ECLI:NL:RBDHA:2026:16910
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning partner wegens ontbinding huwelijk en onvoldoende privéleven in Nederland
Eiser, een Indiase nationaliteit, had sinds 2 september 2020 een verblijfsvergunning als partner van een Nederlandse vrouw. Deze vergunning werd ingetrokken per 16 januari 2025 nadat het huwelijk was ontbonden. De minister stelde dat er geen gezinsband meer bestond en dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van eiser uitviel.
Eiser voerde aan dat zijn banden met Nederland sterker waren dan met India en dat hij zijn privéleven in Nederland had opgebouwd. De rechtbank oordeelde dat de minister een deugdelijke belangenafweging had gemaakt, waarbij rekening was gehouden met het feit dat eiser tot zijn 27e in India had gewoond en daar nog sociale contacten heeft. De stellingen van eiser waren onvoldoende onderbouwd en hij was niet verschenen op de zitting om nadere toelichting te geven.
Daarnaast was het afzien van het horen in bezwaar volgens de rechtbank terecht gemotiveerd, omdat er geen nieuwe feiten of argumenten waren aangevoerd die tot een ander besluit konden leiden. De rechtbank benadrukte ook de verantwoordelijkheid van procespartijen om rekening te houden met de beperkte capaciteit van de rechtspraak.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de intrekking van de verblijfsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de intrekking blijft in stand.