijn geweest komt voor zijn rekening en risico, omdat hij na deze beschikking met onbekende bestemming is vertrokken en het aan eiser is om contact met zijn gemachtigde te onderhouden. Daarbij heeft verweerder in het verweerschrift terecht overwogen dat de beschikking met betrekking tot de afwijzing van zijn asielaanvraag aan eisers gemachtigde is toegezonden en dat hierover is geprocedeerd. Grond c is eveneens feitelijk juist. Niet is gebleken dat eiser daadwerkelijke actie heeft verricht ter vaststelling van zijn identiteit. Daarbij heeft eiser verklaard niet met de consulaire vertegenwoordigers van Algerije te spreken. Dat eiser verklaringen over zijn identiteit en nationaliteit heeft afgelegd en eerder door een andere lidstaat is overgedragen, maakt dit niet anders. Ook grond p is feitelijk juist. Verweerder heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd dat eiser geen geldige identificerende documenten heeft getoond en geen melding heeft gemaakt van zijn illegale verblijf. Het verblijf van eiser in een AZC en het rondkomen van het bedrag dat hij aldaar van het COa ontvangt, is onvoldoende om de feitelijke juistheid van de gronden r en s te betwisten.
6. Ook buiten de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
5.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
6.De gemachtigde van eiser verwijst in de beroepsgronden naar de zware en lichte gronden volgens het beleid vóór 12 juni 2026.
7.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.