Uitspraak
Bewonersvereniging [verzoekster] , te [plaats] , verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
[derde-partij], te [plaats] , vergunninghouder
Rechtbank Den Haag
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag behandelde op 19 juni 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening van een bewonersvereniging tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. De vergunning betrof het vergroten en veranderen van een woning door het plaatsen van aanbouwen, een carport en een garage/berging.
De voorzieningenrechter overwoog dat op het moment van de zitting de funderingswerkzaamheden voor de bouwwerken waren afgerond, maar dat de verdere bouwwerkzaamheden niet zouden aanvangen vóór 1 januari 2027. Het college bevestigde dat het bezwaar tegen het besluit vóór die datum zou worden behandeld.
Gezien deze omstandigheden oordeelde de voorzieningenrechter dat er geen sprake was van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigde. Het verzoek werd daarom afgewezen. Tevens werd geen vergoeding van het griffierecht toegekend, omdat niet voldaan was aan de voorwaarden van artikel 8:82 Awb Pro.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.