Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, een vreemdeling met de Libische nationaliteit, werd op 3 maart 2026 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd voortgezet en de rechtbank werd hiervan in kennis gesteld, wat gelijkgesteld werd met een beroep van eiser tegen deze voortzetting.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de maatregel vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 8 april 2026. Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij zijn uitzetting, mede omdat na erkenning van zijn Marokkaanse nationaliteit op 8 juni 2026 geen lp-is (laissez-passer) was verstrekt of aangevraagd.
Verweerder toonde aan dat op 11 juni 2026 het Marokkaanse consulaat was verzocht om de feitelijke afgifte van een laissez-passer, welke op 19 juni 2026 werd afgegeven. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend handelde en dat de maatregel van bewaring gedurende de te beoordelen periode rechtmatig was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.